Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

latrine - (provisorisch toilet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

latrine zn. ‘provisorisch toilet’
Vnnl. latrine ‘waterbekken’ in xj loveren op die latrinen ‘11 bladeren (gebeeldhouwd) op de waterbekkens’ [1528; WNT Aanv.], ‘toilet’ in alle die ghiene, die hoir onrenlickheyt tot noch toe in vaetkens hebben gedaen, sullen behoirlijcken latrynen maeken ‘al degenen die hun vuiligheid tot nu toe in tonnetjes hebben gedeponeerd, moeten behoorlijke toiletten maken’ [1532-37; MNW]; nnl. latrine “het heimelijk gemak, secreet, de beste kamer” [1847; Kramers].
Ontleend aan Frans (voornamelijk mv.) latrines ‘toilet in legerkamp’ [1437; Rey], latrine (ev.) [1606; Rey], dat op zijn beurt ontleend is aan Latijn lātrīna ‘badkamer, toilet, riool’, samentrekking van lavātrīna, gevormd bij het werkwoord lavāre ‘baden, (zich) wassen’ met het achtervoegsel -trina dat een werkplaats aanduidt. In de vroegst geattesteerde, inmiddels verouderde betekenis ‘waterbekken’ is het woord wellicht rechtstreeks aan het Latijn ontleend.
In het Latijn had latrīna de betekenis ‘badkamer’, die ook verhullend gebruikt werd voor ‘toilet’, een ruimte die geïnspireerd was op de Romeinse openbare badhuizen (Rey). Kloosters waren van oudsher al voorzien van uitgebreide latrines; naderhand werden latrines ook toegepast in de woningbouw (Haslinghuis 2001). Met de opkomst van het watercloset, zie → wc, raakte de latrine uit de gratie. Daarom verwijst latrine tegenwoordig meestal alleen naar een provisorisch ingericht toilet, bijv. een gat in de grond.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

latrine [buitenshuis toilet] {1875} < frans latrines (mv.) [idem] < latijn latrina, samengetrokken uit lavatrina [bad-, toiletgelegenheid, wc], van lavare (verl. deelw. lavatum) [zich baden, wassen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

latrine znw. v. ‘privaat in kampement’ < fra. latrine(s) < lat. latrina ‘bad; privaat, riool’ van lavāre ‘wassen’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

latrine: gemakshuisie, privaat; Ndl. latrine (blb. betr. laat) uit Fr. latrine uit Lat. latrina, “bad”, hou verb. m. ww. lavāre, “was”; v. ook priewie, sekreet.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

latrine rumor (Amerikaans-Engels latrine rumor)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

latrine buitenshuis toilet 1875 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal