Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lengte - (langheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lengte zn. ‘langheid’
Mnl. lengede, lingede in van eere lingden .ii1/2. bunre ‘met een lengte van tweeënhalve bunder’ [1285; CG I], die lencde ende die breide ‘de lengte en de breedte’ [eind 14e eeuw; MNW], dan die lencte ende die breete [1458; MNW-P], lengte [1477; MNW-P].
Afleiding van → lang met hetzelfde achtervoegsel als in → diepte. Dit achtervoegsel heeft hier de umlaut -a- > -e- veroorzaakt.
Mnd. lengede, lengde; mhd. lengede; ofri. lendze, leng(e)te, langte (nfri. lingte, langte); oe. lengð (ne. length); on. lengd (nzw. längd); < pgm. *lang-idō- ‘lengte’. Daarnaast met een ander achtervoegsel pgm. *lang-ī(n)- ‘lengte’, waaruit: mnl. lenghe; mnd. lenge; ohd. lengī (nhd. Länge); ofri. lentze; oe. lengo; got. laggei.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lengte* [langste afmeting] {leng(e)de, lencte 1350} van lang.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lengte znw. v., mnl. lencte naast alg. lengde, lenghede, mnd. lengde, lengede, mhd. lengede, oe. lengð (ne. length), on. lengd v. ‘lengte’. — Een ipō-afl. van lang (voor de verscherping d > t zie ook: hoogte).

Een andere abstract-formatie op -īn is mnl. lenghe, mnd. lenge, ohd. lengī (nhd. länge), ofri. lentze, oe. lengo, got. laggei v.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lengte znw., mnl. lencte naast gewoner lengde, lenghede v. = mhd. lengede, mnd. leng(e)de, ags. lengð (eng. length), on. lengd v. “lengte”. Voor -te naast ouder -de vgl. hoogte. Een synoniem is mnl. lenghe, ohd. lengî (nhd. länge), mnd. lenge, ofri. lentze, ags. lengo, got. laggei v. Beide woorden zijn van lang gevormd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lengte v., uit *längde, van lang + Eng. length, De. længde, Zw. längd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lengde, lengte (zn.) lengte; Vreugmiddelnederlands lengede <1285>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lengte: afstand, aardr. afstand ten ooste of weste v. d. nulmeridiaan; duur v. tyd; Ndl. lengte (Mnl. lencte naas lengde/lenghede), Eng. length, afl. m. suf. -te van umlv. v. lang I (q.v.).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lengte ‘afstand tussen breedtecirkel en lengtepunt’ (bet. van Latijn longitudo)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Tot in lengte van dagen, nog heel lang.

In de bijbel kan lengte van dagen zoveel betekenen als: 'een hoge leeftijd', bijvoorbeeld in Job 12:12, 'Bij grijsaards zou wijsheid zijn, en lengte van dagen zou doorzicht betekenen?' (NBG-vertaling) Tot in lengte van dagen betekent ook: 'voor het hele leven', ofwel: 'voor altijd, nog heel lang'. Zie onder meer Klaagliederen 5:20, 'Waarom zoudt Gij ons voor altoos vergeten, ons verlaten tot in lengte van dagen?' (NBG-vertaling; in de NBV is op deze plaatsen voor een andere formulering gekozen). In plaats van dagen komen in het huidige taalgebruik ook andere tijdsaanduidingen voor: 'Het grote dier schrikt en vlucht kermend weg, weg van de potige dame op het zonovergoten terras, wier beulswerk zal voortduren tot in lengte van jaren' (M. Kessels, De god met gouden ballen, 1996, p. 115).

Leuvense Bijbel (1548), Klaagliederen 5:20. Waer om vergheet ghy ons inder eewicheyt? Suldi ons verlaten in die lancheyt der daghen? (Statenvertaling (1637): soo langen tijt; en in Job 12:2, In de stock-oude is de wijsheyt; ende in de lanckheyt der dagen het verstant.)
'Ajax blijft tot in lengte van dagen kampioen van Nederland', sprak voorzitter Michael van Praag al meermalen dreigend in de richting van de concurrentie. (NRC, mei 1994)
Als de heersende opvatting toch zou zijn dat de walvisvangst ethisch onverantwoord is, dan dient de jacht tot in lengte van dagen verboden te worden. (NRC, juni 1994)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Lengte Vert. van Lat. longitúdo en Gr. μῆκος (mèkos), die in de omgangstaal en als vakterm dezelfde betekenissen hebben. Als astr. term werd dit woord door de Grieken ingevoerd, omdat de bedoelde grootheden gemeten werden langs de lengte van de dierenriem (κατὰ μῆκος τῶν ζῳδίων (kata mèkos toon zooidioon)), of van de aardaequator. De bijbehorende tweede grootheid voor de plaatsbepaling op hemel- of aardbol werd zeer voor de hand liggend πλάτος (platos) = breedte genoemd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lengte ‘langste afmeting’ -> Negerhollands lengte ‘langste afmeting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lengte* langste afmeting 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1360. Het moet uit de lengte of uit de breedte,

‘gezegd van reeds gedane of nog te verwachten uitgaven, waarvoor geld op de eene of andere wijze gevonden moet worden, bij vergelijking met een stuk stof, waarvan men iets moet afsnijden’; Ndl. Wdb. III, 1196. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij V. Moerk. 148: Evenwel vrienden so moet het vande langhte of vande briete komen; Doedyns, Merc. 2, 242: De winst moet'er tog uitgehaald werden, 't zy uit de breette of uit de lengte. Bij den Zuidnederl. schrijver Ogier, 164: 't Moet uyt de lengd' oft uyt de breede comenAangehaald in het Ndl. Wdb. III, 1191.. Zie Harreb. I, 88 b en voor het Nederlandsch Taalgids IV, 284; fri. as 't net ut de lingte ken, dan mat 't war ut de bridte; eng. it must be found in the broad or the long (Prick, 65); syn. 't Moet uit de zak of uit de band komen (op Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIV, 253; Harreb. I, 30.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal