Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leeftocht - (proviand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

leeftocht zn. ‘proviand’
Mnl. liftucht ‘levenslang vruchtgebruik’ [1204; Slicher van Bath], uan der gemenre liftucht ‘betreffende de gemeenschappelijke middelen tot levensonderhoud’ [1236; CG I], lijftocht ‘levenslang vruchtgebruik’ [1282; CG I], ‘middelen tot levensonderhoud’ [1285; CG II], leeftocht ‘id.’ [ca. 1440; MNW]; vnnl. lijftoghte, leeftoght(e), ‘middelen tot levensonderhoud; vruchtgebruik’ [1599; Kil.].
Samenstelling van → lijf in de Middelnederlandse betekenis ‘(het) leven’ en → tocht in de Middelnederlandse betekenis ‘vruchtgebruik’. Onder invloed van het werkwoord → leven ontstond de nevenvorm leeftocht. Beide vormen bleven in het Nieuwnederlands lang naast elkaar bestaan, maar elk met een eigen betekenis: lijftocht ‘levenslang vruchtgebruik’ was vrijwel synoniem met lijfrente en verouderde uiteindelijk. Leeftocht bleef bestaan in de concrete betekenis ‘middelen tot levensonderhoud, proviand’.
Het tweede lid tocht is een afleiding van een werkwoord dat ‘trekken’ betekent, zie → tijgen. Ook als simplex betekende mnl. tocht o.a. reeds ‘vruchtgebruik, bijv. door rente uit een kapitaal’, uit ‘het trekken van geld of profijt van iets’. In de samenstelling lijftocht, leeftocht ‘levenslang vruchtgebruik’ kunnen de betekenissen ‘levensonderhoud’ en ‘middelen tot levensonderhoud’ hier weer overdrachtelijk uit zijn ontstaan.
Mnd. līftucht ‘levensonderhoud, vruchtgebruik’; mhd. līpzuht ‘id.’ (nhd. Leibzucht). Naast mnl. leeftocht: mhd. lebezuht ‘levensonderhoud’ (nhd. vero. Lebzucht).
In een aantal andere Middelnederlandse woorden heeft -tocht een minder duidelijke inhoudelijke betekenis: (be)looftocht ‘belofte’, borchtocht ‘garantstelling’ (zie → borgtocht), (ghe)meentocht ‘gemeenschap’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leeftocht* [proviand] {liftucht 1204} naast lijftocht [levensonderhoud], gevormd van leven + tocht, vgl. voor de betekenis latijn aetatem ducere [zijn leven doorbrengen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leeftocht znw. m., mnl. leeftocht, zelden, naast het oudere lijftocht, gevormd van de stam van het ww. leven en tocht. — Vgl. voor derg. jongere samenstellingen: stijgbeugel en weegschaal. — Zie ook: lijftocht.

lijftocht znw. m., mnl. lijftocht v. ‘levensonderhoud, vruchtgebruik, weduwgiftʼ, mnd. līftucht ‘levensonderhoud, vruchtgebruik, weduwgiftʼ, mhd. līpzuht ‘levensonderhoud, weduwgiftʼ. — Samenstelling van lijf en tocht, abstr. van het germ. *teuhan ‘trekkenʼ (zie daarvoor: tocht). Voor de bet. is te vergelijken lat. aetatem ducere ‘zijn leven doorbrengenʼ. — Zie ook: leeftocht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† leeftocht znw. Samenst. van de stam van leven I + tocht, in het Mnl. nog zeldzaam naast het oudere lijftocht; op dezelfde wijze is stijgbeugel opgekomen naast het oudere bij stegel genoemde synoniem, en weegschaal, mnl. (zeldzaam) wēghescâle, weechscâle naast ouder wâghescâle v., nnl. waagschaal. Vgl. v.Lessen Samengest. Naamw. 89.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lijftocht m., Mnl. id. + Hgd. leibzucht: uit lijf = leven en tocht = leiding, van tien 2 (z.d.w.) = leiden: vergel. Ohd. lîbleita = levensonderhoud.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lijftocht (lijfrente), hierin is tocht afgeleid van tiegen = trekken, leiden (vgl. hertog) = doen gaan; dus is lijftocht: de gift om het leven te doen gaan, te onderhouden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leeftocht ‘proviand’ -> Duits dialect Leftocht ‘proviand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leeftocht* proviand 1204 [Slicher]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal