Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lawaai - (hard, onaangenaam geluid, herrie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lawaai zn. ‘hard, onaangenaam geluid, herrie’
Nnl. gelawaij [1797; De Tollenaere 2005, 85], laweij ‘hard geluid’ [1803; Toll.], die daar zoo'n lawaai maakte [1827; WNT], met Joodsch lawaai [1839; De Tollenaere 2005, 86].
Wrsch. ontleend aan Jiddisch lewaje ‘begrafenis’, uit Hebreeuws ləwājā ‘id.’. Joodse begrafenissen gingen in de 18e eeuw gepaard met veel lawaai. De oudste drie bovengenoemde attestaties zijn van de Amsterdamse schrijver Arend Fokke; vanuit Amsterdam heeft het woord zich eerst in Holland en vervolgens in de NN standaardtaal verspreid. Er is geen enkel etymologisch verband met het veel oudere en uitsluitend in de Zuid-Nederlandse dialecten voorkomende synoniem → laweit, dat inmiddels tot het bovenregionale BN behoort.
De mogelijkheid dat lawaai is ontstaan uit laweit werd eerst geopperd door Salverda de Grave (1905) en is door de meeste latere etymologen overgenomen. De verschillen in vorm en geografische oorsprong van beide woorden kunnen zo echter niet verklaard worden. Een derde mogelijkheid, dat lawaai een afleiding zou zijn van het werkwoord → waaien met een zwakgeaccentueerd voorvoegsel la- (De Bont 1975), is zeer onwaarschijnlijk.
Lit.: J.J. Salverda de Grave (1905), in: Taal en Letteren 15, 25-29; A.P. de Bont (1975), ‘Lawaai’, in: R. Jansen-Sieben e.a. (red.), Spel van zinnen: album A. van Loey, Brussel, 29-32; F. de Tollenaere (2005), “Etymologica: twee woorden met een ‘onbekende’ etymologie, Lawaai en laweit”, in: TNTL 121, 83-90

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lawaai [herrie] {1803} vermoedelijk jongere vorm van laweit.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lawaai znw. o., eerst na Kiliaen, nnl. dial. ‘oproer van werkvolk’ (Sliedrecht), lavei ‘korf of takkenbos, die omhooggetrokken werd om aan de arbeiders in bos of veen de schafttijd aan te geven’ (N.-Brabant vgl. de plaatsnaam Laveibos bij Zundert), oostfri. lawei, lavei ‘het ophouden met werken, rusttijd, feestavond, lawaai’. Men kan hier denken aan laveien ‘grazend rondzwerven van schapen’ (waarvoor zie: laveren). Het is niet onwaarschijnlijk dat nnl. lawaai met deze woorden samenhangt, vgl. ook zuidnl. laweit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lawaai znw. o., nog niet bij Kil. Wsch. een — oorspr. dial.? — bijvorm van lavei (zie laveren). Daarop wijst: 1. de dial. bet. van lawaai “oproer van werkvolk” (Sliedrecht), 2. oostfri. lawei, naast lavei, met de bett. “het ophouden met werken, rusttijd, feestavond, schorsing van ’t werk, lawaai”. De afl. van lavei, lawaai uit fr. levée “lichting enz.” is wegens de bet. niet aannemelijk. Veeleer is ’t znw. van ’t ww. laveien gevormd: de ruime bet.-sfeer laat zich daardoor verklaren, dat de bet. “over straat zwaaien” voor uitbreiding zeer vatbaar is, terwijl de vorm licht onomatopoëtisch gevoeld kon worden. Op dit laatste wijzen ook de bijvormen Kil. lavuyt, lauweyt met de bett. “scherts” e.dgl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lawaai (r. 2). In pl. v. “Wsch.” lees: “Misschien”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lawaai o., oorspr. onzeker, wellicht bijvorm van lavei.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lewej (zn.) lawaai; Nuinederlands laweij <1803> < Jiddisch lewaje.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1lawaai s.nw.
Onaangename, wanklinkende geluid wat aanhoudend of by herhaling voorkom.
Uit Ndl. lawaai (1803), wsk. 'n jonger vorm van Ndl. laweit (1574 in die vorm lauweyt). Lawaai word slegs in N.Nederland gebruik, terwyl laweit in S.Nederland gangbaar is. Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lawaai: drukte, geraas, rumoer; eers sedert Nnl. en dan veral NNdl. lawaai, SNdl. laweit en Pd. lawei/lavei, v. onbek. herk. Hoe en wanneer het dit Afr. bereik?

Thematische woordenboeken

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Lawaai
In het Joodsch is lewai (לְוַי), lewaai (לְוַאי), een tusschenwerpsel, dat bij wenschen gebruikt wordt en den zin heeft van het Latijnsche utinam, ach, dat toch. De Joden hadden het dikwijls in den mond als zij onder elkander met hunne gewone levendigheid en luidruchtigheid spraken; van daar onze spreekwijzen: er is groot lawaai, hij maakt veel lawaai enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lawaai ‘herrie’ -> Duits dialect Lawaai, Lawei, Lawäi, Lavey ‘herrie, spektakel om niets; pauze van dijkwerkers; staking van dijkmedewerkers; vrije avond’; Papiaments lawai ‘herrie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lawaai herrie 1803 [WNT] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1117. Keet.

In eigenlijken zin verstaat men onder een keet een loods, een hut van polderwerkersPropria Cures, XXVI, 171: Zoo is er in Utrecht een heele herrie in de hut., waar het nu niet zoo bijzonder ordelijk uitziet; vandaar de beteekenis troep, warboel, rommel, herrie, pan, lawaai, die het woord thans veelal heeft; in Zuid-Nederland verstaat men er ook een ellendig huis, een krot onder; vgl. Teirl. II, 122: keete, ellendig huis; De Bo, 507: keete, gering huis, slechte woning, huis van ontucht. - V. Schothorst, 151: et was en keet, 't was een herrie; Van Ginneken, Handb. I, 490; Nkr. VI, 14 Sept. p. 2: Van de S.D.A.P. en haar geheimen gesproken, zei toen m'n zwager, dat zal een keet worden op dien rooden Dinsdag; Köster Hencke, 31: keet, herrie, drukte, janboel; ook menigte: wat een keet gajes (volk); evenzoo in Jord. 60: kinderkeet; in Ppl. 217: 'n Heele keet knechte; bl. 9: Vandaag lijkt de heele keet wel vervloekt; Nkr. III, 18 April p. 4: Veel herrie was er in de keet, wat juichten onze kranten; 5 Sept. p. 4: Maak nu geen herrie in de keet, zoek liever arbitrage; De Arbeid, 30 Mei 1914, p. 4 k. 1: Het wordt anders een keet met al die verordeningen. Ook als bepaling van maat in Ppl. 4: Ik voel me nou 'n heele keet (vgl. een heele boel, een heele rommel) beter. Uit deze beteekenis rommel, herrie heeft zich die van lawaai, drukte, pret ontwikkeld, evenals bij herrie (oorspr. herberg? zie no. 902), het Vlaamsche kot, houten huisje, maar ook leven, gedruisch: Een kot houden (van al duivels), er geweldig huishouden. - Was dat daar een kot! (De Bo, 563; Schuermans, 283; Teirl. II, 176, enz.), en het Gron. kantoor in kantoor moaken, schuppen, leven, alarm, gedruisch, twist (Molema, 191). Ook ‘pan’ vereenigt, evenals keet, de beteekenis menigte en herrie, lawaaiBijvorm van lavei van 't ww. laveien, over straat zwaaien (Franck-v. Wijk, 373). in zich. In den zin van herrie, drukte komt keet voor in verbinding met de ww. fokken, maken, schoppen en trappen; waaarnaast ook keetjes (grapjes) maken en een wkw. keten wordt aangetroffen; zie Van Ginneken, Handb. I, 492; Weekbl. voor Gymn. en Middelb. Onderwijs VIII, 1326; IX, 420-421; 423; syn. is deining fokken en berzie makenBerzie (ook birzie) heeft ook de beide beteekenissen ongeordende troep en drukte, herrie. Voor de afleiding (vgl. nd. birsen, het onrustig heen en weer loopen van het vee) zie Ndl. Wdb. II, 1938 en vgl. Tijdschrift, XXXVII, 64: berzieboel en wanberzieboel..(Aanv.) In de 17de eeuw is keet in den zin van huis, woning reeds bekend in de uitdr. iemand de keet uitboenen (Winschooten, 103). Zie verder Ndl. Wdb. VII, 2017.

1372. Een leven (drukte of lawaai) als een oordeel,

d.w.z. een verschrikkelijk leven, een helsch lawaai; ook genoemd een leven van de andere wereld (o.a. Nest, 105); een heidensch, een Spaansch leven, een leven van den drommel, den duivel (Tuinman I, 289; II, 168; Halma, 184). Waarschijnlijk moet men er onder verstaan een leven zooals het op den jongsten dag, op den dag des oordeels, zal zijn; Ndl. Wdb. XI, 88-89; VIII, 1744; V. Schothorst, 166; De Amsterdammer, 20 Juli 1913, p. 1 k. 2: Een lawaai als op een oordeelsdag. De uitdr. komt in de 18de eeuw voor bij Van Effen, Spect. V, 206; VII, 24 en Halma, 312. Vgl. ook Tuerlinckx, 358: lawait lak in hel, in oordiel; De Bo, 241: doemdag houden, groot laweit maken, groot gedruisch maken; Schuerm. Bijv. 218 a: wat is dat hier toch een oordeel, wat is dat hier toch een lawaai! In Antw. een leven gelijk een oordeel of in 't laatste oordeel; Land v. Waas: een laweit van de duvels, van den anderen wereld; Teirl. II, 210: een leven van al de duvels. In de Zandstreek zegt men hij maakt een leven als een naslag (= het tweede of laatste slaan van het zaad; Boekenoogen, 658). In B.B. 80: Een leven als de Joden bij 't verwoesten van Jerusalem. Vgl. fr. un tapage d'enfer.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal