Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lokaal - (plaatselijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lokaal 1 bn. ‘plaatselijk’
Vnnl. locaal ‘plaatselijk, op een bepaalde plaats betrekking hebbend’ in municipale oft locale manieren van procederen [1570; WNT], ‘id.’ [1650; Hofman].
Ontleend aan Frans local ‘plaatselijk’ [1372-74; TLF], eerder al ‘een bepaald lichaamsdeel betreffend’ [1314; FEW], ontleend aan Laatlatijn localis ‘id.’, afleiding van klassiek Latijn locus ‘plaats’, zie → loco-.
lokaliseren ww. ‘tot een bepaalde plaats beperken, de plaats vaststellen van’. Nnl. localiseren ‘op de juiste plaats stellen; de juiste plaats aanwijzen’ [1824; Weiland]. Ontleend aan Frans localiser ‘id.’ [1801; Rey], afleiding van local ‘plaatselijk’.

lokaal 2 zn. ‘ruim vertrek voor een bepaald doel’
Nnl. locaal ‘plaats, gebouw’ [1805; Meijer], ‘gebouw met een bepaalde functie’ in Localen der Ministerien [1806-07; WNT], ‘ziekenhuisgebouwtje’ in op zoodanigen afstand van het locaal, dat de zieken daartusschen kunnen wandelen [1808; WNT water], lokaal ‘ruim vertrek voor een bepaald doel’, i.h.b. in een school [1840; WNT].
Ontleend aan Frans local ‘gebouw met een bepaalde functie’ [1789; Rey], eerder al ‘plaats met bepaalde kenmerkende eigenschappen’ [1731; Rey], afleiding van het bn. local ‘plaatselijk, met betrekking tot een bepaalde plaats’, zie → lokaal 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lokaal [vertrek, plaatselijk] {1570 als ‘plaatselijk’; de betekenis ‘vertrek’ 1825} < frans local < middeleeuws latijn locale, het zelfstandig gebruikt o. van localis [plaatselijk], van locus [plaats] (vgl. lokatie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lokaal bnw. eerst nnl. < fra. local < lat. localis ‘plaatselijkʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lokaal znw. o. Nog niet bij Kil., evenmin als ’t bnw. locaal. Beide uit fr. local (lat. locâlis, -e). Ook elders ontleend.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

lokaaltje ‘Toen ik in theater Carré werkte’, schreef een informant uit Amsterdam, ‘bracht een acteur de juffrouw van de artistenfoyer in verlegenheid door een Lokaaltje te bestellen. Jaren later kwam ik de acteur in een ander theater tegen. Hij bestelde nog steeds Lokaaltjes.’ Niet bekend is of deze borrelnaam ook algemener wordt gebruikt.

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Locaal (= Lat. locális = plaatselijk; < locus = plaats). Plaatselijk; b.v. locale sterrenhoop.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lokaal ‘plaatselijk’ -> Indonesisch lokal ‘plaatselijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lokaal plaatselijk 1570 [WNT] <Frans

lokaal vertrek 1825 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal