Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lantaarn - (verlichtingstoestel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lantaarn zn. ‘verlichtingstoestel’
Mnl. lanterne ‘lantaarn, lamp’ [1240; Bern.], lantarne ‘id.’ [1285; CG I], licht als ene lantaerne [1300-50; MNW-R], ne ... tortise of lanteerne ‘geen toorts of lantaarn’ [1328-50; Rijmkroniek], lantaren [1458; MNW-P].
Ontleend aan Frans lanterne ‘lantaarn, lamp’ [1080; Rey], in Noord-Franse dialecten ook lantarne, ontwikkeld uit Latijn lanterna ‘id.’, met assimilatie van mpt > nt ontleend aan Grieks lamptḗr ‘vuurbekken, fakkel’, een afleiding van lámpein ‘stralen, schijnen, branden’, zie → lamp. In het Nederlands vond rekking en verandering van -e- voor -r- + dentaal plaats, zoals in → haard. Na wegval van de slot-e kon tussen de -r- en de -n een svarabhaktivocaal ontstaan, die ook in het schrift is blijven bestaan: zowel lantaarn als lantaren zijn officieel toegestane spellingen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lantaarn [verlichtingstoestel] {la(n)terne, latte(e)rne [lantaarn, kaars] 1201-1250} < frans lanterne < latijn la(n)terna [lantaarn, lamp] < grieks lamptèr [vuurbekken, fakkel, lantaarn], van lampein [glanzen, stralen, schijnen] (vgl. lamp).

lante [olielampje] {lampte, lampde 1265-1270} door gedeeltelijke assimilatie en syncope < lampe (vgl. lamp).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lantaren znw. v., mnl. lanterne, lanteerne, lantaerne < fra. lanterne of lat. lanterna < gr. lamptḗr. Daarnaast staat mnl. laterne, latterne, mhd. laterne < lat. laterna.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lantaren znw., dial. met ē, mnl. lanterne, lanteerne, lantaerne v. Evenals mhd. lantërne v. uit fr. lanterne of lat. lanterna “lantaren” (< gr. lamptḗr). Van den vorm laterna komen mnl. lat(t)erne, mhd. latërne (nhd. laterne) v. “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lantaarn v., Mnl. lanterne, uit Fr. id., van Lat. lanternam (-a), met bijvorm laterna, vervormd uit lampterna, naar het Gr. lamptḗr = licht, van denz. wortel als lampás = lamp (z.d.w.). - In de uitdr. van de lantaarn geven heeft men een volksetym. vervorming van Fr. (courir) ventre à terre = in gestrekten galop (d.i. met den buik tegen den grond) rennen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

lanten, lamten, zn.: lantaarn. Door ass. rn > n uit lanteern. Lamten door contaminatie met Mnl. lampte, lampde ‘lamp, kaars, licht’ < Mlat. lampada < Lat. lampas, lampadis ‘licht, fakkel’ < Gr. lampas < lampein ‘stralen, schijnen’. Uit lampte ook Wvl. lante ‘lamp’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

lantaarn, van de uitdr.: heel snel. Zie vantraterre.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

lante (G), zn. v.: lamp. Ook Brugs en Kortrijks (vero.). Mnl. lampte, lampde 'lamp, kaars, licht', Vnnl. lampte oft lichtvat 'lampe ou luminaire' (Lambrecht). Uit Mlat. lampada < Lat. lampas, lampadis 'licht, fakkel' < Gr. lampas < lampein 'stralen, schijnen'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lantern s.nw.
Draagbare toestel met deurskynende wande waarin 'n ligbron teen die elemente beskerm word.
Uit Ndl. lantaren, lantaarn (Mnl. lanterne).
Mnl. lanterne uit Fr. lanterne.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

lante (B, K, DB), zn. v.: olielamp, lamp. Mnl. lampte, lampde ‘lamp, kaars, licht’ < Mlat. lampada < Lat. lampas, lampadis ‘licht, fakkel’ < Gr. lampas < lampein ‘stralen, schijnen’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lantern: ligtoestel; Ndl. lantaren/lantaarn (Mnl. lant(a)erne), Fr. lanterne, Lat. lanterna, Gr. lamptêr, “lamp”, lampein, “lig gee”, naas Mnl. lat(t)erne en Lat. laterna (vgl. ook Lat. lucerna), vgl. Kloe HGA 100-1.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Lantern snw. Daarnaas dikwels, met in plaas van –ǝn die suffiks –ing, lantering. – V.d. Sch. t.d. Weichsel I, 218: lantaring (Den Haag).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lantaarn (Frans lanterne)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

lantaarntje In de betekenis ‘borrel’ in 1881 voor het eerst gesignaleerd, in Gent. Het is gevonden in de vormen lanteernke, lantirreke en lantje (een samentrekking). Mogelijk is lantaarntje ontstaan als variant op de Gentse borrelnaam lampje. Misschien is ook de uitdrukking hij heeft eene Schiedammer lantaarn in den kop voor ‘hij is dronken’ van invloed geweest. Deze uitdrukking dateert uit 1870. In de eerste helft van deze eeuw zei men in Gent de lantirrekes zijn uit voor ‘de glazen staan leeg’. Ook recentelijk is de borrelnaam lantaarntje nog in Vlaanderen gehoord.
Vergelijk lampion.

[Harrebomée 3:lxxxix; Herroem 6; Liev.-Coopm. 762; Mullebrouck 335; NZ 4:100]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lantaarn, uit ’t Fr. lanterne, van ’t Lat. laterna, eig. lampterna, naar ’t Gr. lamptèr = licht; zie Lamp.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lantaarn ‘verlichtingstoestel’ -> Boeginees lantêra ‘verlichtingstoestel’ (uit Nederlands of Portugees); Keiëes lanter ‘verlichtingstoestel’; Makassaars lantêra ‘verlichtingstoestel’ (uit Nederlands of Portugees); Sasaks lĕnterang ‘verlichtingstoestel’; Soendanees lantera ‘verlichtingstoestel’ (uit Nederlands of Portugees); Singalees lantäruma ‘verlichtingstoestel’ (uit Nederlands of Portugees); Negerhollands lantern ‘verlichtingstoestel’; Sranantongo lanteri ‘verlichtingstoestel’; Arowaks aléti ‘verlichtingstoestel’; Karaïbisch lanteli ‘verlichtingstoestel’ <via Sranantongo>; Sarnami lanteri ‘stormlamp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lantaarn verlichtingstoestel 1240 [Bern.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1332. Een groote lantaarn zonder licht.

Hiermede wordt wel eens aangeduid iemand met een groot hoofd, of ook van eene forsche gestalte, maar zonder veel verstand (De Brune, 313: een groote kop, en kleyn verstand); in Zuid-Nederland: niet bezitten hetgeen men uitstalt, dus wat wij wel eens noemen een groote parade en een klein garnizoen; fri. in greate parade en lyts garnisoen. Zie Sartorius I, 1, 56: Een groote lanteerne sonder licht: de longis et ineptis hominibus dicitur; III, 5, 18: caput vacuum cerebro, een schoon Monstrancy sonder Heylighdom, de his qui corporis specie praecellunt, ingenio carentes. Vgl. ook Sinnep. 23; Smetius, 88; V. Moerk. 349; Brederoo, 3, 85: Siet den verwaanden geck, siet daer den holle Ton, een Lantaarn sonder Licht; Tuinman I, 257; Halma, 302: Eene groote lantaarn zonder ligt, grosse tête avec peu de sens, une grosse balourde, un gros falot; Sewel, 437; Harreb. II, 9 b; Ndl. Wdb. VIII, 1080; Joos, 87; 148; De Bo, 652 a: een kleen luchtje in een groote lanteern of eene groote lanteern met een kleen luchtje, van iemand die er uiterlijk sterk uitziet doch zwak is; en ook in onze beteekenis; Teirl. II, 200: 'T es ne grooten lanteeren en een klai' lucht, het is een pochhans; fri.: in lantearne sonder ljocht, iemand die een ander in 't licht staat; ook: eene ledige flesch (Fri. Wdb. II, 109 b); Villiers, 71; Breuls, 93; vgl. ook Wander II, 1804: grosze Laternen, kleine Lichter.

1333. Met een lantaarntje zoeken,

d.w.z. zeer nauwkeurig zoeken, iets zoeken, dat niet gemakkelijk is te vinden; eig. overal in alle hoekjes en gaatjes het licht der lantaarn laten schijnen om het gezochte te vinden. Vooral gebezigd van iemand (of iets), die zeldzaam is, door zijne goede eigenschappen en dus niet gemakkelijk wordt aangetroffen. De uitdrukking kan ontleend zijn aan den Bijbel (nl. Zephanja, I, 12: ‘Ick sal Jerusalem met lanteernenBeter is de lezing lampen, daar de Israëlieten geen lantaarns kenden. De Leidsche bijbelvertaling heeft: met een licht. doorsoecken (kantt. met groote neersticheit)’, doch het is volstrekt niet noodzakelijk bij zulk eene algemeene gewoonte aan ontleening te denken.Dus ook niet aan de geschiedenis van Diogenes, zooals men wel eens meent. Vgl. Bank. II, 362: Al zoecken ze met lanterns, zy en konnen 't niet ontmoeten; Kluchtspel III, 17: Men kan nu qualyk 'en goet knecht vinden, al zocht men ze met 'en lantaren; Tuinman I, 234: Men zal dat noch met lantaarnen zoeken. Dit zegt men van iets, dat nu wel weinig geacht is, maar noch in een groote waardy staat te geraken, en nauwkeurig nagespeurt te worden; Harreb. II, 9; Zondagsbl. v.h. Volk, 1906, p. 21: Zeg jij tegen den minister dat een zeewaardige bom met een lantaarn te zoeken is; De Arbeid, 20 Mei 1914, p. 1 k. 4: Als men zoo ‘Het Volk’ las, dan was het alsof de Fransche syndikalisten met een lantaarntje waren te zoeken. Syn. is de 17de-eeuwsche zegswijze iets bij de kaars zoeken (Vondel, Amsteldams Wellekomst aen Fred. Henrick, vs. 133); hd. etwas mit Laternen suchen (Wander II, 1805).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal