Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lob - (geplooide halskraag)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Addenda EWN: lob en lub

lob zn. en lub zn. ‘geplooide halskraag’
Mnl. lobben ‘plooien in hoofdkleding’ (1366, MNW s.v. ranse), lobben ‘stokvis’ (Teuthonista, 1477), Vnnl. lobben mv. (1574), lobbe ev. (1599), lob (1635) ‘geplooide kanten kraag of manchet’, handlob (1691) ‘plooisel dat over de pols valt’. Bij Noordhollandse auteurs ook met u: lubben ‘plooien’ zn. (Haarlem, 1562 ; De hel vant brouwersgilde), lubbekens ‘plooitjes’ (1600), gelubt ‘voorzien van lubben’ (1600), lubbe-tuygh ‘gelubde kraag’ (1623). Daarnaast (vooral Vlaams en Zeeuws ?) lobben (1561) ‘harige hond’, waaarvan het verkleinwoord lobbekin (1523, Everaert). Zie ook lobbes.
Afgeleid ww. lobben (1671) ‘lobberen’, Rijnlands (Duitsland) lubben ‘verwelken’, lubbern ‘rondslenteren’, lobberen ‘in het water spartelen, waden; heen en weer zwabberen; flodderen (van kleding)’ (1612). Ook hiervan bestaat de u-variant, maar pas vanaf de 19e eeuw aangetroffen in teksten : lubberen (1899), lubberig (1867). In het hedendaags Nederlands heeft lubberen het oudere lobberen vervangen.
Verwante vormen: Middelnederduits lobbe, lubbe ‘manchet; hangende lippen; stokvis’, Modern Westerlauwers Fries lobben mv. ‘lobben; vuile potenʼ, Middelengels lob ‘koolvis’, MoE lob ‘lomperik, lobʼ. on. lubba v. ‘grote stokvisʼ, nijsl. lubbi m. ‘ongekamd haar, slordig mensʼ, nnoorw. lubbe ‘stokvisʼ, nzw. lubb ‘stokvisʼ, lubba v. ‘dikke vrouwʼ, nde. lubbe ‘stokvis; dikke hondʼ. Uit PGm. *lubbō-. Verwant met lubben ‘castreren’ uit Gm. *lubjan-? Geen evidente verwanten. Mogelijk bij labben ‘likken’, lippe ‘lip’, lappe ‘lap’. Het OED ziet lob als een Nederlands of Nederduits leenwoord.
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 04-12-2014]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lob1* [geplooide halskraag, kwab] {lobbe(n) [afhangende strook kant, lubbe, manchet, kwab, klomp] 1567} verwant met lubberen.

lub*, lubbe [halskraag] {ca. 1600} nevenvorm van lob1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lob, lub znw. v., ‘geplooide halskraagʼ, Kiliaen lobbe ‘halskraag; harige hondʼ, mnd. lobbe, lubbe ‘halskraag, harige hond; dikke hanglip; stokvisʼ, Teuth. lobben ‘stokvisʼ, fri. lobben ‘halskraag, potenʼ, ne. lob ‘blok, lobbes, lomperdʼ, on. lubba v. ‘grote stokvisʼ, nijsl. lubbi m. ‘ongekamd haar, slordig mensʼ, nnoorw. lubbe ‘stokvisʼ, nzw. lubb ‘stokvisʼ, lubba v. ‘dikke vrouwʼ, nde. lubbe ‘stokvis; dikke hondʼ. — Men moet dus uitgaan van een bet. ‘iets dat slap naar beneden hangtʼ, vgl. daarnaast ook woorden als slobberen. Dan idg. wt. *(s)leubh, waarnaast ook *(s)leup in loof en vgl. mnl. luft, lucht ‘linksʼ, oe. lyft ‘zwakʼ en on. lūfa ‘dik ruig haarʼ en buiten het germ. lit. lúpa v. ‘lipʼ, slùbnas ‘slap, moeʼ (IEW 964-5). — Zie ook: lobberen en lobbes. Voor mogelijke verbindingen hogerop zie nog: sluimeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lob, lub znw. Kil. kent lobbe met de bett. “geplooide kraag” en “harige hond”. Beide bett. benevens die van “dikke hangende lip” en “stokvisch” heeft ook mnd. lobbe, lubbe. Teuth. lobben = “stokvisch”, eng. lob = “blok, lobbes, lomperd”, fri. lobben = “geplooide kraag, pooten”. Uit ’t Ngerm. hierbij on. lubba v. “groote stokvisch”, noorw. lubb, lubba “ronde, plompe gestalte”, zw. dial. lubber “trage, dikke vent”, lubba “trage, dikke vrouw”, de. dial. lubber “iets gelei-achtigs”. Vgl. nog ndl. lobberen “plassen, waden, waggelen”, lobberig “dik en trillend (van nat en spijs)”. De oorspr. bet. van de germ. basis lubb- was blijkbaar “dik, kwabberig zijn”. Deze basis zal wel onomatopoëtisch zijn, evenals ndl. labberen. Men vergelijkt nog wel oostfri. luf “slap, onbeweeglijk, moe”, die vergelijking geeft echter voor de etymologie niets. Op het onomatopoëtisch karakter van deze woordgroep wijzen ook vormen met a-vocalisme zooals achterh. laobǝs “onverschillige kerel”, beierl. labǝs “groote, flauwe kerel of meid”, vla. labben “lummel, sul”: ndl. (ook dial.) lobbes; -ǝs (-es) is misschien uit -us ontstaan, dit zou dan het (’t eerst in studententaal overgenomen?) lat. -us wezen; vgl. du. Tönnies < Antonius e.dgl., kerles, lumpes enz.; meer ndl. woorden op –ǝs bij dreumes; veel andere alleen dial.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lob v., + Ndd. lobbe, Eng. lob, van een bijvorm met ablaut van den stam van labben; een synon. wortel met nasaleering steekt in lomp.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lub, lob ‘geplooide halskraag’ -> Fries lubbe ‘geplooide halskraag’; Negerhollands lobbetje ‘manchet, halskraag’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal