Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lichterlaaie - (felle brand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lichte(r)laaie zn. ‘felle brand’
Vnnl. lichte laeye ‘roodgloeiende vlam’ [1599; Kil.], het herte in een vier scheen lichter-laey te branden ‘het hart leek in vuur en vlam te staan’ [1630; WNT branden], al voor den dageraet [stont] een derdepart van Londen in lichter laeye [1666; WNT]; nnl. 't vuur ... zette Amsterdam ... in lichtelaeije vlam [1741; WNT].
Samentrekking van de uitdrukking (in) lichter laaie ‘fel brandend’. Het eerste lid is de verbogen vorm van het bn.licht 1 ‘helder, klaar’. Het tweede lid is het buiten deze uitdrukking verouderde zn. laeye ‘vlam’, zoals in die laye die dat hout vut gheft ‘de vlammen die uit het hout slaan’ [1340-60; MNW-R]. Het gaat terug op een Noordzee-Germaanse nevenvorm *lēia van mnl. loghe ‘vlam, gloed’ [midden 14e eeuw; MNW], dat later ook nog voorkwam in in lichte loogh [ca. 1645; WNT]. Zie ook de afleiding → laaien.
Nfri. yn ljochte lôge ‘in lichterlaaie’; nzw. i ljusan låga, nde. i lys lue ‘id.’. Bij mnl. laeye horen: os. lōgna; ohd. loug (mhd. louc); oe. lēg (me. leye); on. leygr; < pgm. *laugi-; daarnaast ablautend (nultrap): pgm. *luga-, waaruit ofri. loga (nfri. lôge); on. logi (nzw. låga, nde. lue; ook ontleend als me. lowe, ne. (Schots) low); al deze woorden betekenen ‘vlam, gloed’. Mnl. loghe kan zowel uit pgm. *luga- als uit *laugi- zijn ontstaan. Daarnaast bestonden ook vormen zonder grammatische wisseling: mnd. lo(he); mhd. lohe (nhd. Lohe); < pgm. *luhō-.
De pgm. wortels gaan terug op pie. *leuk- ‘licht worden’ (IEW 687), zie → licht 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lichterlaaie*, lichtelaaie [met uitslaande vlam] {ca. 1810} 3e nv. van lichte laai (vgl. laai).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

laai, in lichtelaaie, lichtelaaievlam, mnl. laeye, laye v. “vlam”. Wordt gew. als een fri. vorm opgevat, met â uit au en j uit gepalataliseerde ʒ. Men vergelijkt dan in de eerste plaats ohd. loug, ags. lîeg, on. leygr m. “vlam”; hiermee staat in ablaut os. logna v., on. logi, ofri. loga m. “id.”, wsch. ook mnl. lōghe v. “id.”. Met gramm. wechsel mhd. lohe m.v. (nhd. lohe v.) “id.”. Deze woorden zijn met licht I verwant. ʼt Verdient echter overweging, of laai, mnl. laeye niet veeleer op * χle-jô(n)- teruggaat en van de bij lauw besproken basis komt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lichterlaaie , datief van lichte laai, d.i. heldere vlam (z. licht 1. en laai).

Thematische woordenboeken

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

laaije, volgens de verklaring van Kiliaen flamma, flammae lumen, is, gelijk velen schijnen te meenen, geen bijvoegelijk, maar een zelfstandig naamwoord. Het is derhalve een geheel ongepaste uitdrukking, wanneer men spreekt van een huis, dat in lichter laaije vlam staat. Wel daarentegen kan men zeggen: de vlam staat ter lichter laaije uit.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lichterlaaie* met uitslaande vlam 1810 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1387. In lichte(r)laaie,

d.i. heftig brandend. Laaie is hier het mnl. laeye, vlam, in welken zin dit woord in Zuid-Nederland nog zeer gewoon is; zie Mnl. Wdb. IV, 40; Ndl. Wdb. VIII, 848; 1987 en Kil.: Lichte laeye, flamma rubra, rutila; 17de eeuw ook lichtelage. Vgl. De Bo, 600: laai, het vlammen van 't vuur, flakkerende vlam; het huis stond in vlam en laai, een huis in laaie zetten; Schuermans, 319; Waasch Idiot. 397: het is lichtelaaie aan 't branden, regenen, donderen, welk lichtelaaie te vergelijken is met het vroegere (te) lichte(r) lage, in volle vlam, heftig, naast aan of van lichter lage. Het znw. laai werd ook als bijv. naamw. gebezigd, dikwijls verbonden met licht; vgl. bij Huygens II, 187: 't luchterlage licht en in lichtelaaie vlam of gloed, dat sedert de 18de eeuw voorkomt (Halma en Sewel), en niet in het gebruik mag worden afgekeurd. Vgl. ook het hd. lichterloh brennen; eng. in a light low (Prick); fri. yn ljuchtelaeie; ljochte-lôge.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal