Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

likkepot - (wijsvinger; soort paté)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

likkepot zn. ‘wijsvinger’, (NN) ‘soort paté’
Vnnl. likpotje ‘iets lekkers’ [1642; WNT zalven]; nnl. al die likkepotjes ‘al die (ordinaire) lekkernijtjes’ [1782; WNT], likkepot “een pot, of potje, met conserf, dat opgeslikt, of opgelikt worden moet” [1810; Weiland slikpot], ‘pot met een medicijn’ in een likkepot en een pakje poeiers [1832; WNT], ‘wijsvinger’ [1893; WNT vinger], ‘mooiprater, vleier’ [1914; Van Dale], likkepot ‘lekkerbek’ [1932; Vaderland], likkepot ‘levermousse’ [1986; Soester Courant], Vlaamse likkepot ‘soort paté’ [1987; Soester Courant].
Gevorm uit het werkwoord → likken 1 ‘met de tong over iets gaan’ en → pot 1 ‘vaatwerk’, wrsch. als leenvertaling van Latijn electuarium ‘medicijn dat in de mond smelt, dat opgelikt kan worden’, dat teruggaat op Grieks ekleíkhein ‘uitlikken’, gevormd uit ex- ‘uit’, zie → ex-, en leíkhein, zie → likken 1. Ter verklaring van het woorddeel pot voert Heimans (1904) aan dat tot de 20e eeuw veel medicijnen de sporen van de wolfsklauw bevatten; likkepot zou dan een volksetymologische vervorming zijn van Lycopodium, de wetenschappelijke naam van die plant, die gevormd is op basis van Grieks lúkos ‘wolf’ (zie → wolf) en poús (genitief podós) ‘poot, voet’ (zie → voet).
Likkepot was een geneesmiddel dat bestond uit een mengsel van honing of verdikte suiker en andere stoffen, die men als het ware likkend kon innemen, deze betekenis bestaat nog in de 20e eeuw. Het woord wordt bij overdracht ook gebruikt voor andere zaken waarvan men kan smikkelen en voor degene die dat lekkers tot zich neemt. De betekenis ‘wijsvinger’ (die men in het potje kan steken om hem daarna af te likken) komt ook voor in het kinderrijmpje Naar bed, naar bed, zei Duimelot (Van Vloten).
Lit.: J. van Vloten (1894), Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen, Leiden, 4e editie; E. Heimans (1904), ‘Uit de Natuur: Heksenplanten’, in: De Groene Amsterdammer, 1 mei 1904

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

likkepot [zalfpotje] {1782} vertalende ontlening aan latijn elect(u)arium, ecligma [een medicijn, dat in de mond smelt], van grieks ekleichein, van ek [uit] + leichein [likken].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

likkepot m., gevormd als vertaling van Lat. electuarium, een afleid. van Gr. ek-leíkhein = likken (z.d.w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

likkepot ‘naam van de wijsvinger in een kinderrijmpje, waarmee het laatste restje voedsel wordt afgeschraapt’ -> Creools-Engels (Maagdeneilanden) lickpot finger ‘wijsvinger’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal