Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lamprei - (vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lamprei 1 zn. ‘vissoort: prik, negenoog (Petromyzon)’
Onl. lampreyde [ca. 1100; Will.]; mnl. lampreide [1224-27; CG I]; vnnl. lampreye [1514; MNW].
Ontleend aan middeleeuws Latijn lampreda [993-1048; Niermeyer], wellicht gevormd uit Laatlatijn lampetra [4e-5e eeuw; Rey], letterlijk ‘rotszuiger’, uit klassiek Latijn lambere ‘likken, zuigen’, verwant met → lepel, en petra ‘rots’, van Grieks pétrā ‘id.’, zie → petroleum; de benaming zou zijn oorsprong vinden in het feit dat de vis zich met zijn brede bek aan de rotsen vastzuigt. Een andere verklaring is dat Latijn lampreda door volksetymologische invloed van lambere ‘likken, zuigen’ is ontstaan uit Laatlatijn naupreda, nauprida ‘lamprei’, dat misschien ontleend is uit het Gallisch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lamprei2 [vis] {oudnederlands lampreithe ca. 1100, middelnederlands lamp(e)reide, lampereie 1201-1250} < oudfrans lampreie < middeleeuws latijn lampreda, lamproia, lamprea, een vermenging van latijn naupreda, waarschijnlijk uit het gallisch + lambere [likken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lamprei 2 znw. v. ‘vissoort’, mnl. lampreide, lampreye, evenals mnd. lamprede, lampreide, ohd. lampreda, lampreta, lamphrida, lantfrida (nhd. lamprete), oe. lamprede (ne. lamprey) < gallo-rom. lampreda (sedert de 8ste eeuw bekend). Daaruit ontstond mlat. lampetra, mogelijk door volksetymologie naar lat. lambo ‘likken’ en petra ‘steen’, wegens het feit, dat de vis met zijn zuignapbek zich aan de stenen op de zeebodem vastzuigt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lamprei II (visch), mnl. lampreide, lampreye v. Dit woord en ohd. lamprêda, -ta, lamphrîda, lantfrîda (nhd. lamprete), mnd. lampréde, lampreide, ags. lamprêde v. eng. lamprey “lamprei” zijn in verschillende perioden ontleend uit het rom. woord, dat in ʼt Lat. lamprêta, in ʼt Fr. lamproie luidt. De oudste germ. vorm is ags. lempedu v. “lamprei”, dat op een rom. vorm van *lampetra kan teruggaan, dat men voor den oudsten vorm van ʼt woord houdt (“lik-steen”, van den stam van lambere +petra).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lamprei II (vis). Mlat. lampetra kan zonder * worden vermeld; het komt later voor dan lamprêda en het verband met lambere + petra zal wel secundair zijn gelegd. Oudere vormen zijn nauprêda, nauprîda, die de herkomst van het woord geheel onzeker maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lamprei 2 v. (visch), gelijk Eng. lamprey, uit Fr. lamproie, dat met Hgd. lamprete, van Mlat. lampretam (-a) = steenlikker (Lat. lambere = likken, petra = steen).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lamprei (Latijn lampreta)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lamprei ‘kaakloze vis’ ->? Zweeds anprejare ‘kaakloze vis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lamprei kaakloze vis 1100 [Willeram] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal