Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

langwerpig - (lang van vorm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

langwerpig bn. ‘lang van vorm’
Mnl. langwerpelt, lancwarpelt, ‘lang van vorm’ in dat scarp daerof was lancwarpelt ront ‘de punt daarvan was langwerpig en afgerond’ [ca. 1450; MNW], die tonghe is ... dun en langwerpelt ‘de tong is dun en langwerpig’, so ist hert ... langwerpelt ende ront ‘aldus is het hart langwerpig rond’ [beide 1485; MNW]; vnnl. lanckworpich ‘rechthoekig maar niet vierkant’ [1585; Stevin], ook nog de vormen langwerpt [1600; WNT] en langworpt [1629; WNT], dan langwerpig [1643; WNT].
Afgeleid met → -ig van → lang en de stam van → werpen. Dit achtervoegsel kwam in de plaats van de niet meer begrepen uitgang van het oudere woord langwerpelt.
Mnd. lankworpel; me. longe warpid ‘langwerpig rond’.
Verdere etymologie onduidelijk. De uitgang -elt doet denken aan die van een verl.deelw. van *werpelen, waarvan echter geen attestaties bekend zijn. Het semantische verband met werpen is eveneens onduidelijk, want ook Middelnederlands werpen ‘gooien’ heeft geen betekenis of betekenisnuance die men duidelijk met langwerpelt in verband kan brengen. Een betekeniselement van mnl. langwerpelt en vnnl. langwerpig is naast langgerektheid vaak ook rondheid, iets wat ook geldt voor het Middelengelse equivalent longe warpid, dat daarom kan worden verklaard uit de onovergankelijke betekenis ‘krommen’ van Middelengels warpen (Nieuwengels warp). Dat zo'n betekenis bij werpen geheel ontbreekt, is volgens Logeman (1925) geen bezwaar tegen de etymologie langwerpig = “lang-rondig”.
Van Lessen (1928) gaat niet uit van het werkwoord werpen, maar van het Middelnederlandse zn. werp(e) (ook o.a. Middelnederduits en Middelengels warp) ‘schering’, waarbij langwerpig dus oorspr. ‘met een lange schering’, dus ‘langer dan breed’ heeft betekend. Er is echter geen enkel voorbeeld bekend van een toepassing van langwerpelt op weefsels (FvWS) en ook de uitgang -elt, Middelnederduits -el, blijft dan volstrekt onverklaard. Verband met mnl. werpel ‘dobbelsteen’ (MNW) is af te wijzen op grond van het betekeniselement ‘rondheid’ van langwerpelt.
Verband met ohd. hwerbal ‘rond’ (zie → wervel) (MNW) is om fonologische en morfologische redenen onaannemelijk.
Lit.: S. Stevin (1585), Dialectike ofte Bewysconst, Antwerpen, 152; H. Logeman (1925), ‘The semasiology of some verbs of motion and the etymology of Dutch langwerpig’, in: LB 17, 1-16 en 45-64; J.H. van Lessen (1928), Samengestelde Naamwoorden in het Nederlandsch, Groningen/Den Haag, 143-146

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

langwerpig* [meer lang dan breed] {langhworpigh 1588, vgl. lancwerpel(t), lancwarpel(t) 1450} middelnederduits lankworpel; etymologie onzeker, het eerste lid is lang, het tweede is mogelijk middelnederlands hem werpen [zich werpen, zich slingeren, zich overgeven aan], ofwel middelnederlands werp, warpe, worpe [kettinggaren].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Langwerpig

Het lijdt geen twijfel of we hebben hier te maken met een samenstelling van het woord lang en het werkwoord werpen. Daarop wijzen ook de andere vormen, die van het woord voorkomen: langwerpend, langwerpt en het in de Zaanstreek nog gebruikelijke langworpig. Men zal dus moeten denken aan een oorspronkelijke betekenis: zodanig als bij een worp in de lengte ontstaat, lang uitgeworpen of iets in die geest.

Langwerpig wil zeggen: aanmerkelijk meer lang dan breed. Een rechthoek zou men een langwerpig vierkant, een ellips een langwerpige cirkel kunnen noemen.

Merkwaardig is dat Betje Wolff en Aagje Deken – en zij alléén – langwerpig bezigen voor: langademig, vervelend. Zij spreken van een langwerpige preek en noemen Leiden ‘een doodsche, langwerpige stad’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

langwerpig bnw., Kiliaen langhworpigh, voor mnl. lancwerpel, lancwarpel, ook langwerpelt enz., mnd. lankworpel. — Het 2de lid hangt natuurlijk met werpen samen, maar de vorming van het woord is onduidelijk.

De mnl. vormen zijn samenstellingen met het suffix -ala, die een neiging tot iets uitdrukken; dus ongeveer ‘met de neiging zich in de lengte te werpen’. Logeman LB 17, 1925, 1-16 wil daartoe uitgaan van een intrans. ww. werpen, dat echter onbekend is. — De verklaring van v. Lessen, Samengest. Naamw. 143 vlgg. gaat uit van het znw. mnl. werp, werpe, warp o. v., mnd. warp, oe. wearp ‘schering’, waarvan zij oe. longwyrpe ‘langwerpig’ wil afleiden en nu ook een nl. langwerpe als uitgangspunt aanneemt, terwijl ouder nnl. langwerpt, ne. longwarped als een participiale vorming beschouwd worden. Tegen deze opvatting bestaan verschillende bezwaren, waarvoor zie vHaeringen Suppl. 97: de vooronderstelde bet. ‘met lange schering’, dwz. ‘met langer schering dan inslag’ is nergens overgeleverd en verder is een nominale afl. met het suffix -el ongewoon, hoewel niet onmogelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

langwerpig bnw. Kil. langhworpigh, met suffixsubstitutie voor mnl. lancwerpelt, lancwarpelt, lancworpelt (d). Vgl. mnd. lankworpel “langwerpig”. Het tweede lid is van den stam van werpen gevormd: naar wat voor analogieën het woord echter ontstaan is, is duister.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

langwerpig. De verklaring van Logeman Leuv. Bijdr. 17, 1 vlgg. en 45 vlgg., die het woord laat gevormd zijn van een intr. werpen, bevredigt niet, omdat zulk een intr. bet. van het ww. niet uit het Ndl. bekend is. — Zeer goed wordt de bet. verklaard door v.Lessen Samengest. Naamw. 143 vlgg., die uitgaat van mnl. werp(e), warp o. v., ohd. warf m., mnd. warp, ags. wearp (m.?, eng. warp) ‘schering’. Bij dit znw. zou dan ags. longwyrpe ‘langwerpig’ een -ja-afl. zijn = mnl. *lancwerpe, een mogelijk prototype van langwerpig, terwijl eng. longwarped, ouder-nnl. langwerpt een participiale vorming kunnen voorstellen, waaruit wellicht ouder-nnl. langwerpend is vervormd. De oudste toepassing moet dan op weefsels geweest zijn: ‘met lange(r) schering (dan inslag)’. Er is echter geen voorbeeld van zulk een toepassing bekend, wat een ernstig bezwaar vormt tegen de verklaring. Verder zijn de mnl. vormen op -elt, mnd. -el, bevreemdend bij nominale afll.; ze kunnen bezwaarlijk als vervormingen van *lancwerpede worden opgevat. Zo blijft de verklaring onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

langwerpig bijv., een uitbreiding met -ig van *langwerpe = langwerpig + Ags. langwyrpe: saamgest. met een verbaal adj. (*warpi-) van werpen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Langwerpig, een afl. van lang en werpen: lang van worp, waarin werpen bet.: een vorm aannemen of geven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

langwerpig ‘meer lang dan breed’ -> Duits dialect lankwarpich ‘saai, langdradig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

langwerpig* meer lang dan breed 1585 [Stevin, Dialectike ofte bewysconst]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal