Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijk - (touw om rand van zeil)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lijk 2 zn. ‘zoom van een zeil’
Vnnl. lijc ‘touw, touwwerk’ in om 55 pont lijcx ‘voor 55 pond touwwerk’ [1569; Van der Meulen 1955b], ‘touw om de rand van een zeil’ in met sijn vier lijcken [1592; Van der Meulen 1955b].
Mnd. līk, mv. leykes; on. (wrsch. uit mnd.) līk; pgm. *līka- (alleen West-Germaans).
Verdere herkomst onzeker. In deze specifieke Germaanse betekenis staat het woord geïsoleerd, maar het zou via een algemenere betekenis te verbinden zijn met: Latijn ligāre ‘binden’; Albanees lidh ‘binden’; < pie. *leig- (IEW 668), vergelijk ook mhd. geleich ‘gewricht’ (Lexer I, 808). Dit zou dezelfde wortel kunnen zijn als die van → lijk 1 ‘lichaam’ indien men voor die betekenis uitgaat van ‘omhulsel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lijk2* [touw om rand van zeil] {1569} vgl. nederduits, oudnoors līk, vgl. oudhoogduits gileiche [gewricht], latijn ligare [binden], albaans lidhe [band].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lijk 1 znw.o. ‘touw, zoom om een zeilʼ, vgl. 1592 lijk ‘touw om een scheepszeil vastgenaaid tegen scheurenʼ, mnd. līk, on. līk o. (het laatste waarschijnlijk uit het mnd. overgenomen). — lat. ligare ‘bindenʼ, alb. lith ‘bindenʼ; vgl. ook mhd. geleich ‘gewrichtʼ (IEW 668).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijk I (touw, zoom om een zeil) znw. o., nog niet bij Kil. = mnd. lîk, on. lîk o. “id.”. Uit het Ndl. of Ndd. eng. leech “id.”. Verwant met ohd. gileiche “artus”, lat. ligo, alb. ľiϑ- “ik bind”. Wortel liĝ-. Een synonieme basis lig- nemen sommigen aan voor klruss. połyhatys’a “zich verbinden”,lit. laigõnas “broer van de vrouw”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lijk I (touw, zoom om een zeil). Voor de slav. balt. woorden met g vgl. bij hert Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lijk 2 o. (zoomtouw), + Ndd. lik (Hgd. leich), Eng. leech, Zw. lik, De. lig + Lat. ligare, Alb. l'iθ = binden. Hierbij uit de lijken geslagen zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

luike, luke lijken, touwen in de rand v.e. zeil (Verschillende dialecten). = nl. lijken ‘id.’. Mv. bij mndd. lîk. ~ lat. ligare ‘binden’, alb. lith ‘binden’. De geronde klinker is een gevolg van de l.
WLD II afl. III 48, Weijnen 1991 par. 32.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lijk ‘touw om rand van zeil’ -> Deens lig ‘touw om rand van zeil; rand om visserstouw’; Noors lik ‘touw om rand van zeil’; Zweeds lik ‘touw om rand van zeil’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins liiki ‘touw om rand van zeil’ <via Zweeds>; Ests liik ‘touw om rand van zeil’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools lik ‘touw om rand van zeil’; Russisch lik ‘touw om rand van zeil’; Oekraïens lik ‘touw om rand van zeil’ <via Russisch>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lijk* touw om rand van zeil 1569 [TNTL 1955, 73, 284]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1405. Uit de lijken geslagen zijn,

d.w.z. bedremmeld, geheel verslagen zijn, uit de ‘naven’ zijn. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Onder de lijken verstaat men het touw, dat als omlijsting, als rand om de zeilen van een schip of een molen vastgenaaid wordt en dat dient om het uitscheuren te voorkomen. In letterlijken zin is dus uit de lijken geslagen, uit den rand gescheurd, van zijne plaats gerukt, dat overdrachtelijk kon beteekenen onklaar zijn (Winschooten, 139), ontzet, in de war zijn. Vgl. ook Colm, Malle Tots boertige vryery, anno 1617, 13: Gutt dat's verpeutert werk, dits hiel nou uyt 'e lyck, hier 's weer gien samen knoopen. Zie verder Gew. Weeuw. III, 7: Ze is gansch uyt de lyken gearbeid; De Brune, Bank. 146: Uyt de lijck geslagen; I, 264: Uyt de lyck geworpen; Sewel, 468: Uit de lyken geslagen, blown out of the boltrope; quashed, routed; Tuinman I, 151: Hy is uit de lyk geslagen, dat is, hy is geheel in de war, en in onmagt gebragt; Harrebomée II, 29; 32: Hij valt uit de lijken; Het Volk, 18 Sept. 1915, p. 1, k. 3: Zij wisten eenmaal beter, maar zijn sinds geruimen tijd dermate uit de lijken geslagen, dat zij met elken wind mee strijden. Synoniem zijn de Zuidnederlandsche uitdrukkingen uit de zwee zijn, uit zijn lood zijn, van zijn berdeken zijn, uit den haak zijn, verbabbereerd (ons verbauwereerd), beteuterd zijn (eng. off the hooks, off the hinges; fr. hors des gonds (van woede)), ontknierd, ontzet, verstoord, verward; vgl. ook nog de uitdr. zijn gat uit de haken loopen, waarvoor men in het stadsfriesch zegt de hakken uut de liken loopen; zie Taalgids III, 285 en Ndl. Wdb. V, 1356; 1357; VIII, 2298; in het Friesch: dat rint út 'e liken, dat loopt verkeerd; van iemand die zich overwerkt heeft, die overspannen is, zegt men eveneens dat hij út 'e liken is (Fri. Wdb. II, 221).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

leig-4, leig̑- ‘binden’

Alb. lith, Pass. lidhem ‘binde, verbinde, gürte’, lidhë, lidhe ‘Band, Fessel; Garbenband, Bruchband’;
lat. ligō, -āre ‘binden, zusammenbinden’, obligātiō ‘Verpflichtung’; līctor ‘Träger der fasces’;
mnd. līk ‘Band’, daraus aisl. līk ‘Saumtau’, ablautend wohl mhd. geleich ‘artus, Gelenk’;
mit g: klr. polýhaty śa ‘sich verbinden’, zalyháty ‘in Bande schlagen, schnüren, anknüpfen, in Beschlag nehmen’, nalýhaty ‘Zaum, Schlinge anlegen, fesseln’, vermutlich auch lit. laigõnas ‘Bruder der Frau’, wozu λοιγωντίαν· φρατρίαν Hes.;
hitt. li-in-ga-in Akk. ‘Eid’, li-ik-zi (lenkzi) ‘schwört’, 3. Pl. li-in-kán-zi.

WP. II 400, WH. I 800.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal