Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lepel - (eetgerei om vloeibare stoffen e.d. mee te scheppen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lepel zn. ‘eetgerei om vloeibare stoffen e.d. mee te scheppen’
Mnl. lepel [1240; Bern.], een lepel honex ‘een lepel honing’ [1287; CG II].
Afleiding met een achtervoegsel waarmee namen van werktuigen worden gevormd, zie → beitel, van dezelfde wortel als in → leppen.
Os. lepil (mnd. lepel); ohd. leffil (nhd. Löffel); ofri. lepel (nfri. leppel); < pgm. *lap-ila-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lepel* [eetgereedschap] {leper ca. 1150, lepel 1201-1250} middelnederduits lepel, oudsaksisch lepil, oudhoogduits leffil, van dezelfde stam als middelnederlands lapen [likken, slurpen], middelnederduits lapen, oudhoogduits laffan, oudengels lapian (engels to lap), oudnoors lepja, zweeds lapa; buiten het germ. latijn lambere, grieks laptein, armeens lapʽel [likken]; vgl. ook leppen, labben.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lepel znw. m., mnl. lēpel, os. lepil, mnd. lēpel, ohd. leffil (nhd. löffel), terwijl opr. lapinis een leenwoord kan zijn uit got. lapins of lapils. — Een afl. van germ. stam *lap ‘drinken, likken’, vgl. mnl. läpen ‘slurpen, leppen’, mnd. läpen, ohd. laffan, oe. lapian (ne. lap), nijsl. lepja ‘oplikken’ (vgl. ook nl. leppen). — De idg. wt. is *lab, vgl. lat. lambo ‘likken’, gr. láptō ‘likkend slurpen’, alb. lap ‘lik water’ (IEW 651). Het woord was reeds idg. met affectieve klankwisseling: *lab, labh, lap, laph; daarom kan men hiermee ook verbinden nl. labben 1, vgl. nhd. dial. labbe ‘lip’ en misschien ook osl. lobŭzati ‘kussen’, evenals russ. dial. lopatĭ ‘vreten’.

In Zuid-Nl. komt daarnaast de dissimilatievorm leper voor (vgl. Frings-Vandenheuvel, Die süd-niederl. Mundarten 1921) en deze vorm kwam met zuidnl. kolonisten naar een gebied ten O. van de Havel, waar läper gesproken wordt (vgl. kaart 63 bij Teuchert Sprachreste). — Men zal waarsch. het woord lepel als naam van het haze-oor hiervan moeten scheiden; vgl. daarvoor: slap.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lepel znw., mnl. lēpel m., = ohd. leffil (nhd. löffel), mnd. lēpel, got. *lapils (> opr. lapinis) m. “lepel”. Afl. van de germ. basis lap-, waarvan de ww. mnl. lāpen “slurpen, leppen”, ohd. laffan, mnd. lāpen, ags. lapian (eng. to lap) “id.” en ndl. leppen, ijsl. lepja “oplikken” komen en die op idg. lab- teruggaat, waarvan lat. lambo “ik lik” (de m oorspr. wsch. alleen in het praesens), obg. lobǔžą, lobǔzati “kussen” (oi. lapsuda- “boksbaard”? Zeer dubieuze combinatie). Zie lip. Een wsch. onomatopoëtische basis, waarnaast verschillende auslautvarianten: laph- (ook labh-, lap-?) in gr. laphússō “ik verslind”, alb. l’ap “ik lep water”, arm. lap‘em “ik lik”; ook russ. lópat’ “vreten”? [Ook ndl. labben zou van een germ. basis laƀ- kunnen komen: ’t zal echter veeleer jonger zijn], — laq- in gr. láptō “ik slurp”, láxās: “likkend”, lit. lakiù, làkti “leppen”, russ. ločít’ “oplikken”, arm. lakem (k < kk) “ik lik”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] lepel. Schrap gr. láxās (“laktísas”, niet “likkend”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lepel. Adde: ofri. lepel m. Schrap: gr. láxās (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lepel m., Mnl. id., Os. lepil + Ohd. leffil (Mhd. leffel, Nhd. löffel), zooveel als slorptuig, van wrt. lap = slorpen (z. leppen en lip). — Iemand over den lepel scheren zinspeelt op de gewoonte der dorpsbarbiers, die hun klanten een lepel in den mond tegen de wang houden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lepel s.nw.
1. Stuk tafel- of kombuisgereedskap, bestaande uit 'n hol, ovaalvormige of ronde blad aan 'n steel, waarmee geëet, geskep of geroer word. 2. Hoeveelheid wat een lepel (lepel 1) kan volmaak, of maat waarmee sodanige hoeveelheid afgemeet word. 3. Voorwerp waarvan die voorkoms en (of) funksie aan 'n lepel (lepel 1) herinner.
Uit Ndl. lepel (Mnl. leper, lepel). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

III. Chinees’ bn.: zie Chinese kouseband*.
— : Chine’se lepel (de, -s), aanduiding bij bingo voor het getal 11. - Etym.: Het heeft betr. op de overeenkomst van dit getal met twee eetstokjes.
— : Chine’se poeder (de, -s), naam voor twee poedervormige preparaten die voor smaakverbetering aan voedsel kunnen worden toegevoegd. De kip wassen, inwrijven met zout, knoflook, sioe*, Chinese poeder, rum en geraspte gember (S&S 157). Onderscheiden worden witte Chinese poeder, d.i. vetsin (natriumglutaminaat) en bruine Chinese poeder. Zie verder S&S 157. - Etym.: Uit China afkomstig.
— : Chine’se seine (de, -s), staaknet, d.i. een groot fuik dat aan palen bevestigd wordt, in Suriname gebruikt voor de garnalenvangst. Er wordt gevist [op garnalen] met grote fuiken (zgn. Chinese seine of ‘stakenets’*), die worden bevestigd aan fuikstellingen dicht bij de oever (Enc.Sur. 637). - Etym.: E seine = zegen, een soort visnet.
— : zie Chinese tajer*.
— : Chine’se winkel (de, -s), winkel waar de meest dagelijkse behoeften van de gewone burger verkrijgbaar zijn (levensmiddelen, naaigerei e.d., kortom wat in Suriname vaak ‘provisiën* en kramerijen*’ genoemd wordt). Ruwweg dreven de Chinezen omstreeks 1970 70% van de ‘Chinese winkels’ waar de Surinamers een belangrijk deel van hun dagelijkse behoeften kopen () (Enc.Sur. 120). - Etym.: De term is ontleend aan de overheersende positie van de Chinezen in deze bedrijfstak. - Zie ook: Chinees* (l, 2). winkel*; vettewarier*, smokkelaarswinkel*.
— : Chine’se zending (de), zending van de Evangelische Broedergemeente* onder Chinese Surinamers. Zie Enc.Sur. 186. - Zie ook: Boslandzending*, Indiaanse*, Indonesische* (Javaanse*) en Hindostaanse* zending.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Lepel snw. Segsw.: Lepel in die dak steek, met iets misreken, bankrot speel, doodgaan. – Op Ndl. taalgebied word vir “sterwe” gebruik: Zijn lepel (of vork) neerleggen, wegsmyten, ingeven (Harreb. II. 4; Corn. en Vervl. 1868: Joos 808; De Bo 547; Ter Laan 507; ens.). Vgl. Mans. i.v. dak. Malherbe 252 verwys na dial. Engels: He has put the spoon in the wall en Ndd.: He hett ’n Lepel an de Wand stäken. Volgens hom is die spreekwyse dan “effens gewysig in Suid-Afrika na die voorstelling van huise met lae dakke soos die kleurlinge byv. bewoon. Na die ete sou dan die lepel in die dak gesteek word as bewys dat ’n mens klaar is.” Die verklaring van die Afrikaanse vorm van die segswyse lyk my nie erg gelukkig nie. Dat ons die lae dakke van Afrikaanse kleurlinghuise nie nodig het om ons segswyse te verklaar nie, word baie waarskynlik gemaak deur Corn. en Vervl. 430: “Hij zal zijn forketten (forket, tafelvurk, fr. fourchette) vruug in ’t dak meugen steken, zegt men van eenen landbouwer, die weinig aardappelen ingeoogst heeft;” Corn. en Vervl. 843: “De naald in ’t spek (of in ’t dak) steken, er uitscheiden met werken, aan de dagtaak een einde maken; met zijn bedrijf uitscheiden en op zijne renten gaan leven;” De Bo 950: “Iets in ’t dak steken, iets laten varen, fr. y renoncer.” ens.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lepel. In het antwoordversje Wat je zegt, ben je zelf enz. komt een enkele keer als regel (2) voor: met de (een) lepel in je kont. Ik zie daarin een elliptische verwensing van het type (loop) met de (een) lepel in je kont. De verwensing duidt op ergernis, irritatie, afkeer e.d. en kan weergegeven worden met ‘donder op’.
Christa Netel-Huisman kent een heel bijzondere variant:. Wat je zegt, ben je zelf,// Met de lepel in de melk,// Met de vork in de kom,// Jij bent stom.
Zij voegt daaraan toe: “We zeiden dit als je bijvoorbeeld uitgescholden werd of gepest om iets terug te zeggen.” → elf, helft, koffiemelk, melk, tiet, touw, verf.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

lepel In 1890 voor het eerst aangetroffen, in de zegswijze een lepel nemen voor ‘een borrel pakken’. In de streek ten noordoosten van Brussel werd dezelfde uitdrukking al eerder, in 1886, gebruikt voor ‘een stijve pint drinken’. De borrelnaam gaat terug op lepelen in de betekenis ‘drinken’ — een woord dat in vele dialecten voorkomt. In Gent zei men omstreeks de eeuwwisseling hij heeft een lepel in voor ‘hij is dronken’. In de eerste helft van deze eeuw werd lepel in Gent tevens gebruikt voor ‘(borrel)glas’. Ook de verkleinvorm lepeltje wordt voor ‘borrel’ gebruikt.

[Liev.-Coopm. 776; Mullebrouck 335; Nav. 49:131, 135; Rutten 131; Tuerlinckx 363; WNT VIII1 1589]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lepel ‘eetgereedschap’ -> Duits dialect Leper, Läper ‘eetgereedschap’; Noord-Sotho lepola ‘eetgereedschap’ <via Afrikaans>; Gimán leper ‘eetgereedschap’; Menadonees lèper ‘eetgereedschap’; Japans † reiperu ‘eetgereedschap’; Negerhollands leepel, leppu ‘eetgereedschap’; Berbice-Nederlands leple ‘eetgereedschap’; Skepi-Nederlands lepel ‘eetgereedschap’; Arowaks lepele ‘eetgereedschap’.

lepel ‘(jagersterm) oor van een haas of konijn’ -> Fries lepels ‘(jagersterm) oren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lepel* eetgereedschap 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1774. Dat is hem met de pap(lepel) ingegeven,

d.w.z. dat heeft men hem van zijn prilste jeugd af ingeprent; dat heeft hij met de moedermelk ingezogen (zie no. 1526) of uit zijn moeders borsten gezogen; vgl. mnl. met iet gewiecht sijn. Zie Van Effen, Spect. VII, 213: De Theologie schynt hem dadelyk als met de pap ingegeeven; Sewel 630: Het is hem met de pap ingegeeven, he has suckt it in from a child, he is imbued with it from his childhood; Tuinman I, 111: Dat is hem met de paplepel ingegeven; Zondagsblad van Het Volk, 2 Juli 1905 p. 3: Want daar zijn vader en grootvader het reeds vóór hem hebben gedaan, is hem de noodige kennis, als het ware, met de paplepel naar binnen gegaan; Het Volk, 20 Oct. 1913 p. 7 k. 2: Alle soc.-dem. onderwijzers zullen weigeren om aan de kinderen onder de 16 jaar het socialisme met den paplepel in te geven. In het Friesch: dat is him yn syn earste brij jown to iten of dat het er mei de memmetate ynsúgd; Afrik. dit met die paplepel ingee. Hiernaast in Zuid-Nederland iemand iets met de melk ingeven (zie Willems, Nalat. 44). In het Oostfri. 't mut hum nog mit de paplepel ingäfen worden; Ndl. Wbd. XII, 345.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal