Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lam - (zn.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lam 1 zn. ‘jong van een schaap’
Onl. *lamb- ‘schapenjong, geitenjong’ [8e eeuw; LS], wrsch. in de plaatsnaam lampanesse ‘Lampernisse (West-Vlaanderen)’ [857; Gysseling 1960], met als tweede lid nes ‘(in rivier) uitspringende landtong’; mnl. lamp ‘lam’ [1240; Bern.], in de 13e eeuw overwegend lam [1285; CG II].
Os. lamb (mnd. lam); ohd. lamb (nhd. Lamm); ofri. lam(b) (nfri. laam); oe. lomb, lamb (ne. lamb); on. lamb (nzw. lamm); alle ‘lam’; got. lamb ‘schaap’; < pgm. *lamb-. Ontleend aan het pgm. is Fins lammas (genitief lampaan) ‘schaap’.
Buiten het Germaans zijn er geen verwante woorden. De verdere etymologie is dan ook onzeker. Pogingen het woord te verklaren uit pie. *h1e/ol- ‘hertachtige’ (zie → eland) zijn zowel fonologisch als semantisch onbevredigend, evenals verband met Lets luōps ‘vee’ en Albanees lopë ‘koe’. Reeds NEW vermoedt daarom herkomst uit een Noord-Europese substraattaal.
lammetjespap zn. ‘bloempap’. Nnl. lammertjespap ‘id.’ [1717; Marin NF]. Samenstelling van het verkleinwoord van lam met → pap, maar de reden achter deze vorming is onbekend. Mogelijk verwijst het woord naar de textuur van de pap, die doet denken aan zachte witte vacht van een lam, in contrast met de grovere en grauwere tarwebloem. Ook kan het verband houden met een van de doelgroep van lammetjespap, namelijk kleine en/of zieke kinderen.
Lit.: N. van der Sijs (2007), ‘Etymologie in uitvoering; lammetjespap’, in: OT 76, 270-271

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lam1* [jong van een schaap] {lam(b) 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits, oudnoors, gotisch lamb, oudengels lomb.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lam 1 znw. o., mnl. lam, dial. lamp, os. ohd. lamb, oe. lomb, on. lamb ‘lam’, got. lamb o. ‘lam, schaap’. Germ. grondvorm is *lambaz, lambiz, dus oude es-os stam.

Men pleegt te vergelijken gr. élaphos (< *elṇbho) ‘hert’ (zo reeds Hirt, Ablaut 122), verder osl. jelenǐ, lit. elnis, kymr. elain, die men dan terugvoert op een idg. wt. *el ‘bruin’ (vgl. els, olm en het onder eland genoemde germ. *elχa). Deze bet. past echter voor lam slecht. — Daarom vergelijkt Mikkola BB 21, 1896, 219 lett. lōps (< *lampas) ‘vee’ en alb. ľopë v. ‘koe’. Ook dit bevredigt niet. — De naam van dit huisdier zou wel uit een substraattaal kunnen stammen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lam I znw. o., mnl. lam (mm), dial. lamp (lamb-) o. = ohd. lamb (nhd. lamm), os. lamb, ags. lomb (eng. lamb), on. lamb o. “lam”, got. lamb o. “lam, schaap”, ook Lex Salica lammi “lam”. De germ. stam was *lamƀaz-, -iz-, waarnaast *lamƀa. -ƀaz- kan een verlenging — onder invloed van kalf? — van -ƀa-, idg. -bho- zijn, waarmee diernamen gevormd werden. Minder aannemelijk is de combinatie van lam met lett. lůps “rundvee, vee”. De afl. van de bij eland besproken basis, waarbij men uitgaat van een grondvorm *l-on-bho- met de bet. “klein hoorndier” is vernuftig en zeer aanlokkelijk; vergeleken worden dan voor de formatie lat. palumbês “houtduif”, columba, -us “duif” en vooral gr. élaphos “hert”, dat met lam zou ablauten: *el-ṇ-bho-. Zonder -bho- gael. lon “eland”, met ô opr. lonix “stier”, lit. lónė, ksl. lani “hinde”. Uit ʼt Germ. finsch lammas “schaap”. Voor een ander germ. woord voor “lam” zie bij ooi.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lam I znw. Fins lammas bewaart in de flexie (gen. lampahan < *lampazen) nog sporen van de germ. s-stam.
De zeer hypothetische constructies van Petersson Idg. Heterokl. 22 vlg., die èn lett. luõps ‘vee, dier’ èn germ. *lamba-, verder ook alb. ľopɛ ‘koe’ uit een heteroclitisch paradigma afleidt, geven geen aanleiding de combinatie met gr. élaphos op te geven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lam 2 o. (schaap), Mnl. id., Os. lamb + Ohd. id. (Mhd. lamp, Nhd. lamm). Ags. lomb (Eng. lamb), On. lamb (Zw. lamm, De. lam). Go. lamb: Ug. *wlam-ban + Skr. uraṇ-as = jong ram. Het is een afleid. van Idg. *ṷḷn- = wolle (z.d.w.); de anlaut is weggevallen gelijk in ’t Lat. lana. — Lam Gods naar Joh. I,29.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

laam (zn.) lam, jong schaap; Aajdnederlands lamb <701-800>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

lemmen, zn.: schaap, lam. Augmentatief van lam.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

lemmen schaap, lam (Brabant). Verkleinwoord van lam. Ook varken is verkleinwoord naast lat. porcus ‘varken’ en zwijn naast lat. sus ‘varken’.
WBD 890, 900.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Als een lam ter slachtbank geleid worden, zonder zich te (kunnen) verzetten zijn ondergang tegemoetgaan.
Lam Gods, Jezus; (fig.) afbeelding van Jezus als onschuldig lam, offerlam.
Lam, offerlam, offerdier; (fig.) iets dat aan een ander belang wordt opgeofferd.

In de vierde profetie van Jesaja is te lezen: 'Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet / en deed zijn mond niet open. / Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, / als een ooi die stil is bij haar scheerders / deed hij zijn mond niet open' (Jesaja 53:7, NBV; vergelijk ook Jeremia 11:19 in de NBV: 'Daarvóór was ik zo argeloos als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid') De uitdrukking betekent dus dat iemand zonder zich te (kunnen) verzetten zijn ondergang tegemoetgaat. De vergelijking met een lam als een hulpeloos, weerloos dier (ook wel: offerlam) wordt versterkt door de symbolische onschuld van het dier. Vergelijk ook de volgende verzen van G. Achterberg: 'Onder zijn lach / liggen wij als een lam zo zacht / verloren voor zijn overmacht' (Verzamelde gedichten, 1985 (H.v.B., 1969), p. 982).
Deze symboliek verklaart ook waarom de omschrijving Lam Gods wordt gebruikt voor Jezus, de zoon van God, die aan het kruis stierf ter vergelding van de zonden van de mensen. Dit gaat terug op de woorden die Johannes de Doper sprak toen hij Jezus zag: 'De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: "Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt" (Johannes 1:29, NBV; de NBG-vertaling heeft hier 'Zie, het lam Gods'). Het Lam Gods is zeer bekend als afbeelding in de beeldende kunst en ook wel als titel van kunstwerken.

Deux-Aesbijbel (1562), Jesaja 53:7. als een Lam dat ter slachtbanck geleydt wort. (De Statenvertaling (1637) heeft slachtinge i.p.v. slachtbanck. De moderne NBG-vertaling heeft slachting en o.m. de Leidse vertaling (1899-1912) en die van Petrus Canisius (1929-1939) hebben slachtbank.)
Statenvertaling (1637), Johannes 1:29. Siet het lam Godts, dat de sonde der werelt wech neemt.
Maar dat de Spaanse soldaten geen lammeren waren, dat merkt hij al spoedig en het verzwaart zijn zielenood. (P. Geyl, Nederlandse figuren deel 1, 1962, p. 10)
[R. Lubbers:] Ik ben voor consensus, maar ik ben geen lam dat zich op bevel naar de slachtbank laat leiden. Daarvoor ben ik te onafhankelijk en te veel democraat. (NRC, juli 1994)
Als lijdzame, willoze lammeren liet men zich hier, glijdend en struikelend door de modder, voortdrijven en naar de slachtbank voeren. (R. Peper, Russisch blauw, 1995, p. 138)
Een lam voor de slachtbank. Zulke vrouwen zijn er niet meer. Ik ken geen vrouw meer die zo kan kijken. (C. Nooteboom, Allerzielen, 1998, p. 48)
Op 1 januari 1967 zond het Derde Programma van de BRT-radio zijn eerste stereofonisch programma uit: Het Lam Gods van Robert Herbergs en werk van Stravinsky, Delibes, Rota en Tsjerepnin. (De Standaard, dec. 1995)
In dit apocalyptisch stadsgewoel / Ziet men de bloedgeul van het offerlam, / Cultuur genaamd. (G. Komrij, Alle gedichten tot gisteren, 1994 (Gedicht 7, 1987), p. 391)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

lemmer lammeren; nhd. Lämmer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lam ‘jong van een schaap’ -> Negerhollands lam, lamtje ‘jong van een schaap’; Papiaments lamchi (ouder: lammetsje) ‘jong van een schaap; jong van een geit’; Sranantongo lan ‘jong van een schaap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lam* jong van een schaap 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1698. Ooilam,

d.i. eig. een wijfjeslam, doch ook een kostbaar, dierbaar bezit, eenig in zijne soort voor den bezitter. Dit gebruik is ontleend aan 2 Sam. 12, vs. 3: De arme hadde gantsch niet, dan een eenich kleyn oylam... het at van sijne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem als eene dochter; Ndl. Wdb. X, 2344Vreemd genoeg wordt dit ooilam wel eens door onkundigen verward met oorlam, een borrel, in Noord-Holland een guit (Bouman, 76); in het Transvaalsch: ervaren, goed uitgeslapen, dronken (Hesseling, Het Afrikaansch, 86); eig. laag maleisch orang lama (d.i. orang lama datang), een oudgast. Eerst verstond men er een Europeaan onder, die uit Indië naar het moederland terug keert; daarna een bevaren matroos (ook nhd. Ohrlamm) oorlogsmatroos, en eindelijk: rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen uitgedeeld wordt; een borrel, eig. een borrel zooals een oorlam er gaarne een lust; vgl. voor de beteekenis-ontwikkeling een ‘taaie’, een ‘stijve’, een ‘oude’ (no. 1633). Veth, Uit Oost en West, 9 en Ndl. Wdb. XI, 120. In Amstelv. 43 komt oorlam voor in den zin van ‘oorveeg’..

1973. Er gaan veel makke (of tamme) schapen in een hok,

d.w.z. ‘wanneer men niet al te veel verlangt, kan men licht plaats vinden’; men bezigt deze zegswijze, wanneer veel menschen in eene kleine ruimte moeten. Zie Smetius, 227: Daer gaen veel geduldige (of willige) schapen in eenen stal; Halma, 335: Daar gaan veele makke schapen in een hok, les personnes accommodantes se font à tout; Sewel, 474; Taalgids VII, 213; Harreb. I, 314; Afrik. daar gaan baie mak schape in een kraal; Eckart, 448. In het fr. beaucoup de brebis entrent dans le même bercail; hd. der geduldigen Schafe gehen viel in einen Stall; fri. der kinne in bulte makke skiep yn ien hok; zie Wander IV, 55; 59; Dirksen I, 89: dâr gân föl makke schapen in d' stal; Eckart, 448.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

el-1, ol-, el- Farbwurzel mit der Bedeutung ‘rot, braun’, bildet Tier- und Baumnamen, meist i-, u- und n- (auch m-) Stämme, seltener von der bloßen Wurzel, die dann mit g oder erweitert erscheint. Im Namen des Schwanes und anderer Seevögel ist die Bedeutung ‘weiß, glänzend’, wie in den mit al-bho- ‘weiß’ gebildeten Namen (oben S. 30 f), also sind beide Wurzeln wohl ursprünglich identisch.

A. Adjektiva:
ai. aruṇá-ḥ ‘rötlich, goldgelb’, aruṣá-ḥ ‘feuerfarben’, av. auruša- ‘weiß’;
germ. *elwa- ‘braun, gelb’ in ahd. elo (elawēr), mhd. el (elwer);
vgl. auch die gall. VN Helvii, Helvetii, vielleicht auch schweiz. FlN Ilfis (*Elvisi̯ā). B. el- in Baumnamen für ‘Erle’, ‘Ulme’ und ‘Wacholder’:
1. ‘Erle, Eller.’
Lat. alnus ‘Erle, Eller’ (aus *alsnos oder *alenos; das anlautende al geht auf älteres el- zurück);
maked. (illyr.?) ἄλιζα (*elisā) ‘Weißpappel’;
nach Bertoldi (ZfceltPh. 17, 184 ff.) steckt ein vorgall. *alisā ‘Erle’ in vielen ON und FlN; daneben die später herrschende Bedeutung ‘Elsbeere’ in *alisia, frz. alise, nhd. Else; illyr.-ligur. Ursprung wird durch häufiges Vorkommen auf Corsica (FlN Aliso, Alistro usw., alzo ‘Erle’) erwiesen; vgl. gall. ON Alisia, FlN Alisontia, frz. Aussonce, Auzance, nhd. Elsenz, usw.;
für das Got. ist nach Ausweis des span. aliso ‘Erle’ ein *alisa ‘Erle’ anzusetzen; ahd. elira und mit Metathese erila, nhd. Eller, Erle, mndd. elre (*alizō), else (*alisō), ndl. els ds., altn. elri n., elrir m.; alr, ǫlr (*aluz-) ds., ags. alor ds.; das idg. e der Wz. wird durchaisl. jǫlstr (*elustrā) ‘Еrle’ und ilstri ‘Weide, Salix pentandra’ (*elis-tr-i̯o-; mhd. dial.hilster, halster ds. mit sekund. h, wie schwed. (h)ilster) sichergestellt; eine adj. Bildung ist ahd. erlīn ‘aus Erle’; vielleicht auch ags. ellen, ellern, engl. elder ‘Holunder’ zu vergleichen;
zu vergleichen ist ferner lit. al̃ksnis, elksnis, lett. àlksnis, ostlett. èlksnis, ostlit. alìksnis, apr. alskande (Hs. abskande) ‘Erle, Eller’, doch wird man verschiedene Grundformen *alsni̯a, *elsni̯a (mit Ablaut) und *alisni̯a anzusetzen haben (Trautmann Bsl. Wb. 6, doch vgl. v. d. Osten-Sacken IF. 33, 192). Das Suffix von apr. alskande erinnert nach Trautmann an slav.*jagnędь ‘Schwarzpappel’;
auch das Slavische zeigt alten e/o-Ablaut; auf slav. *jelьcha (*elisā) gehen zurück: abg. jelьcha ‘Erle’, bulg. (j)elhá ds.; auf slav. *olьcha (*olisā): poln. olcha, russ. ólьcha ‘Erle’ (dial. auch ëlcha, elócha, volьcha); slav. *jelьša, bzw. *olьša liegt vor in skr. dial. jȅlśa (vgl. jèlāšje ‘Erlengebüsch’ aus *jelьšьje), sloven. ję́łša, dial. ǫ́łša, jółša ds., russ. dial. olьša, olьšína, elьšína und lešína (vgl. Pedersen KZ. 38, 310, 317).
Als abgeleitetes Adj. erscheint balt.-slav. *al(i)seina- : lit. alksnìnis, ostlit. alìksninis, abg. jelьšinъ (vgl. ahd. erlīn).
2. ‘Ulme’: elem-.
Lat. ulmus ‘Ulme, Rüster’ geht auf idg. *ol-mo-s oder auf schwundstufiges *l̥-mó-s zurück; Vollstufe (aber s. S. 309) in mir. lem ‘Ulme’ (*lemos). Hinzu stellt man gall. Lemo-, Limo- usw.; cymr. llwyf ‘Ulme’ fällt aus dem Rahmen heraus, da es auf Grund der Grundform *leimā wohl zu elē̆i- ‘biegen’ (S. 309) gestellt werden muß.
Vgl. weiter ahd. ëlmboum ‘Ulme’, altn. almr (mit o-Stufe), mnd. ags. elm ds.; nhd. Ulme, mhd. ulmboum soll aus dem Lat. stammen (Kluge), was durchaus nicht sicher ist, denn vgl. ags. ulmtréow, mnd. olm, so daß möglicherweise das Germ. alle drei Abl.-Stufen enthält; russ. ílim, G. íl’ma usw. stammt aus dem Germ.
3. Wacholder und andere Nadelbäume: el-eu-, el-en-.
Arm. ełevin, Gen. ełevni ‘Zeder’;
vielleicht gr. ἐλάτη ‘Fichte, Rottanne’ (*el-n̥-tā);
lit. ė̃glius m. (für *élus nach ẽglė ‘Tanne’) ‘Wacholder’, lett. pa-egle f. ds.;
slav. *ělovьcь ‘Wacholder’ in čech. jalovec, russ. jáłovec ds., daneben n-Formans in wruss. jel-en-ec usw.
C. el- in Tiernamen:
1. ‘Hirsch und ähnliche Tiere.’
a. mit -Formans (germ. slav. olk̂̂is):
Ahd. ëlho, ëlaho ‘Elch, Elentier’, ags. eolh, engl. elk ds.; mit o-Abtönung (*olk̑ís) anord. elgr ds.; aus einer anfangs betonten Form germ. *álχis stammt lat. alcēs, alcē f. und gr. ἄλκη f. ‘Elch’; russ. losь, čech. los, poln. łoś, osorb. łos ‘Elch’ (aus *olkis); schwundstufig: ai. r̥śa-ḥ ŕ̥śya-ḥ ‘Antilopenbock’, pam. rus ‘wildes Bergschaf’.
b. Stamm el-en-, el-n̥- (elǝnī ‘Hirschkuh’); schwundstufig l-ō̆n-:
Arm. ełn, Gen. ełin ‘Hirsch’;
gr. ἔλαφος m. f. ‘Hirsch’ (*eln̥-bho-s), ἐλλός ‘junger Hirsch’ (*elno-s);
cymr. elain ‘Hirschkuh’ (*elǝnī = abg. alъni, lani ds.), air. elit ‘Reh’ (*eln̥-tī) vielleicht auch mir. ell f. ‘Herde’ (*elnā); ablaut. *lon- in gäl. lon m. ‘Elentier’; gall. MonatsN Elembiu (: gr. ̔᾽Ελαφηβολιών);
lit. élnis und élnias, alit. ellenis m. ‘Hirsch’ (daraus mhd. elent, nhd. Elen), lett. al̂nis ‘Elch’;
aksl. (j)elenь ‘Hirsch’ (alter Kons.-Stamm), russ. olénь usw.
Femin. *elǝnī- und *alǝnī- ‘Hirschkuh’ in:
lit. élnė und álnė ds., apr. alne ‘Tier’;
abg. alъni, lani ‘Hirschkuh’ (= cymr. elain), russ. (mit Übergang in die ĭ-Dekl.) lanь, čech. laní usw.;
dazu weiter sehr wahrscheinlich als *l-on-bho-s (mit demselben Suffix wie ἔλαφος) auch got. lamb ‘Schaf’, anord. lamb ‘Lamm, Schaf’, ahd. lamb ‘Lamm’ (großenteils neutr. -es-St., was gemeingerm. Neuerung nach Kalb scheint);
Als Umstellung aus *elen- faßt Niedermann IA. 18, 78 f. gr. ἔνελος· νεβρός Hes.; daraus entlehnt lat. (h)inuleus.
2. Wasservögel: el-, ol-, mit Gutturalerweiterung oder r- und u-Stamm.
Gr. 1. ἐλέᾱ f. ‘ein kleiner Sumpfvogel’ (zu ἕλος n. ‘Sumpf’?); 2. ἑλώριος ‘rotfüßiger Stelzenläufer’ (nicht ganz gesichertes Wort, leg. ἐρῳδιός?);
lat. olor ‘Schwan’ (*elōr);
air. elae (*elou̯io-) ds., mit k-Suffix acorn. elerhc, cymr. alarch (a- aus e-, s. Pedersen KG. I 40);
älter schwed. und schwed. mdartl. alle, al(l)a, al(l) (finn. Lw. allo), schwed. schriftsprachlich alfågel ‘fuligula glacialis’, norw. mdartl. hav-al, -ella; mit idg. g-Ableitung: anord. alka ‘Аlcа torda, Pinguin’; alka könnte auch zur Schallwz. el-, ol- ‘schreien’ (S. 306) gehören;
da idg. -k(o)- ein in Tiernamen häufiges Suffix ist (oben corn. elerhc), darf vielleicht auch angereiht werden: gr. ἀλκυών ‘Eisvogel’ (lat. alcēdo scheint daraus umgebildet), schweiz. wīss-elg und birch-ilge von verschiedenen Entenarten.
3. Iltis?
Vielleicht hierher der 1. Bestandteil von ahd. illi(n)tī̆so, nhd. Iltis und ahd. elledī̆so (nhd. dial. elledeis), ndd. üllek ‘Iltis’, wenn aus *illit-wī̆so (zu nhd. Wiesel); germ. *ella- aus *el-na-, wegen der rotgelben Нааге; anders sieht Kluge11 darin ahd. ellenti (aus elilenti, s. oben S. 25) ‘fremd’.

WP. I 151 f., 154 f., WH. I 28, 31, Specht Dekl. 37, 58 f., 116, Trautmann 6, 68 f., Pokorny Urillyrier 137 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal