Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lochting - (tuin, hof)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lochting* [tuin, hof] {lochtinc, lochten(e), lochteuine [open plaats of tuin bij een huis] 1272} van look1 [een plant] + tuin, vgl. oudengels lēac-tūn [groentetuin] (vgl. loggia, loge, lobby).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lochting v., Mnl. lochtinc: wellicht van denz. oorsprong als de tweede groep woorden vermeld onder lucht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

lochten, zn.: tuin, m.n. hoeplochten (Asse) ‘hoppeveld’. Var. van Vlaams lochting ‘moestuin, achtertuin’. Mnl. lochtinc, lochtuun ‘moestuin’, 1396 lochtinc, Oudenaarde (Hoebeke 1968), Vnnl. 1562 lochtinc ‘iardin’ (Lambrecht), lochtinck ‘tuin’ (Kiliaan). Uit lochtuun < looctuun ‘groentetuin’. Vgl. Oe. lêactûn ‘groentetuin’, ouder E. leighten ‘tuin’. Hoebeke 1968, 410-414 zag voorlopig ook geen betere verklaring dan die van C. Vereecken, maar heeft toch bezwaren op grond van de oude Oudenaardse vormen: -1272 lochtwijn, 1285 ieghen den lochtwijn, 1288 van .j. lochteuine, 13e e. lochtewin, ± 1300 achter lays lochtuin, 1320 den lochtwine, 1355 van den lochtin, 1369 bruuns lochtwin. Afl. Gents lochtingen ‘tuinieren’: 1568 hoe reyn datmen ghelochtinght heeft noch vindt men steenen, Gent (LC). - Bibl.: C. Tavernier-Vereecken, De etymologie van lochting. Med. Ver. Naamk. 28 (1952), 81-84.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

lochtink zn. m.: moestuin, achtertuin, tuin. Vooral Vlaams. Mnl. lochtinc, lochtuun ‘moestuin’, 1396 lochtinc, Oudenaarde (Hoebeke 1968), Vnnl. 1562 lochtinc ‘iardin’ (Lambrecht), lochtinck ‘tuin’ (Kiliaan). Uit lochtuun < looctuun ‘groentetuin’. Vgl. Oe. lêactûn ‘groentetuin’, ouder E. leighten ‘tuin’. Hoebeke 1968, 410-414 zag voorlopig ook geen betere verklaring dan die van C. Vereecken, maar heeft toch bezwaren op grond van de oude Oudenaardse vormen: -1272 lochtwijn, 1285 ieghen den lochtwijn, 1288 van .j. lochteuine, 13de e. lochtewin, ± 1300 achter lays lochtuin, 1320 den lochtwine, 1355 van den lochtin, 1369 bruuns lochtwin. - Bibl.: C. Tavernier-Vereecken, De etymologie van lochting. Med. Ver. Naamk. 28 (1952), 81-84.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

lochting (B, E, G, L, R, W, ZO, ZV), zn. m.: moestuin, achtertuin. Mnl. lochtinc, lochtuun 'moestuin', 1396 lochtinc, Oudenaarde (Hoebeke 1968),Vnnl. 1562 lochtinc 'iardin' (Lambrecht), lochtinck 'tuin' (Kiliaan). Uit lochtuun < looctuun 'groentetuin'. Vgl. Oe. lêactûn 'groentetuin', ouder E. leighten 'tuin'. Hoebeke 1968, 410-414 zag voorlopig ook geen betere verklaring dan die van C. Vereecken, maar heeft toch bezwaren op grond van de oude Oudenaardse vormen: -1272 lochtwijn, 1285 ieghen den lochtwijn, 1288 van .j. lochteuine, 13e e. lochtewin, ± 1300 achter lays lochtuin, 1320 den lochtwine, 1355 van den lochtin, 1369 bruuns lochtwin. Afl. lochtingen (G) 'tuinieren': 1568 hoe reyn datmen ghelochtinght heeft noch vindt men steenen, Gent (LC). Samenst. lochtingman (G) 'tuinier, tuinman', lochtingvoet, -poot (L, W) 'grote voet, zodat je er makkelijk het zaaibed mee aan kan trappen - Bibl.: C. Tavernier-Vereecken, De etymologie van lochting. Med. Ver. Naamk. 28 (1952), 81-84.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

lochting, lofting (vla.), lochter (hasp.) tuin (Vlaanderen, Haspengouw). = mnl. lochting, lochten, lochtuun ‘id.’. = oeng. lēac-tūn ‘groentetuin’, vero.eng. leighten ‘tuin’. Het eerste deel = nl. look, het tweede = tuin ↑.
WNT VIII 2537-2538 (nu verouderde etym.), M Ver Nk 1952, 81-84, Rutten 133, TT XXIX 88 geeft nog een andere mogelijkheid voor limb.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

lochtink, zn. m.: moestuin, achtertuin. Mnl. lochtinc, lochtuun ‘moestuin’, Vroegnnl. 1562 lochtinc ‘iardin’ (Lambrecht), lochtinck ‘hortus’ (Kiliaan). 1358 dat die in Grusenberghe porten, torren of husinghen daeraen clevende, wonen zullen, en zullen gheene usanchen, lochtin, preyel of andre aysementen moghen hebben upt kerchof; 1450 den lochtinc mede te hoeghene; 1485 eenen lochtinc groot ontrent x hondert erven... denwelken lochtinc leyt buuten der Steenporte, Kortrijk (OWW). Lochtink < lochtuun < looctuun ‘groentetuin’. Vgl. Oe. lêactûn ‘groentetuin’, ouder E. leighten ‘tuin’. Afl. lochtenier ‘tuinman’, loch-tenieren ‘tuinieren, de moestuin onderhouden’. Samenst. lochtinkman, lochtinkpadde, lochtinkvoeten ‘grote voeten, zodat je er makkelijk het zaaibed mee aan kan trappen’. Afl. lochtenieren ‘tuinieren’ en door cht/ft- wisseling via loftenieren ook loffenieren (GG: K, Geluwe). - Lit.: C. Tavernier-Vereecken, De etymologie van lochting. Med. Ver. Naamk. 28 (1952), 81-84.

lofting (DB, FV), zn. m.: moestuin. Var. van lochting, met cht/ft-wisseling, vgl. Mnl. brulocht, Ndl. bruiloft, D. Kraft >< Ndl. kracht, E. soft >< Ndl. zacht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal