Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijn - (streep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lijn 2 zn. ‘streep’
Vnnl. lijne (naast lijnie, linie) ‘streep, koord, regel’ [1599; Kil.], ghy moet oock niet schrijven op stipkens noch lijn [1607; WNT].
Hetzelfde woord als → lijn 1, dat de betekenis overnam van middeleeuws Latijn linia ‘streep’; zie verder → linie.
lijnen ww. ‘afslanken’. Nnl. lijnen ‘aan de lijn doen, proberen af te slanken’ in ik lijn alweer drie weken [1974; Koenen]. Naar de uitdrukkingen aan de (slanke) lijn doen en denk om je lijn afgeleid van lijn in de betekenis ‘omtrek, buitenkant, grens’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lijn3* [streep] {1477} oudnoors lína [lijn, streep], is hetzelfde woord als lijn2, maar heeft de betekenis overgenomen van latijn linea, frans ligne.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lijn 3 znw. v. ‘streepʼ, mnl. līne v. (zelden); on. līna ‘lijn, streepʼ zal wel uit mnd. līne ontleend zijn. Het is hetzelfde woord als lijn 2, maar heeft de bet. ontleend aan lat. linea, deels ook aan fra. ligne, waaruit ook mnl. mhd. nhd. linie overgenomen zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijn I (touw), mnl. lîne v. “touw”, ook specialer “touw om mee te meten”. = laat-ohd. lîna v. “touw” (nhd. leine), mnd., ofri., ags. lîne (eng. line), on. lîna v. “id.”. De afl. uit lat. lînea is zeer onwsch., aangezien hiervan wel de bet. “richtsnoer”, maar niet de bet. “touw” bekend is; en dat deze na de ontl. secundair uit “richtsnoer”ontstaan zou zijn, is niet aannemelijk. Veeleer is *lîniôn- een echt germ. woord, afgeleid van *lîna- (zie linnen) en letterlijk = “het van hennep of vlas gemaakte”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lijn I (touw). Het synoniem mnl. lijnde v. (nog Wvla., Overijs.) kan met on. lindi m. ‘band, gordel’ bij linde behoren: ospr. ‘band van lindebast’. De vocaal kan deels uit verlenging voor nd, deels uit invloed van lijn I worden verklaard, ook linde schijnt trouwens voor te komen. Vgl. nog lint Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lijn 3 v. (regel, streep), Mnl. line, gelijk Eng. id., uit Ofra. line (thans ligne), van Lat. lineam (-a): z. lijn 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lijn (de, -en), (ook:) raai, ingemeten transect. ’s Namiddags ga ik met den dokter langs de lijn verzamelen en vind in het moerassige gedeelte verscheidene planten, die mij onbekend zijn (Stahel 1927: 58). - Etym.: Zo’n raai ligt als een lijn door het land. In AN alleen in gebr. bij landmeters e.d. deskundigen.
— : een lijn kappen (kapte, heeft gekapt), een lijn* uitzetten en tevens de plaats van zijn ligging zichtbaar en begaanbaar maken door daar de plantengroei te kappen. In 1940 kapten wij een lijn van 23,5 kilometer, van Wageningen via Post Utrecht in noordelijke richting (Hangalampoe 1 (5): 27; 1974). Het was mij volkomen onmogelijk mij in het bos te oriënteren en ook de gekapte lijn kon ik slechts korte tijd in het oog houden (de Klerk 209).
— : met lijn 11, lopend, te voet. Ik kan de bus niet nemen, ik heb geen geld meer. Dan ga ik maar met lijn 11. - Etym.: Berust op de gelijkenis van twee benen met het getal 11.
— : op/van de lijn(en), ’op de baan’ (gezegd van hoeren en hun klanten). Ze is zeker nieuw op de lijn, dacht hij, want hij had haar niet eerder gezien. In Paramaribo weet je gauw genoeg wie en wie in het beroep zijn (Dobru 1968c: 53). Die heren van die lijnen (mond.) = de habituele hoerenlopers. - Etym.: De gelijkenis berust op die met een busroute waarlangs passagiers opgenomen worden. Het is mogelijk, dat de vrouw vergeleken wordt met de bus, maar ook met de passagier. Veel hoeren in Paramaribo staan op min of meer vaste punten langs de straat en laten zich door voorbijgangers, vrnl. automobilisten, oppikken. - Zie ook: lijnen* (2).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lijn ‘streep’ (Latijn linea); ‘reeks producten’ (Engels line)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lijn. Voor de verwensingen met je kop onder lijn elf! en met je kop onder lijn tien, heb ik je nooit meer gezien! zie men helft. → elf.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

lijn. - Dit woord wordt in Zuid-Nederland gebruikt in een drietal gevallen, waarin ons taaleigen er telkens een ander vereischt, doch waarin het Fransch steeds een en hetzelfde woord gebruikt, nl. ligne.

1. In de eerste plaats: lijn voor regel schrifts, druks, gewoonlijk kortaf een regel. Vooral op school in den mond van meester en kinderen is het woord zeer gewoon: honderd vijftig lijnen en derg. is een bekende straf. || Niet alleen de vorm der oefening is ontleend aan mijn “Oefeningsboek” …; maar van die acht lijnen zijn de vijf laatste letterlijk overgeschreven, VERMAST in De Toekomst 34, 73. De nota op blz. 11 bevat een verraderlijke drukfout op het einde der 2de lijn, waar “erster” staat voor “ersten” en op de 8ste lijn “Studien … können” dat stellig “Studium … kann” moet zijn, DUFLOU in De Toekomst 35, 430. Alleen willen wij er op wijzen, hoe … op ’t bevel van Djelika … iedereen bij het sterfbed op de kniën ligt, - ook Use’s zuster Verze, die … eerst zeven lijnen lager binnenkomt, P. in De Toekomst 40, 154. Zij (de Antwerpsche drukpers) (zal) met ons … bekennen, dat het niet te veel gevraagd is, wanneer wij haar verzoeken twee of drie maal per week een tien of twintigtal lijnen over onzen stoet te drukken, Fondsenblad, 1 Juli 1894, 3b.

2. In de tweede plaats komt lijn veelvuldig voor in den zin van trek, t.w. in gevallen waarin er minder of meer duidelijk sprake is van teekeningen, en vooral in de uitdrukking de groote lijnen, letterlijk vertaald naar fr. les grandes lignes. Men zegt in ’t Nederlandsch groote trekken. || Ik heb die strekking slechts met een paar en zeer breede lijnen afgeteekend, SNIEDERS in Versl. Vl. Ac. 1891, 370. Van eenen anderen kant, zijn de groote lijnen fierder geteekend, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 8. Er (zal) … eene zielleer zijn, waarvan men nu vluchtig eenige lijnen ontwaart, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 134. Wat over Gent wordt medegedeeld … in breede lijnen enz., DE POTTER, Gent 4, 37. De nederige strijders worden helden zonder dat eenige lijn van hun beeld vergroot of verscherpt … wordt, ROOSES, Derde Schetsenb. 244. Waar dag voor dag de zee op ’t mulle zand In golvig, zwak gebeelde lijnen, ’t merk Van hare nooit te stillen onrust teekent, Verborg zich enz., RAMBOUX, Ged. 7. Dat wemelende in de lijnen van al wat wij in het bewegende aether met onze oogen waarnemen, DE MONT in Vl. School 1895, 19b (blijkbaar wordt hier bedoeld: de omtrekken). De onderwerpen van nu: - anders gezien, ruimer, meer in de groote lijn, anders behandeld vooral, zijn het de onderwerpen nog van zijn debuut, DE MONT in Vl. School 1895, 79b. Men zal zich dus moeten bepalen bij de groote lijnen en de voornaamste woorden, De Toekomst 30, 395. Wij moeten ons … bepalen bij de groote lijnen en de meest in het oog springende feiten uit ’s mans leven, Katholieke Vlag, Mei 1895, 1a.
– In verband met het voorgaande, zegt men dan ook niet de hoofdlijnen, maar de hoofdtrekken. Hoofdlijn kan maar gebruikt worden waarvan eene teekening in eigenlijken zin spraak is. || Ziedaar in zijne hoofdlijnen het programma der Welsche nationalisten, PRAYON in Versl. Vl. Ac. 1888, 110.

3. In de derde plaats: de lijnen, fr. les lignes, van troepen en derg., waarvoor men in het Nederlandsch zegt de rijen, de gelederen. || “Heere, ontferm u onzer! - Christus, hoor ons! - Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons, Heere! - Bid voor ons - bid voor ons!” klonk het luid verward … langsheen de lijnen, LOVELING, Vl. Gew. 107.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lijn ‘streep; verbinding (van openbaar vervoer), route’ -> Duits dialect Line ‘maateenheid voor percelen’; Indonesisch lin ‘streep; tramlijn, buslijn’; Jakartaans-Maleis lin ‘streep; vaste route (openbaar vervoer)’; Javaans lin ‘streep’; Kupang-Maleis len ‘route, richting’; Menadonees lèin ‘verbinding van openbaar vervoer’; Berbice-Nederlands leni, lin ‘streep’; Sranantongo lein, lin ‘streep’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

tussen de lijnen. Letterlijke vertaling van Engels between the lines = tussen de regels door; Als je tussen de lijnen leest zal je begrijpen dat niemand hierop kan antwoorden zonder te liegen. (1999); Tussen de lijnen door lees je wel dat Steve Tanke, die symbool staat voor succes en macht, lucht verkoopt en mensen dingen voorspiegelt die er niet zijn; Om iets luchtiger af te sluiten: wie tussen de lijnen leest, herkent een verwijzing naar mij!

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lijn* streep 1477 [Teuth.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

lijnen uitzetten, in politiek en bedrijfsleven: het beleid bepalen. Sinds het begin van de jaren tachtig.

Lijnen. Hoofdzaken, contouren van kabinetsplannen. Het kabinet zet lijnen uit naar de toekomst. (Marco Bunge: Politiek Woordenboek, 1985)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1406. Eéne (of dezelfde) lijn trekken,

d.w.z. het samen ééns zijn; vgl. Hooft, Ned. Hist. 221, die lyntrekkery bezigt in den zin van partijschapVgl. het 16de-eeuwsche en ook latere zijn strenge trekken, partij kiezen, voor zijn gevoelen uitkomen; iemands streng trekken, zijne partij kiezen (Pers, 636 b); Harreb. II, 313. Vgl. Vondel, Harpoen, 122.. De uitdr. kan ontleend zijn aan het bedrijf van den schipper en wil dan eig. zeggen: samen hetzelfde schip voorttrekken, hetzelfde doel beoogen; zie Winschooten, 140; De Brune, Emblemata, 40 en Sewel, 469: In 't lyntje loopen, to draw a boat with a line. Sedert de middeleeuwen is de uitdr. bekend; zij komt o.a. voor in de N. Doct. 271: Dese twee trecken al éne line; ook vindt men haar bij Campen, 102: sy trekken al eene lijnde, dat aldaar wordt opgegeven als synoniem van: sy pissen (of cacken) al tsaemen in eenen pot; sy steken thoeft al in eenen koevel; sy huylen al mit malcanderen; zie ook Coornhert, Liedekens, XXV, str. 1: Want Venus en de Wijn hier trecken eenen lyn; Servilius, 47*: Si trecken al een zeel (mnl. één seel trecken); Tijdschrift XXI, 89: Een lyni trekken; Sart. IV, 51: Pariter remum ducere, eene lijn trecken; III, 4, 55: Sy trocken een lijn maer elck op een eyndt (vgl. Tuinman I, 180); Hooft, Ned. Hist. 116; Vondel, Adam in Ball. 637: Zy trecken eene lijn: wat d'een begeert wil d'ander; Anna Bijns, N. Refr. 23; Refr. 32; Van Lummel, 109; Asselijn, Jan Kl. vs. 127: Een linie trekken; Sewel, 469; Jong. 273; enz. Andere synonieme uitdrukkingen waren: met iemand een jock trecken (Anna Bijns, Refr. 323); met iemand aan eenen staeck springen (Marnix, Byenc. 6 v); over eenen stock water draegen (Marnix, Byenc. 4 v); samen in een gat blazen (Harreb. I, 205); vgl. Borchardt, 234: se blosen än i loch en in jemandes Horn blasen; onder één hoedje spelen; handjeplak spelen (in De Arbeid, 28 Febr. 1914, p. 4 k. 1; 22 Aug. 1914, p. 2 k. 2; 29 Aug. 1914, p. 2 k. 1); enz.; in Zuid-Nederland zijn verder bekend: aan één koord trekken (Tuerlinckx, 339); op éen fluit spelen (Tuerlinckx, 190 en Rutten, 68 a); aan ééne streng trekken (Schuerm. 690; Waasch Idiot. 635 a; hd. an einem Strange ziehen); ééne zeel of ééne koord trekken (Schuerm. 740 en vgl. Antw. Idiot. 1472; Joos, 80; 106); aan hetzelfde zeel trekken, eendrachtig handelen; éen zeel spannen, samenspannen (Waasch Idiot. 756). In het Friesch: hja lûke mei in-oar (oan) ien line; eng. to pull together.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal