Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lid - (lichaamsdeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lid 1 zn. ‘lichaamsdeel; deel van een samengesteld geheel’
Mnl. leet ‘gewricht’, let, leet ‘lichaamsdeel’, lede (mv.) ‘gewrichten, lichaamsdelen’ [alle 1240; Bern.], lit ‘lichaamsdeel’ [1270-90; CG II], i.h.b. ‘mannelijk of vrouwelijk geslachtsdeel’ in besneet hi sijn manlike let ‘besneed hij zijn mannelijk lid’, en nochtanne scuede hi hare let, hi wilde eer sonder kinder bliuen ‘hij schuwde echter haar geslachtsdeel, hij wilde liever kinderloos blijven’ [beide 1285; CG II]; daarnaast ook in afgeleide betekenissen: ‘geslacht, generatie’ in altote in dat vierde let ‘tot in de vierde generatie’ [1285; CG II], ‘(mede)lid van een genootschap enz., gezel’, in jeghen sine lede ‘tegen zijn medeleden’ [1300-25; MNW-R] en der heileger kerken let ‘lidmaat van de heilige kerk’ [begin 14e eeuw; MNW]; vnnl. het Burgundise Rijck als een Lidt van het Roomsche Rijck [1548; WNT], lidt van 't heir ‘deel uitmakend van het leger’ [1646; WNT], lid ‘onderdeel van een puntsgewijs geordend geschrift’ in een werckstuck in Latijn door al zijn leên volwrocht ‘tot in alle details volmaakt’ [1660; WNT]; nnl. een lid der familie [1785; WNT].
Os. lið (mnd. lit); ohd. lid, gilid (mhd. lit, g(e)lit, nhd. alleen nog Glied); ofri. lith (nfri. lid, naast lea ‘lichaam’ < ofri. mv. litha); oe. liþ (ne. verouderd lith); on. liðr (nzw. led); got. liþus; alle ‘gewricht, lid, onderdeel van een samengesteld geheel’, < pgm. *liþu-. Daarnaast met gelijke betekenis en beginklank pgm. *limu-, waaruit: oe. lim (ne. limb); on. limr (nzw. lem); en met andere betekenis on. lim ‘takken, twijgen’ (nzw. dial. lime ‘samengebonden takken, bezem’).
Verdere herkomst onduidelijk. Er zijn geen zeker verwante woorden buiten het Germaans. Wrsch. zijn zowel pgm. *liþu- als *limu- door assimilatie ontstaan. Onwrsch. is verwantschap met Latijn lituus ‘kromme staf, krijgshoorn’, omdat dat wrsch. een Etruskisch leenwoord is. Een reconstructie pie. *h1l-e(i)-tu- bij de wortel pie. *h1el- ‘gebogen’ (IEW 307-309, NEW) is evenmin wrsch., zowel om fonologische als om morfologische redenen (Boutkan/Siebinga 2005: 243-244).
De oorspr. betekenissen ‘gewricht, lichaamsdeel, ledemaat’ zijn in het Nederlands sterk op de achtergrond geraakt, maar komen nog wel voor in enkele vaste verbindingen, zoals lijf en leden ‘het hele lichaam’, een ziekte onder de leden hebben ‘... bij zich dragen zonder dat die al uitgebroken is’, uit het lid ‘uit het gewricht, niet meer op de juiste plek’, mannelijk lid ‘penis’. Zie bovendien de afleidingen → geleed en → gelid en de samenstellingen → lidmaat 1, → lidmaat 2 en → ledenpop. Overdrachtelijk ontstond al in het Middelnederlands de betekenis ‘persoon die deel uitmaakt van een groep’, die tegenwoordig de belangrijkste is. Zie verder nog → lidwoord en → volledig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lid1* [lichaamsdeel] {lit 1260-1280} oudsaksisch, oudfries lith, oudhoogduits lid, oudengels lið, oudnoors liðr, gotisch liþus, van een i.-e. stam met de betekenis ‘buigzaam’, waarvan ook leem2 stamt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lid 1 znw. o. ‘lichaamsdeel’, mnl. lit, let o., os. lith m., ohd. lid o.m. (gilid o. > nhd. glied), ofri. lith, leth o., oe. lið m.o., on. liðr m., got. liþus m. Een oude afl. met het suffix -þu- < idg. -tu- (vgl. vormen als os. lithuwastom, ohd. lidostarc, oe. leoþðubend). — Formeel te vergelijken met lat. lituus ‘kromme staf van de augur; krijgshoorn’. — Een afl. van de idg. wt. *elei ‘buigen, krommen’, waarvoor zie: lenig en ledig.

Naast *liþu staan ook afl. met m, vgl. oe. lim o.v. ‘lid, twijg’ (ne. limb), on. limr m., lim v. ‘lid; twijg’, lim o. (coll.) ‘takken van een boom’ (zie: leem 2).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lid I (hd. glied) znw. o., mnl. lit, let (d) o. = ohd. lid o. m. (gi-lid o., nhd. glied = gelid), os. lith m., ofri. lith, leth o., ags. lið m. o., on. liðr, got. liþus m. “lid”. De u is in ’t Wgerm. nog in samenstt. bewaard: ohd. lido-starc, os. lithu-wastom, ags. leoðu-bend. -þu-, idg. -tu- is formans; met m-formantia ags. lim o. (v.) “lid, twijg” (eng. limb), on, limr m., lim. v. “id.”, lịm o. “takje van een boom, waaraan bladeren zitten”. De basis li-, waarvan deze woorden komen, wordt bij lenig besproken. Met ags. lim enz. vgl. het ablautende lit. lëmů “gestalte” (bezwaarlijk lat. lîmus “scheef, loensch”), met lid lat. lituus “kromme augursstaf, krijgshoorn”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lid I. (hd. glied). Bij ags. lim enz. wellicht ook mnl. lēme v. ‘visgraat; stoppels, stro’, vla. leem ‘houtachtig deel van vlas of hennep’, ook ‘naald (van sparren)’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lid 1 o. (lichaamsdeel), Mnl. lit, let, Os. lith + Ohd. lid (Mhd. lit, Nhd. g-lied), Ags. liđ, Ofri. lith, On. liđr (Zw. en De. led), Go. liþus; daarnevens Ags. lim (Eng. limb), On. limr (Zw. en De. lem), met nasaal-suffix; vergel. nog Ndl. tijd met Eng. time (z. beeld) + Lat. lituus = kromme staf, Lit. lemů = gestalte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lit: mv. -te (wv./doeb. v. lid, mv. lede), gewrigsdeel v. liggaam, geleding v. plant (anatomiese begrip articulus); Ndl. lid, mv. leden, dial. litten (Mnl. lit), Hd. glied (Ohd. (gi)lid), wsk. verb. m. Eng. limb.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lid ‘lichaamsdeel’ -> Negerhollands leeden ‘ledematen, lichaamsdelen’.

lid ‘persoon die deel uitmaakt van een gemeenschap of kring’ -> Zweeds led ‘gelid, persoon die deel uitmaakt van een gemeenschap of kring’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch lid ‘persoon die deel uitmaakt van een gemeenschap of kring’; Javaans elid ‘lid van een rechtbank, commissie’; Madoerees ēllit, ēllid, līt, ēllīt ‘persoon of personen die deel uitmaken van een gemeenschap of kring’; Makassaars lé, lêdeng ‘lid van een vereniging, bestuur, vertegenwoordigend lichaam, rechterlijk college’; Sasaks lid ‘lid van een publiek lichaam of instituut’; Soendanees ĕlit ‘persoon die deel uitmaakt van een gemeenschap of kring’; Negerhollands lid, leden ‘persoon die deel uitmaakt van een gemeenschap of kring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lid* lichaamsdeel 1260-1280 [CG II1 Wrake R.]

lid* penis 1530 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1345. Iets onder de leden hebben,

van eene ziekte gezegd, de kiem met zich omdragen, waarin men leden opvatte in den zin van de gezamenlijke lichaamsdeelen, het lichaam. In de middeleeuwen in het Volksboek van de Seven Wisen, 57 v: Dat ick een hemelijcke siecte onder mine leden hebbeMnl. Wdb. IV, 311, alwaar ook gewezen wordt op Proza-Reyn.2 119: Hij genas van alre siecten die hi onder hem hadde.; Scaecspel, 132: Vrouwen dicwijl heymelicke zuucten onder haer leden hebben; zie ook Hooft, Ned. Hist. 66: Draaghende 't landt de scheurzucht aldus onder de leden, quam entlyk 's Koninx antwoordt; Harrebomée. II, 22: Hij heeft het onder de leden; Sjof. 268: Hij had bepaald een kwaal onder z'n leje; Falkl. IV, 89: 'k Had 't al 'n poos onder me lejen - sukkelen met me maag; Ndl. Wdb. VIII, 2011. In het Westvl. in de leden hangen, d.i. eene ziekte reeds met zich omdragen (De Bo, 407 b; Mnl. Wdb. IV, 980); in Twente: iets in de hoed (huid) hebben; fri. whet under de lean habbe; V. Schothorst, 164.

1346. Het ligt mij op de leden,

d.w.z. ik heb een voorgevoel van iets; in Kortrijk: iets op den lever hebben (Schuermans, 336); leden vatte men op in den zin van alle lichaamsdeelen, het lichaam, zooals ook in iets onder de leden hebben (no. 1345). Bij Schuermans, 328 a: iets in zijne leê hebben, iets voorgevoelen of vermoeden; ik had het of het lag in mijne leên; en bl. 320: 't ligt in mijn leens; Tuerlinckx, 362: dat lag in mijn leê; in het Waasch Idiot. 278 a: in het lijf hangen naast in de leen hangen; Teirl. II, 204: Dat hangt in mijn leen, ik heb er een voorgevoel van; De Bo, 617: Ik heb het in mijn leên, het ligt in of op mijn leên, mijn geest is er gedurig mede bezig, ik heb er een voorgevoel van; bij Tuerlinckx, 411: dat lag in mijn niere. Zie Campen, 32: het lach my al op de leden; Brederoo I, 322; Huygens, Korenbl. II, 217; Hooft, Warenar, vs. 243 en Ged. I, 154:

Het hart dat tujght, en 't lejdt mij op de leên,
Dat aen uw licht, ach hoe veel meer als een
Dan sullen gaen ontsteken haer gemoên.

Ook in de 17de eeuw op de leden vallen bij Bontekoe, Journ. 62: Het viel ons doe al op de leden, dat het met een, of beyde onse mackers niet wel gestelt most wesen. Vgl. verder Halma, 305: Dat leit mij op de leden, j'ai un pressentiment de cela; Sewel, 440: Het legt mij op de leden, I fear it will be so; Tuinman I, 318; Harreb. II, 22; O.K. 178: Ik kom bepaald in de versukkeling, dat ligt me op de leden; Ndl. Wdb. VIII, 2011. In het fri.: it leit my (forkeard) op 'e lea, ik heb een (ongunstig) voorgevoel omtrent die zaak.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

el-8, elē̆i-, lē̆i- ‘biegen’, olī̆nā ‘Ellenbogen’

A. Hierher stellen sich zunächst Bezeichnungen für ‘Ellenbogen’ und ‘Elle’:
Gr. ὠλένη ‘Ellenbogen’, ὠλήν, -ένος ds.; ὠλέκρᾱνον (aus ὠλενο-κρᾱνον durch Ferndissimilation, vgl. Brugmann Ber. d. sächs. Ges. d. W. 1901, 31 ff.) ‘Ellenbogenkopf’; ὦλλον· την τοῦ βραχίονος καμπήν Hes.;
lat. ulna (aus *olinā) ‘Ellenbogenknochen, der ganze Arm’;
air. uilenn ‘Winkel’, mir. uillind ‘Ellenbogen, Winkel’ (-ll- aus -ln- der synkopierten Kasus, vgl. Pedersen KG. II 59), cymr. elin, acorn. elin, bret. ilin ‘Ellenbogen’ (*olīnā);
den gleichen langen Mittelvokal zeigt das Got.: aleina ‘Elle’, doch haben die übrigen germ. Formen kurzen Mittelvokal: ags. eln (engl. ell), ahd. elina, mhd. elline, elne, nhd. Elle; das Altnord. zeigt Formenbuntheit: aisl. selten alen (anorw. auch alun) mit erhaltenem Mittelvokalt, sonst ǫln, eln (ǭln, āln);
einfache Wurzel *ō̆lē̆- in ai. aratní-ḥ m. ‘Ellenbogen’, av. arǝθna- ds. frā-rāθni- ‘Elle’, apers. arašniš ds.;
in alb. lërë geg. lans ‘Arm vom Ellenbogen bis zur Hand’ (*lenā; doch vgl. Pedersen KZ. 33, 544) fehlt der anlaut. Vokal.
B. Die gleiche Wz. steckt weiterhin in: ai. āṇí-ḥ m. ‘Achsennagel, Beinteil über dem Knie’ (*ārni-, idg. *ēlni- oder *ōlni-), arāla-ḥ ‘gebogen’, ā́rtnī ‘Bogenende’, wohl auch in alaka- ‘Haarlocke’, vielleicht in āla-vālam ‘Vertiefung um die Wurzel eines Baumes, um das für den Baumbestimmte Wasser einzufangen’;
arm. ołn (Gen. ołin) ‘Rückenwirbel, Rückgrat, Schulter’, ulu ‘Rückgrat, Schulter’ (aus idg.*olen, bzw. *ōlen); weiter arm. ałełn (Gen. ałełan) ‘Bogen, Regenbogen’, il (Gen. iloy) ‘ἄτρακτος, Spindel, Spille’ (*ēlo-), ilik ds.;
cymr. olwyn (*oleinā) ‘Rad’;
germ. ablaut. *luni- in ahd. as. mhd. lun ‘Achsennagel, Lünse’, nhd. Lonnagel, vgl. ahd. luning ‘Lünse’, ags. lyni-bor ‘Bohrer’, woneben eine s-Ableitung ags. lynis, asächs. lunisa, mnd. lüns(e), nhd. Lünse;
lit. lušìs ‘Achsennagel’ (Specht Dekl. 100, 125, 163);
abg. lanita ‘Wange’ (*olnita).
C. Weiterbildung ē̆l-ē̆q-:
1. In Bezeichnungen für Ellenbogen, Arm, gelegentlich auch andere Körperteile:
Arm. olok’ ‘Schienbein, Bein’ (*eloq- oder *oloq-);
gr. [ἄλξ καὶ] ἄλαξ· πῆχυς, ᾽Αθαμάνων Hes.;
lit. úolektis f., lett. uôlekts ‘Еllе’ (ursprüngl. kons. St. *ōlekt-);
apr. woaltis, woltis ‘Elle, Unterarm’ (*ōlkt-); lit. alkúnė, elkúnė f., apr. alkunis ‘Ellenbogen’, lett. èlks n. èlkuons ds., abg. lakъtъ, russ. lókotь ‘Еllе’ (*olkъ-tь); russ. dial. alьčik (?) ‘talus’.
2. Gr. λοξός ‘verbogen, verrenkt, schräg’ (mir. losc ‘lahm’), λέχριος ‘schief, quer’ (*λεκσ-ριος), λέχρις ‘quer’, λικριφίς ‘quer’ (diss. aus *λιχριφίς, Saussure MSL. 7, 91, Hirt IF. 12, 226; das i der 1. Silbe wohl eher aus ε assimiliert als mit ι = e, wie allerdings:) λικροί Hes. neben λεκροί ‘die Zinken des Hirschgeweihs’, λίξ, λίγξ· πλάγιος Hes., als ‘Einbiegung, Mulde’ λέκος n., λέκις, λεκάνη ‘Mulde, Schüssel’;
cymr. llechwedd ‘Abhang, Neige’, gall. Lexovii, Lixovii VN; mir. losc ‘lahm’;
lat. licinus ‘krummgehörnt (aus *lecinos), lanx, -cis ‘Schüssel’ (wohl auch lacus usw., s. *laqu-);
ganz fragwürdig ist die Deutung von abg. lono ‘Busen, Schoß’ usw. aus *loq-s-no- ‘Einbiegung’, ebenso die von bulg. lónec usw. ‘Topf’ aus loq-s-no- (s. Berneker 732).
D. Zu lē̆i- ‘biegen’ gehören auch:
Vielleicht got. undarleija ‘unterster, geringster’;
lett. leja ‘Tal, Niederung’, lejš ‘niedrig gelegen’.
1. Mit m-Suffixen:
vermutlich gr. λειμών ‘Wiese’ (‘*Niederung, Einbuchtung’), λιμήν ‘Hafen’, thess. ‘Markt’ (‘*Bucht’), λίμνη ‘See, Teich’ (‘*Vertiefung, eingebogene Niederung’);
cymr. llwyf ‘Ulme’ (*lei-mā), nir. ON Liamhain (zu *līamh ds.), vielleicht schwundstufig mir. lem ds. (*limo-), nir. ON Leamhain (falls nicht aus *lemo-, s. unter el-1);
lat. līmus ‘schief’, līmus ‘der schräg mit Purpur besetzte Schurz der Opferdiener’, līmes -itis ‘Querweg, Rain, Grenzlinie zwischen Äckern’, osk. liímítúm ‘līmitum’, līmen ‘Türschwelle’ (‘*Querbalken’);
anord. limr (u-St.) f. ‘Glied, dünner Zweig’ (‘*biegsam’), lim f. ds., lim n. ‘die feinen Zweige, die das Laub tragen’, ags. lim n. ‘Glied, Zweig’, hochstufig anord. līmi m. ‘Reisbund, Besen’ (lit. liemuõ m. ‘Baumstamm, Körperstatur’, ursprüngl. ‘Rundholz, Rundung’?).
2. Mit r-Suffix: vielleicht alb. klir-të ‘Tal’ aus Präf. kë+li-r.
3. Mit t-Suffixen:
lat. lituus ‘Krummstab der Auguren; krummes Signalhorn im Kriege, Zinke’ (auf einem *li-tu-s ‘Krümmung’ beruhend);
got. liþus ‘Glied’, anord. liðr (u-St.) ‘Gelenk, Glied, Krümmung, Bucht’, ags. lið, lioðu- m., as. lith ‘Gelenk, Glied’, ahd. lid, mhd. lit, lides m. n. ‘ds., Teil, Stück’ (s-St.), wozu anord. liða ‘beugen’, ags. āliðian ‘zergliedern, trennen’, ahd. lidōn ‘in Stücke schneiden’ sowie anord. liðugr ‘(gelenkig) leicht beweglich, frei, ungehindert’, mhd. ledecledig, frei, unbehindert’;
toch. AB lit- ‘fortgehen, herabfallen’.
E. Gutturalerweiterungen:
Lat. oblīquus ‘seitwärts gerichtet, schräg, schief’ (-u̯o- kann Suffix sein, vgl. curvus), liquis ds. (wohl mit ī), līcium ‘Eintragsfaden beim Weben, überhaupt jeder Faden des Gewebes, dieses selbst; Gurt um den Unterleib’ (‘*Querfaden’), lixulae ‘Kringeln’;
vielleicht cymr. llwyg (*lei-ko-) ‘störrisches Pferd’, bret. loeg-rin ‘einen schief ansehen’ (Loth RC 42, 370 f).

WP. I 156 ff., WH. I 744, 761, 798.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal