Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

leed - (smart; bn. onaangenaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

leed zn. ‘smart, verdriet, hartzeer’
Onl. leith ‘verdriet, smart’ [ca. 1100; Will.]; mnl. leet ‘letsel, verdriet, smart’ in sie vergaten ... des manicfalden ledis, die sie hatten geliden ‘ze vergaten de hevige smart die ze ondergaan hadden’ [1201-25; CG II], mijn leet dis ic geuule int herte binnen ‘mijn verdriet dat ik binnen in mijn hart voel’ [1265-70; CG II].
Zelfstandig gebruik van het bn. leed ‘onaangenaam’ (onl. leith [ca. 1100; Will.]; mnl. leit [1200; CG II], leet [1265-70; CG II]).
Os. lēth (mnd. lēt); ohd. leid (nhd. Leid zn.); ofri. lēth (nfri. leed); oe. lāþ (ne. loath bn. ‘afkerig’); on. leiþr bn. (nzw. led); alle bn. ‘onaangenaam, weerzinwekkend, gehaat’ en zn. o. ‘smart, verdriet, last, pijn e.d.’, tenzij anders aangegeven. Daarnaast bestond pgm. *laiþō-, waarbij: mnl. lede (v.) ‘vijandige gezindheid, haat’; ohd. leida ‘aanklacht’; on. leiða ‘afkeer’ (nzw. leda).
Verwant met: Grieks aleítēs, aloitós ‘boosdoener’; Oudiers liuss ‘weerzin, haat’; < pie. *h2leit- (IEW 672).
Leed (bn. en zn.) ‘onaangenaam; onaangename zaak’ is van oudsher het tegengestelde van lief (bn. en zn.) ‘aangenaam; aangename zaak’, zie → lief. Deze woorden kwamen vaak in combinatie met elkaar voor en de uitdrukking lief en leed herinnert daar nog aan. Van leed is alleen het zn. blijven bestaan; als bn. is het verouderd, behalve in de uitdrukking met lede ogen ‘met een gevoel van verdriet’. Zie ook de afleidingen → beledigen en → lelijk < leed-lijk.
Ontleend aan een Frankische vorm *laiþ is Oudfrans lait ‘onaangenaam, lelijk’ (Nieuwfrans laid).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

leed* [verdriet, schade] {leet, leit 1265-1270} is het zelfstandig gebruikte bn. leet, leit [onaangenaam, hatelijk, droevig], oudhoogduits leid, oudsaksisch leth, oudengels lað (engels loath), oudnoors leiðr (vgl. lelijk); verwant met lijden.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Leed

Het zelfstandig naamwoord leed: verdriet, smart, is afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord dat in het Middelnederlands leet geschreven werd en betekende: verdrietig, droevig, spijtig. Hooft zegt dat hij ‘de leyde lange tijt’ moet verdrijven als hij zijn liefste moet missen. Wij kennen nog de zegswijze: iets met lede ogen aanzien, waarvan spijtig de beste vertaling is. Ook bestaat nog de uitdrukking in geschreven taal: het is mij leed voor: het spijt mij en: tot mijn leedwezen voor: tot mijn spijt. In de woorden iemand leed doen zien wij de overgang van bijvoeglijk naamwoord naar zelfstandig naamwoord: leed is hier nog het eerste, maar wordt door ons gevoeld als het tweede. Bijvoeglijk is leed nog duidelijk in: een gedwongen eed is God leed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

leed 1 znw. o., mnl. leet, os. lēth ‘kwaad, zonde’, ohd. leid ‘leed, smart’, ofri. lēth ‘leed, overlast’, oe. lāð ‘kwaad, overlast, belediging’. Het znw. is het gesubstantiveerde bnw. leed 2.

leed 2 bnw. ‘verdrietig, onaangenaam’ (vgl. met lede ogen), mnl. leet ‘hatelijk, gehaat, onaangenaam, droevig’, os. lēth ‘gehaat, onaangenaam, droevig, boosaardig’, ohd. leid ‘gehaat, onaangenaam, droevig’, ofri. lēth ‘onaangenaam, droevig’, oe. lāð ‘hatelijk, boosaardig, onaangenaam’ (ne. loath), on. leiðr ‘gehaat, onaangenaam’. — Gevormd van de idg. wt. *leit (IEW 672), vgl. gr. aleítēs en aloïtós ‘misdadiger’, alitrós ‘slecht’, oiers liuss (< *littu) ‘afschuw’. — Uit het germ. waarschijnlijk uit het ofrank. stamt fra. laid ‘lelijk’. — Zie: leed 1 en lelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

leed znw. o., mnl. leet (d) o. = ohd. leid o. “leed, smart” (nhd. leid), os. lêth o. “kwaad, zonde”, ofri. lêth o. “leed, overlast”, ags. lâð o. “kwaad, overlast, beleediging”. Dit znw. is het neutrum van ’t bnw. mnl. leet (d) “hatelijk, gehaat, onaangenaam, droevig”, ohd. leid “gehaat, onaangenaam, droevig”, os. lêth “id., boosaardig”, ofri. lêth “onaangenaam, droevig”, ags. lâð “hatelijk, boosaardig, gehaat, onaangenaam” (eng. loath), on. leiðr “gehaat, onaangenaam”. Dit bnw. is nog over in nnl. met leede oogen; verder bestaat nog de afl. leelijk, mnl. lêlijc (voor den vorm vgl. kwalijk), ook nog leellijc, leedlijc, leetlijc “onaangenaam, kwetsend, schandelijk, leelijk”, = ohd. leidlîh “gehaat, afschuwelijk, slecht”, os. lêthlîk “boosaardig, afschuwelijk”, ofri. lêthlik “hatelijk, gemeen”, ags. lâðlîc “hatelijk, afschuwelijk, onaangenaam”. Met germ. *laiþa- kan lijden in ablaut staan. Zie aldaar. Uit het Germ. fr. laid “leelijk”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

leed. Het bnw. mnl. leet ook in mnl. leetwēsen o., nnl. † leedwezen znw. o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

leed 2 o. (pijn), is, ook reeds in de oudere Germ. talen, het onz. leed 1 zelfst. gebr.

leed 1 bijv.(onaangenaam), Mnl. leet. Os. lêth + Ohd. leid (Mhd. leit, Nhd. leid), Ags. láđ (Eng. loath), Ofri. léth, On. leiđr (Zw. en De. led): z. lijden. Van hier leelijk (z.d.w.). Van hier ook Fr. laid met de bet. van het afgeleide leelijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

leid (zn.) 1. verdriet 2. drukte, zorg; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) leij, Aajdnederlands leith <1100>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

leid, bn.: lelijk. Fr. laid < Franksch laiþ, D. leid, Ndl. leed.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

leed ■ Er zal me geen groter leed overkomen: dit vind ik helemaal niet erg. Zie ook: zullen.

— Is meneer Elie er nog niet, vraagt Josep Cohen, want om je de waarheid te zegge - je sprak daar zoëve van “bij krijge” - as ik niet gauw “bij” krijg, dan schroef ik mijn bak af en ga heen. Is dat hier een winkel. Een stinkel noem ik het! Een rotzoo....
Hou je een beetje in, zegt Salomon Augurkie, Elie’s jonge kan alles hore.
Die kan me ook zegge hoe laat het is. En zen hele miespagit (rommel) er bij. Er zal me geen groter leed over kommen dan hier te moeten afschroeven. (A.M. REENS, 1905)

verder geen leed: wens bij condoleantie na een sterfgeval, na begrafenis of rouwbezoek | < Jidd. weiter kaan laad.

— “Eur ies evenn,” zocht-ie, schijnbaar kalm vóór hem staand, “eur ies evenn... mien Fader die is nou olewesjolem, en ik geleuve well... ik geleuve well dat oe warrek hier nou is of-elopenn... as ik oe wass... as ik oe was dan zo’k maar hene goann... anders bi’k bange, dan bi’k bange as da’j oe nog meer met onze zaken, met onze huusselijke zaken bemujjen...” “Graag,” zei Joop kort en stond op. “Morgen za’k mien geld wel komen halen.” “A’j ’t nou willen hem, ku’j ’t nou kriegenn...” teemde Joede, “ie em ’t maar veur ’t zeggenn...” “Det hoeft niet,” zei Joop waarschuwend, “as ik ’t hebben wil, dan kan ‘k ’t wel kriegen, doar bin’k niks niet bange veur, heur Joede... aju Joede, varder geen leed!” (SAM. GOUDSMIT, 1907)
— Maar buiten de deur staat Zwaan, en is verlegen en durft niet binnenkomen, ook al omdat zij niet weet wat men hier hoort te zeggen. Zegt men “nog veel jaren”, of “ik feliciteer u”, of “verder geen leed?” Wie kan dat allemaal zo precies onthouden? (SANI VAN BUSSUM, 1929)
— In elke familie doet zich wel een gebeurtenis voor, die door haar aard tot verzoening noopt. Een bruiloft. Zegt de jongste tot de oudste der vijanden: ‘Feliciteer je met de bruiloft van je dochter. Laat ik maar de minste zijn. Per slot van rekening ben jij ouder dan ik.’ Of er is een begrafenis. Spreekt het vanzelf, dat de jongste als eerste in de rij de treurende vijanden gedurende de treurdagen opzoekt. ‘Verder geen leed, en laten we er maar een streep door halen.’ (MEYER SLUYSER, 1957)
— Brismiele en barmitswe, choppe en lewaje, joorzeit.
Tot honderdtwintig, Miriam.
Esther, verder geen leed. (ANDREAS BURNIER, 1993)

Zie ook in simches, verder alles goeds

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

[Nederlandse woorden in joodse omgeving]
leed in Joodse kringen gebruikt: verder geen leed; v. jidd.; wens na een sterfgeval in de familie.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

[Judaeo-Nederlands]
leed; verder geen leed in Joodse kringen gebruikt: wens na een sterfgeval in de familie.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lijden, Mnl. liden, bet. oorspr. gaan, waarvan leiden het causatief is. Voor lijden = gaan, vgl. verleden week: „vergangen” week; overlijden: overgaan in een anderen toestand; vgl. ’t Mnl.: „Als hij di borchbrugge (slotbrug) leed” (= ging, overging). Mogelijk is uit dit liden of lijden in de bet. van gaan ook het begrip ontstaan van: ondergaan, beleven, doorstaan, ondervinden (evenals ervaren = door varen of gaan verkrijgen), waarvan dan leed het z.n.w. zou zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

leed ‘(verouderd) een onaangename indruk makend, hatelijk’ -> Frans laid ‘lelijk’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

leed* verdriet, schade 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

388. Buurmans leed troost,

d.w.z. te weten, dat een ander ook leed heeft, verzacht eigen lijden. Deze meening vindt men reeds bij de klassieke schrijvers op verschillende plaatsen uitgedrukt. Vgl. Cicero, Tusc. Disput. III, c. 24, 58: Eorum, qui gravius ferunt, luctus aliorum exemplis leniuntur; zie verder Bebel, 237: Gaudium est miseris, socias habere poenarum; mnl. Esopet, 32, 13: Die merket op eens anders pine, te min vernoyet hem die sine; elders: Ghemeen oevel oft ghemeen ongeval dat rust wal; Goedthals, 28: Ghemeenen rauwe coelt wel, aux malheureux faict confort avoir compagnie en son sort; De Brune, 214: Een quaed ghemeen, dat is als gheen; 363: Geen troost zoo zoet, als datmen ziet, een ander in hetzelf' verdriet; hd. es ist armseligen ein Trost, ihres gleichen zu sehen; eng. company in distress makes the trouble the less.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal