Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijf - (lichaam, romp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lijf zn. ‘lichaam, romp’
Onl. līf ‘(het) leven’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. liif ‘leven, lichaam’, in [ten ewegen] liue ‘in het eeuwige leven’, si clagede luttel den lif ‘ze beklaagde zich nauwelijks over haar lichaam’ [beide 1200; CG II], al es mijn arme liif uersleten van qualen ‘al is mijn arme lichaam versleten door ziekten’ [1265-70; CG II], here god die beware v zyele, ende v lijf al v leuen ‘de Here God moge uw ziel en uw lichaam uw leven lang beschermen’ [1294; CG I].
Os. līf ‘leven, lichaam, persoon’ (mnd. līf); ohd. līb ‘leven, lichaam’ (nhd. Leib); ofri. līf ‘leven, lichaam, persoon’ (nfri. liif); oe. līf ‘leven’ (ne. life); on. líf ‘leven, lichaam’ (nzw. liv); < pgm. *lība- < *leiba-, met ablaut (voltrap) bij dezelfde wortel als → leven.
Afleiding van dezelfde wortel als het werkwoord leven; de oude betekenis ‘(het) leven’ is nog te herkennen in samenstellingen als lijfrente en lijfsbehoud, maar is verder overgenomen door leven, oorspr. de onbepaalde wijs van het werkwoord. De betekenis ‘lichaam’, die voorkomt in het continentaal-West-Germaans en vandaaruit in het Noord-Germaans, is mogelijk ontstaan o.i.v. het christendom. Zie ook de afleiding → lijvig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lijf* [lichaam] {oudnederlands líf 901-1000, middelnederlands lijf [het leven, lichaam]} oudsaksisch, oudengels, oudfries, oudnoors líf, oudhoogduits lib; ablautend bij het ww. leven. De uitdrukking dat heeft niets om het lijf [dat heeft niets te betekenen] is ontleend aan een pauper die weinig kleren heeft.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lijf znw. o., mnl. lijf o. ‘leven, lichaam, persoonʼ, onfrank, līf o. ‘levenʼ, os. līf o. ‘leven, persoonʼ, ohd. līb m.n. ‘levenʼ (mhd. līp ‘leven, lichaamʼ, nhd. leib ‘lichaamʼ), ofri. līf o. ‘leven, lichaam, persoonʼ, oe. līf o. ‘levenʼ (ne. life), on. līf o. ‘leven, lichaamʼ (mogelijk is de bet. ‘lichaamʼ eerst met het Christendom van het mnd. overgenomen). — Zie verder: leven en blijven.

De bet. ‘lichaamʼ is in het duits opgekomen. De oude bet. ‘levenʼ blijkt nog uit woorden als lijfrente en lijfsbehoud. — In sommige samenstellingen kon lijf beide betekenissen in zich verenigen, zoals in mnl. lijfnere, lijfnare, onfrank, līfnara, ohd. lībnara, os. līfnara, oe. līfnern, on. līfnæring ‘voedselʼ, eig. onderhoud zowel van het leven als van het lichaam. — Als naam voor een kledingsstuk > russ. lif, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 56.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijf znw., mnl. lijf o. (m.) “leven, lichaam, persoon”. = onfr. lîf o. “leven”, ohd. lîb m. o. “leven” (mhd. lîp m. “id., lichaam”, nhd. leib “lichaam”), os. lîf o. “leven, persoon”, ofri. lîf o. “leven, lichaam, persoon”, ags. lîf o. “leven” (eng. life), on. lîf o. “leven, lichaam” (de laatste bet. onder du. invloed). De bet. “lichaam” is de jongere. Vgl. met het oog op de dubbele beteekenis “leven” en “lijf” ook de samenstt. mnl. lijfnēre, -nāre, onfr. lîfnara, ohd. lîbnara, os. lîfnara, ags. lîfneru, on. lîfnø̂ring v. “levensonderhoud, voedsel”, waar we ’t eerste lid met “lichaam” en “leven” kunnen vertalen. Lijf staat in ablaut tot leven en is verder met blijven verwant.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lijf. Ook meng. lîf= ‘leven, lichaam, persoon’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lijf o., Mnl. id., Onfra. en Os. lîf + Ohd. lîb (Mhd. lîp, Nhd. leib), Ags. líf (Eng. life), Ofri. líf, On. id. (Zw. lif, De. liv): in al die talen = leven, waaruit zich dan in sommige de bet. lichaam ontwikkelde. Met blijven en leven van Germ. wrt. līƀ + Gr. lupareĩn = volharden, lípos = vet, Lat. lippus = leepogig, Osl. lipnati = kleven, Lit. limpu = ik kleef, Skr. lip: Idg. wrt. lei̪p = kleven; niet verwant met Gr. leípein, waarover z. lenen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lyf s.nw.
1. Liggaam van 'n mens of dier. 2. Middellyf. 3. Romp. 4. Middelste gedeelte van iets. 5. (wynkunde) Dikte en vloeibaarheid van wyn soos met die tong waargeneem en bepaal deur die vaste stowwe daarin opgelos.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. lijf (al Mnl.). Bet. 5 is 'n leenbetekenis van Eng. body (1645). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
D. Leib.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lyf: liggaam, romp; Ndl. lijf (Mnl. lijf, “lewe; liggaam”), Hd. leib, Eng. life, hou verb. m. Ndl. leven, Afr. lewe; veroud. uitdr. lyf aanbring, “vry”, by Scho TWK 14, 1, p. 22 uit 1873.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lijf (op het -- geschreven) (vert. van Duits wie auf den Leib geschrieben)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lijf. De oorspronkelijke betekenis van de verbinding bij Gods lijf is ‘bij het lichaam van God’. Het is een historische eedformule waarin God en zijn lichaam tot getuigen worden aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. Verminkingen bij deze formule zijn: by gans, gantsch, ghans lyff of lijven. Tot in de 16de eeuw, daarna niet meer aangetroffen. → leven.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leven, van den Germ. wt. lib, Idg. lip = duren, voortbestaan, overblijven; verwant met blijven = be-lijven en lijf = oorspr. leven; vgl.: lijfrente en ’t Mnl.: „Si waren tsamen al haer lijf’ (= hun leven); later bet. lijf: het levende lichaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lijf ‘lichaam’ -> Negerhollands lief, lif, lijf ‘lichaam’; Berbice-Nederlands lifu ‘lichaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lijf* lichaam 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

106. Die zijn lijf (of zijn lichaam) bewaart, bewaart geen rotten appel,

d.w.z. men moet voor zijn gezondheid zorg dragen. In de 18de eeuw komt onze zegswijze voor bij Tuinman 11, 97: Die zyn lichaam bewaart, bewaart geen rotte appelen; I, 319: Die zyn lyf bewaart, bewaart geen rotte appelen. Hiernaast bij Halma, 550: Die zyn moeders kind bewaard, bewaard geen rotten appel, qui prend soin da sa propre person, ne prend pas un soin inutile; Harreb. I, 10; Boekenoogen, 21; fri. Dy 't syn lichem biwarret, biwarret gjin rottige apel.

1381. Die zijn lichaam (of zijn lijf) bewaart, bewaart geen rotten appel.

d.i. men doet goed door voor zijn gezondheid te zorgen. Vgl. Tuinman I, 319: Die zyn lyf bewaart, bewaart geen rotte appelen; II, 97: Die zyn lichaam bewaart, bewaart geen rotte appelen; Harreb. I, 17; Boekenoogen, 21; fri. dy 't syn lichem biwarret, biwarret gjin rottige appel; Schuermans, 187: Die zien lief bewaart, bewaart gien douve (ijle, ledige) neut (te Roermond). Dee zen kneuk bewaort, bewaort gein rotte appele (MaastrichtBreuls, 84.).(Aanv.) Zie no. 106 en vgl. Froissart 457: Hij bewairt wel die sijn lijf bewairt.

1404. Niet veel om 't lijf hebben,

d.w.z. weinig te beteekenen hebben, niet veel waard zijn. De uitdr. is ontleend aan een arm mensch, die niet veel kleeren aan heeft, en bij overdracht op hetgeen arm, armzalig, poover, kaal of naakt is; Ndl. Wdb. X, 131 en Laurillard, Stekelkruid XLIX:

Als een vrouw heel veel om 't lijf heeft,
Heeft ze niet heel veel om 't lijf.

In de 17de eeuw is de uitdr. al zeer gewoon. Vgl. o.a. Brederoo I, 68, 1875; 283; III, 34; Van Moerk. 501; Pers, 148 b; 423 a; Vondel, Aenleidinge: Beuzelingen en dingen die niet om het lijf hebben; Winschooten, 152: Hij voerd mars booven mars: dat is, hij maakt groote bravaade, en het heeft niet veel om het lijf; Huygens, Korenbl. II, 452:

Teun seght, de redenen van sijn beseten Wijf
Haer dagelicks bedrijf,
Haer hersseloos gekijf,
Zijn kale Bedelaers, sy hebben niet om 't lijf.

Tuinman I, 354: 't Heeft niet veel om 't lyf. Dat is, 't is een schraale en magere zaak. Dit is genomen van weibeesten, die men zegt wel om te leggen, als zy vet worden; C. Wildsch. VI, 56; Halma, 318; Sewel, 468; Harreb. II, 30; enz. In Friesland, Groningen en Overijsel zegt men ook: het heeft niet veel om de hakken; zie Molema, 142 a en Fri. Wdb. II, 111 a: it het net om 'e hakken, 'e latten, 'e lea; in Twente ook nig völle um de klungels hebben. Zie no. 774 en vgl. Sart. I, 3, 84: hy heeft vellen om te drapieren, hij is bemiddeld, hy heeft waer mede (vgl. fr. avoir de quoi).

1554. Morgen brengen!

Men geeft dit ten antwoord om het door een ander voorspelde of gezegde als hoogst onwaarschijnlijk te brandmerken; een ironische uitdrukking: in denzelfden zin: morgen aan de koffie of morgen, als Kaatje verjaart; dat kanje denken! dat kun je begrijpen! oele!Zie aldaar., goeje morgen (Pothof); en voorheen: ja nebben!Ndl. Wdb. VI, 1685.; ja warme broers!Ndl. Wdb. III, 1429.; 16de eeuw: morgen noene; 18de eeuw: zoo menigen Franschman!; nd, märgen brenge (Eckart, 369); hd. ja, übermorgen; ja, kuchen! Het dichtst bij onze tegenw. uitdr. staat morgen weerkomen, dat we vinden in Brederoo's Moortje, 2001. Zie verder Ndl. Wdb. IX, 1138; V. Schothorst, 170; Nest, 34; 120; Nkr. VII, 8 Nov. p. 1. Ook overal in Zuid-Nederland; zie o.a. bij Rutten, 148: morgen komen (brengen); Waasch Idiot. 145 a; Antw. Idiot. 834. In Maastricht en elders morgen vreug (Molema, 270 a; 't Daghet XII, 188); mörrige mots! jèh franksN. Taalgids XIV, 197. of mergen! (Antw. Idiot. 1906). Synonieme uitdrukkingen zijn je tante op een houtvlot! (in D.v.S. 57); an me blouse (in Menschenwee, bl. 30; 40) of aan (of op) mijn lijf geen polonaise, o.a. in Nkr. VIII, 15 Febr. p. 2: Maar ik bedank ze feestelijk, op mijn lijf geen polonaise, zeg ik; 29 Aug. p. 2: Dit zou evenwel een ganschelijk onjuiste onderstelling geweest zijn, mijn waarde. Pas si bête, zegt de Franzoos, wat in goed Hollandsch zooveel beteekent als: op mijn lijf geen polonaise (een japonlijf met langen schootDe Telegraaf, 2 Juli 1914, p. 5 k. 1 (avondbl.). Nu de polonaise vergeten is, vat men dit woord op als naam van den dans en hoort men den variant: Aan mijn corpus geen fox-trott! (naam van een dans).); Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 405: Ik heb ééns in m'n leven 'n boterbriefje gehaald en na dien tijd heb 'k gedacht.... an mijn lijf geen tweede polonaise; bl. 463: Ik draag nooit anders as horlogies met koperen kasten en ringen met similie.... An mijn lijf geen polonaise. Wat jij Robbie? Vgl. hd. guten Morgen, herr Fischer.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal