Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-logie - (-wetenschap, -theorie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

-logie achterv.
Eerst alleen in leenwoorden uit het Latijn, al dan niet via het Frans, bijv.astrologie, → theologie en → genealogie (alle reeds mnl.), → analogie, → etymologie [beide 16e eeuw] later ook in rechtstreekse leenwoorden uit het Grieks, bijv. anthologie (zie → bloemlezing).
Dit internationale wetenschappelijke achtervoegsel gaat terug, dikwijls via Neolatijn -logia, Frans -logie, Engels -logy enz., op Grieks -logíā ‘studie, onderzoek; expressie’, dat is afgeleid van -lógos ‘die zich met een bepaald onderwerp bezighoudt’, maar in bepaalde afleidingen ook kan teruggaan op het simplex lógos ‘woord, spraak, verhandeling, leer’ zoals in → dialoog, monoloog, → proloog. Lógos en -lógos zijn beide afgeleid van het werkwoord légein ‘spreken’, zie → legende.
Net als in het Grieks betekent -logie ook tegenwoordig zowel ‘wetenschap’ als ‘woord, expressie’. In de eerste betekenis is het achtervoegsel sinds de 19e eeuw zeer productief en is er ook altijd sprake van een afleiding op -loog ‘beoefenaar van de betreffende wetenschap’. In de betekenis ‘woord, expressie’ is het aantal afleidingen beperkt, naast bovengenoemde analogie en anthologie bijv. nog → tautologie, → trilogie, haplologie ‘lettergreepdeletie’ en → necrologie.
Het grondwoord is meestal een Griekse woordstam met een verbuigingsklinker -o-. Soms komt het grondwoord uit het Latijn, bijv. in radiologie, sociologie, insectologie (naast entomologie bij Grieks éntomon ‘insect’). Afleidingen van een Nederlands woord zijn vaak ironisch en gaan zelden de status van gelegenheidsvorming te boven, bijv. fietsologie ‘fietswetenschap’. Een bekende vorming is kretologie ‘stelsel van leuzen die pasklare oplossingen suggereren’ bij kreet ‘uitroep’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-logie [achtervoegsel met de betekenis ‘verhandeling, theorie, wetenschap’] {in bv. astrologie 1285} < frans -logie of < grieks -logia [woord, verhandeling], van logos [woord, leer], van legein [spreken, verklaren] → -loog.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

logie, loezje, zn.: houten hut of afdak, schuurtje. Ook Wvl. Mnl. logie, loodse ‘hut, schuur, begplaats’. Uit Fr. loge < Germ. *laubja-. Zie ook luif.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

lozie 2 (ZV), zn. v.: houten hok, schuurtje (bergplaats van timmerman). Var. van Wvl. logie < Fr. loge < Germ. *laubja-. Zie ook love.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

lozze, lozzie, luzze, leuze aanbouw, keuken (Vlaanderen, Zeeland, Goeree-Overflakkee, West-Brabant). « fra. loge ‘huisje’, dat een ontlening is uit het Frankisch waar een heterofoon van hgd. laube ‘prieeltje’ in schuilt. Zulk een laube werd door loof gevormd. Vgl. luif ↑.
Donum Natalicium De Smet 521-525.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

logie, looize (DB, WVD: Beerst, Lo, Ingooigem), zn. v.: houten hok, schuurtje, afdak. 1418 eene ketene vander loege up de halle ghemaect heift, Kortrijk (OWW). Uit Fr. loge < Germ. *laubja-. De Wvl. uitspraak looize uit het Pic. Zie lovie, lorzeke. Zie ook Devos - Van Keymeulen 1985, 202-204.

lorzeke (D), zn. o.: afdakje. Dim. van Fr. loge ‘hutje, huisje’ < Frank. laubja. D. Laube ‘tuinhuisje’ < Ohd. louba ‘schutdak, hut’, Mhd. loube ‘bedekte hal, galerij’, Mnd., Mnl. love ‘luifel, uitbouwsel’. De vorm lorze vertoont de zo frequente r-epenthesis.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

-logie (Grieks -logia)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

-logie (= Gr. -λογία (-logía) = het spreken over, leer; λέγειν (légein) = spreken, bespreken; λόγος (lógos) = woord, gesprek). Tweede lid in samenstellingen met de betekenis: leer, wetenschap van…

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

-logie ‘achtervoegsel met de betekenis: verhandeling, theorie, wetenschap’ -> Indonesisch -logi ‘achtervoegsel met de betekenis: verhandeling, theorie, wetenschap’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal