Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lest - (laatst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

laat bn. ‘ver gevorderd in tijd’
Mnl. late ‘ver in de tijd’ in late op te staen ‘(te) laat op te staan’, tis te late ‘het is te laat’ [beide 1439; MNW]. Eerder al in de overtreffende trap laetst ‘laatst in een reeks, uiterst’ in dese laetste tsaerter ‘deze laatste oorkonde (uit een reeks)’ [1290; CG I], ten laetsten binder maent ‘ten laatste binnen een maand’ [1281; CG I], en in de vergrotende trap later ‘verder gevorderd in tijd’ in sulke eer, zulke later ‘sommigen vroeger, anderen later’ [1405; MNW-R].
Bijwoordelijke afleiding van mnl. lat ‘lui, traag, nalatig’ [1265-70; CG II], dat in het Middelnederlands al weinig meer voorkwam en daarna volledig verouderde. De traagsten zijn tevens de laatsten en zo had het woord al in de vroegste attestaties betrekking op gebeurtenissen die laat of als laatste plaatsvonden of zaken die als laatste in een rangschikking staan.
Ohd. lazzo; oe. late ‘langzaam, laat’ (ne. late); < pgm. *latō- ‘op langzame, late wijze’, bijwoordelijke afleiding van *lata- ‘lui, traag’, waaruit verder nog: os. lat (mnd. lat, late); ohd. laz ‘nalatig, traag’ (mhd. laz, nhd. lässig ‘onverschillig; ongedwongen’); ofri. let ‘laat’; oe. læt ‘lui, langzaam’; on. latr ‘lui, traag’ (nzw. lat); got. lats ‘lui’.
De overtreffende trap was pgm. *lat-ista- (West-Germaans), waaruit met i-umlaut: mnl. letst > lest, zie onder; os. lesto, lasto; ohd. lazzost, lezzisto ‘jongste, uiterste’ (nhd. letzt ontleend aan het Nederduits); ofri. lest; oe. lætest, latost (ne. last ‘laatst’, latest ‘meest recent’). De betekenisverschuiving van ‘traagst’ naar ‘laatst’ is in al deze talen opgetreden.
Van pgm. *lata- afgeleid is het werkwoord → letten.
Pgm. *lat- gaat terug op de nultrap van pie. *leh1d- ‘moe zijn’ (IEW 666), zie → laten.
Mnl. laet, later en laetst kwamen weinig voor. Het gewone woord voor de betekenis ‘laat in de tijd, laat op de dag’ was mnl. spade, met de trappen van vergelijking spader, spaetst, een woord van onbekende herkomst; ook het Duits heeft spät ‘laat’. Voor ‘laatst in een reeks’ was het gewone woord → lest. De overtreffende trap laetst is een nieuwere vorming.
lest bn. ‘laatst’. Onl. letist ‘laatst’ in an letiston thingon (datief mv.) ‘over de laatste dingen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. list (Brabants) in ene soygh bit horen listen worpe ‘een zeug met haar meest recente worp’ [1261; CG I], lest in telest ‘ten slotte, uiteindelijk’ [1265-70; CG II], sporadisch letst zoals in als sijn letste dach was naer ‘toen zijn laatste dag nabij was’ [1330; MNW letst]. Ontstaan uit letist, de overtreffende trap van het bn. lat ‘lui, traag’ (zie boven), door verzwakking van de niet beklemtoonde klinker en vereenvoudiging van de medeklinkercluster tst > st. In het Middelnederlands was lest het gewone woord voor ‘laatst’; het bestaat tegenwoordig vooral nog in dialecten. In de standaardtaal beperkte het woord zich later tot dichterlijk taalgebruik en tot enkele vaste verbindingen, zoals lest best en ten langen leste.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lest voor laatst, superl. van laat 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

laat bnw., bijw., mnl. laet, zeer zelden als bnw. Het bnw. laet is gevormd bij het bijw. mnl. lāte “laat” = mnl. lāte, ags. (eng.) late “laat”. Dit is een bijwoord bij het bnw. germ. *lata-, mnl. lat, ohd. laʒ, os. lat, ags. læt, on. latr, got. lats “traag”, waarvan de superlatief in alle oude wgerm. talen “laatste” beteekent: mnl. lætst, lest (nnl. laatst, lest; de laatste vorm, de oudste, is in de diall. nog de meest gebruikte), onfr. letist, ohd. laʒʒost, leʒʒist (nhd. letzt is geen klankwettige hd. vorm), os. lezto, lesto, lazto, lasto, ofri. lest, ags. lætest, latost (eng. last; ags. ook læt(e)mest); evenzoo is de compar. mnl. (nnl.) lāter, ofri. letora, letera = “later, volgend”. Germ. *lata- “traag” komt evenals wellicht on. lǫskr “week, slap”, ier. lasc “slap” (zie echter bij lessen), lat. lassus “moe, traag” van de bij laten besproken basis. Zie echter bij laten. Voor een afl. zie letten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lest bijv., Mnl. id., Onfra. letist + Ohd. lezzist (Mhd. letzt, Nhd. id.): superl. van laat met het -ist-suffix (z. laatst).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

leste: nie alg. nie, maar bv. nog in: die leste een as wv. v. laaste; Ndl. lest (veroud. en dial.) uit letst as sup. v. lat, “agter, traag”, dog tans; soos in Afr., as sup. v. laat aangevoel – die onverboë les feit. nog net in: les bes (wsk. d. asson. en rym bewaar); by vRieb o.a. nog den lesten April en met de leste boot.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1363. Lest best,

d.w.z. het laatste is het besteVoor de vorming vgl. vrijheid blijheid; goedkoop duurkoop en dergelijke.. Vgl. Sartorius I, 2, 98: Cygnea cantio, 't lest het best. Hagelandsch: lestes bestes, laatste maal, beste maal (Tuerlinckx, 363); Antw. Idiot. 757: lest is best; Harreb. II, 2: het allerlest zij 't allerbest; Friesch: earst is meast en lest is best, wie 't eerst komt (b.v. op een partijtje) krijgt het meeste, wie 't laatst komt het beste (W. Dijkstra II, 365 b). Ook in het Oostfri.: 't leste is 't beste (Ten Doornk. Koolm. II, 499 b); hd. die Letzten bekommen das Beste; Wander III, 45: de leste, de beste, een Trostwort an Kinder, denen die Zeit lang wird, ehe die Reihe an sie kommt; 47: das letst das best; fr. aux derniers les bons.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal