Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loeken - (kijken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loeken* [kijken] {loeken, loken, louken [kijken, turen, gluren] 1300} oudsaksisch lokon, oudhoogduits luogen (hoogduits lugen), oudengels locian (engels to look) (vgl. look3).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

loeken, ww.: kijken turen, mikken. Mnl. loeken ‘kijken, turen, gluren’, d.i. Oe. lôcian, E. to look ‘kijken’, Os. lôkon ‘kijken’. Intensivum bij D. lugen ‘kijken’. Als toenaam: 1376 Wouter die Loeker, Antwerpen (Debrabandere 2003).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

loeke kijken, turen, mikken (Scheveningen, Limburg, Westmalle, Beerzel). = mnl. loeken ‘kijken’, oeng. lōcian ‘kijken’, eng. look ‘kijken’, os. lōkon ‘kijken’, ofri. loaitsje ‘kijken’. Intensiefformatie bij hgd. lugen ‘kijken’.
Roeleveld 104, Alsters e.a. 185, Mnl Wb IV 707, 708, Album Blancquaert 288.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

loeken kijken. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke beschrijft in de voorbeeldzin een inbrekerstechniek: ‘Je komt voorbij, maakt een veter van je schoen vast en loekt terwijl even naar ’t slot.’ Vanzelfsprekend ontleend aan het Engelse to look (‘kijken’).
— Affijn, we raakten al gauw een beetje op dreef, lieten de ober een biertje en nog een biertje aantremmen en gingen over de fluwelen leuning van de Loge hangen om de halfblote kalletjes, beneden, tussen d’r heuveltjes te loeken. ¶ Willem van Iependaal, Lord Zeepsop (1937), p. 53
— Wacht; ophijschen aan dat venstertje van de deur. Naar binnen loeken. Goddorie! een slaapwandelaarster. ¶ G.P. Smis, De smederij bij den Westertoren (1942), p. 28

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

loeken (Engels to look)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

loeken ‘(verouderd) kijken, gluren’ -> Frans reluquer ‘nieuwsgierig (be)kijken; met afgunst bekijken (familiair)’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal