Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lepra - (melaatsheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lepra zn. ‘melaatsheid’
Vnnl. lepre [1553; Van den Werve], lepra [1663; Meijer]; nnl. de gevolgen van lepra [1835; WNT].
Ontleend aan medisch Neolatijn lepra ‘melaatsheid’, ter vervanging van de oudere Nederlandse benamingen melaatsheid (zie → melaats), lazerij (zie → lazer) en leprosie ‘melaatsheid’ [1544; WNT leprosie], welke laatste een afleiding is van leproos, zie hieronder. Het woord bestond al in het klassiek Latijn en is ontleend aan Grieks léprā ‘melaatsheid’, afleiding van leprós ‘melaats; schilferig, ruw’, afleiding van lépein ‘pellen, schillen’, zie → lap. Lepra wordt gekenmerkt door schilferende vlekken en zwerende wonden op de huid.
leproos zn. ‘lepralijder’. Mnl. leproes (bn.) ‘melaats’ in leprose lude ‘melaatse mensen’ [1380; WNT], ook zelfstandig gebruikt, bijv. in de samenstelling leprozenhuis ‘gesticht waarin leprozen worden afgezonderd’ [14e eeuw; MNW beleider]; vnnl. leprozen (mv.) ‘lepralijders’ in de arme miserabele leprozen [1504; WNT leproos II]. Ontleend aan Latijn leprōsus ‘schilferig, melaats’, afleiding van lepra. ♦ lepreus bn. ‘lijdend aan lepra’. Vnnl. lepreux [1650; Hofman]; nnl. wanneer ... de grootouders lepreus waren [1848-49; WNT], ook zelfstandig gebruikt in een ... wijk van lepreuzen [1857; WNT]. Ontleend aan Frans lépreux, lépreuse ‘lijdend aan lepra’ [14e eeuw; Rey], eerder al leprous ‘id.’ [1080; Rey], uit Latijn leprōsus.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

melaats

De ziekte waaraan zij lijden, die men melaats noemt, heet lepra, een aan het Grieks ontleend woord dat behoort bij het bijvoeglijk naamwoord lepros: schilferig, ruw, oneffen. De huid van de lijder aan lepra wordt namelijk schubachtig en ruw. Dat men, vooral in vroeger tijd, liever van melaatsen sprak dan van leprozen, vindt zijn oorzaak in de vrees dat men, de naam ener gevreesde ziekte noemend, zich daaraan blootstelde. Om dezelfde reden vermeed men ook de naam van de duivel in de mond te nemen. Liever dan van de leproos sprak men van: de zieke, in het Frans Ie malade uit het Italiaans malato. Men maakte hier malaets, melaets en melaats van en bedoelde er dan mede: de lijder aan de gevreesde ziekte, de lepra.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lepra znw. v. eerst na Kiliaen, internationaal woord < lat. lepra < gr. lépra ‘melaatsheid’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lepra znw., nog niet bij Kil. Ook in andere talen. Uit gr.-lat. lepra.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lepra: melaatsheid; Ndl. lepra (na Kil) min of meer intern., uit Lat. lepra (gew. mv. leprae), Gr. lépra, “melaatsheid”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lepra (Latijn lepra)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lepra. Infectieziekte die vooral huid en zenuwen aantast en ernstige misvormingen tot gevolg kan hebben. Scholieren uit de kop van Noord-Holland en uit Wassenaar kennen de verwensing krijg het lepra! Soms wordt daar nog aan toegevoegd aan je hart of aan je kloten! Sanders en Tempelaars (1998) kennen voorts krijg de lepra aan je tenen! en krijg de lepra aan je hart! Beide verwensingen werden in Rotterdam aangetroffen. Al deze verwensingen drukken minachting en afkeer uit en betekenen ‘rot op’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lepra ‘melaatsheid’ -> Indonesisch lépra ‘melaatsheid’; Jakartaans-Maleis lèpra ‘melaatsheid’; Menadonees lépra ‘melaatsheid’; Japans repura ‘melaatsheid’; Surinaams-Javaans léprah ‘melaatsheid’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal