Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lichtekooi - (vrouw van lichte zeden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lichtekooi zn. ‘vrouw van lichte zeden’
Mnl. eerst in de bijnaam van Jacob Gerytz. Lichtekoey [1474; Van der Meulen 1942b]; vnnl. naijsters, spinsters, ... sijn een deel lichte koeijen ‘naaisters en spinsters zijn een stelletje hoeren’ [ca. 1560; Erné 1934, 15], een hoerken off een licht coyken [ca. 1579; Erné 1934, noot 508], as hy droncken is, loopt hy stracks by de lichte koyen [1613; WNT dronken], lichte koyen en vogels van deux-aes ‘hoeren en schooiers’ [1657; WNT deux], lichtekoois en fielen ‘hoeren en schurken’ [1662; WNT].
Op grond van de huidige betekenis, die vanaf de 16e eeuw voorkomt, lijkt het woord gevormd uit het bn.licht 2 ‘niet zwaar’, hier vooral ‘lichtzinnig, onbetrouwbaar van zeden’, en het zn.kooi. Het woord kooi zou dan via ‘vrouwelijk geslachtsdeel’, zoals in Middelnederlands ghy syt veel te heet in u coye [1485-86, kopie 1550-1600; Erné 1934, noot 508], metaforisch voor ‘hoerige vrouw’ zijn gebruikt, bijv. in vnnl. ghy lichte clickoykens [1562; WNT klakkooi], klicker-koyen [1623; WNT klikkeren], waarin klicken wrsch. ‘wippen’ betekent, en wipkoyen [1677; WNT wippen]. Hoewel kooi als simplex in de betekenis ‘hoerige vrouw’ niet is geattesteerd, geldt dat wel voor het synoniem kevie ‘kooi’, dat in het Middelnederlands verschijnt als kivie ‘keukenmeid’ [14e eeuw; MNW] met daarvan afgeleid Middelnederlands kevese ‘bijzit, concubine’ (ook Duits Kebse). De veronderstelling dat kooi via ‘vrouwelijk geslachtsdeel’ ‘hoer’ is gaan betekenen, vindt ook steun in de context van het citaat uit 1560, een klucht waarin enige regels eerder de tekst houtsaegers sijn eendeel lichte vogels voorkomt: vogel was een bekende metafoor voor ‘mannelijk lid’ en ‘man’ en zie ook het citaat uit 1657.
Als aanduiding voor een mannelijk persoon is het woord zeer zeldzaam, maar wel het vroegst geattesteerd. Daarom gaat men ook wel uit van een uitdrukking zijn kooi lichten ‘zijn achterste optillen’, met kooi ‘billen’ als nevenvorm en -betekenis van → koon ‘wang’ (Heeroma 1942 en 1944). Hieruit zou dan de huidige betekenis zijn ontwikkeld. Zowel kooi ‘billen’ als de genoemde uitdrukking zijn echter weinig frequent en in de 17e eeuw reeds verouderd. Ook de spelling van lichtekooi als twee woorden in de meerderheid van de attestaties tot en met de 17e eeuw pleit tegen een interpretatie van licht- als werkwoordstam. In alle attestaties van lichtekooi voor een man, waarvan er hierboven slechts één is genoemd, wordt slechts één specifieke persoon bedoeld, die volgens de context in een kwaad daglicht staat. Daar kan lichtekooi steeds worden verklaard als sterk pejoratieve toepassing van het bestaande lichtekooi ‘hoer’.
Voor een overzicht van nog enkele andere in het verleden voorgestelde etymologische verklaringen van dit woord, en de verwerping ervan, zie Buser (1858).
Lit.: T.H. Buser (1858), ‘Proeven van woordverklaring: Lichtekooi’, in: De Taalgids 1, 43-48; B.H. Erné (1934), Twee zestiende-eeuwse Spelen van de Hel, Groningen, 1-19, i.h.b. noot 508; K. Heeroma (1942), ‘Etymologische aantekeningen: Lichtekooi’, in: TNTL 61, 81-117, hier 98-99; K. Heeroma (1944), ‘Bij kooi < koon’, in: TNTL 63, 214; J.E. Dupont (1950), ‘Taalkaarten en homonymie’, in: Album L. Grootaers, Leuven, 81-93, hier 89

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lichtekooi [hoer] {1635} het eerste lid is lichten [optillen], het tweede lid betekent hier ‘achterste’, dus zoiets als: die met haar achterste loopt te draaien. Volgens anderen van licht3 [niet zwaar, lichtzinnig], dus licht kooiken [een lichtzinnig iem.].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lichtekooi znw. v., reeds 1474 als eigennaam van een schipper (R. v. d. Meulen Ts. 62, 1943, 235-144). Het 2de lid kooi is een aanduiding van ‘achterste’ (vgl. 1616 licht u koykin voor ‘sta op’ vgl. Κ. Heeroma Ts. 61, 1942, 81-117); dial. (oost-N. Brab.) bet. kooi nog ‘holte van het bekken’ Hetzelfde woord vinden wij in oudernl. gerdekoyen (Plantijn: ‘de benen bij het lopen te wijd vaneen zetten’). Terwijl het woord dus oorspr. niet in obscene bet. gebruikt werd, was dit later wel het geval; in de 16de eeuw spreekt men reeds van licht kooiken, waarin licht ‘losbandig’; dit wordt dan eerst later tot een vaste verbinding (zo Heeroma). Maar daarbij wordt niet voldoende aandacht besteed aan de reeds in 1474 voorkomende bijnaam van een man, die waarschijnlijk op zijn bijzondere gang wijst: ‘onder het lopen het achterste oplichten’. Indien dit de typische manier van lopen voor lichte vrouwen was, zou de toepassing op hoeren begrijpelijk zijn; in dezelfde richting wijzen namen als kwikkebil, wappergat en mnl. clekerbille.

Zie voor een andere verklaring J. Dupont, Album Grootaers 89.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lichtekooi znw., sedert de 17. eeuw. De meest plausibele verklaring is, dat lichtekooi, zuidndl. lichtkooi oorspr. beteekent “die de kooi (= het achterste) oplicht” en dat ’t dus een imperativische samenst. van lichten II en oudnnl. (o.a. bij Kil.) koye “achterste” is. Is dit = nnl. kooi, overdr. gebruikt? Vgl. tw. wip-eersken, wip-gat, 17.-eeuwsch wapper-gat e.a. dgl. samenstt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lichtekooi. In Oost-Noordbrabant komt kooi voor in de bet. ‘holte van het menselijk bekken’, stellig = kooi (meded. A.F.de Bont). Als een dergelijke bet. van kooi oud is — Kil. gherde-koyen ‘incoxare’, Plant.: ‘marcher tortuement et entreouvrant troples jambes’ kunnen op een dgl. bet. wijzen, en de bet. ‘achterste’ ligt niet ver af ‒, zou de ospr. bet. van lichtekooi kunnen geweest zijn ‘die de “kooi” oplicht’: vgl. ook ligjes op ‘licht meisje’ bij Asselijn? Eenmaal opgekomen ergens waar kooi in deze bet. gangbaar was, zal lichtekooi spoedig gevoeld zijn als een samenst. met licht III (vgl. mnl. licht wijf o. = nnl. lichte vrouw), wat de verbreiding mede kan hebben bevorderd: vgl. de jongere bet. van lichtmis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lichtekooi v., zooveel als schuddegat, van lichten 2 en kooi = achterste: een samenstelling als kwistekool, brekespel, enz. Kooi is overdracht van kooi = kevie; men denke aan bekende Ndl. en Fr. schuine liedjes van vink en kooi.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lichtekooi hoer 1635 [WNT walen I]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1386. Lichtekooi,

Onder eene lichtekooi, Zuid-Nederland lichtkooi, verstaat men sedert de 17de eeuw eene hoer, eene lichte, onzedelijke vrouw, eene vrouw van den stam van Levi (woordspel met lat. levis, lichtTuinman, I, 6.). In eigenlijken zin wil dit woord niet zeggen ‘iemand die licht met een ander kooit of ter kooi gaat’ (Halma en Tuinman I, 222), maar, zooals reeds in Taalgids I, 43, is opgemerkt, iemand die haar kooi (achterste) onder het loopen voortdurend oplicht (vgl. wipbillen), dus eig. een wipeersken of een wipgat, zooals men o.a. in Twente zegt, een wipding (Jord. 67), een kwikje, een wipkuitjen (Coster, 542, vs. 1452); een clekerbille (mnl.); een wappergat (17de eeuw); een klickerkooi (17de eeuw); een schuddegat, schuddel-marjan (De Cock2, 84), 17de eeuw: schuddemakooi; een hippel(de)klink (Boekenoogen, 326; klink = achterste); een klikkooi, een klakkooi (De Jager, Frequ. II, 255); een kwikkebil (Halma, 526); hillebil, hillegat (zie Ndl. Wdb. VI, 751); snikkebil, jonge dochter of vrouw (Waasch Idiot. 606); swaddergatje (17de eeuw); hippeclinck, drilbil, drilgat (De Cock2, 40); lichtomdeine (Tijdschr. XVI, 111); vgl. het dial. eng. wagtail, kwikstaartje, maar ook: lichtekooi; het bij Kiliaen vermelde gherdekoyen, gherdegaten, door Plantijn vertaald met: marcher tortuement et entreouvrant trop les jambes (Kluyver, Proeve, 70; 71), dat te vergelijken is met het Zaansche beenophipper, kale pronker, eig. iemand die zijn voeten ophipt, trippelt (Boekenoogen, 43); draaiaersen, draaiheupen, draaibillen (Ndl. Wdb III, 3293); enz. Voor kooi in de bet. van achterste vgl. Anna Bijns, N. Refr, 106: Sij hadde haer coeye tot vijsten gewendt (zie ook Leuv. Bijdr. IV, 356) en Kil.: Koye, culus, sedes, nates, clunes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal