Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lak - in de uitdrukking ergens lak aan hebben

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lak 2 zn. ‘maling’
Nnl. lak ‘gekheid, larie, schijn’, in vereering, trouw, erkenning - lak! [1850; WNT], in uitdrukkingen als het is lak, bijv. in ik acht uws vaders gramschap enkel lak [1851; WNT], dat al dat uiterlijke lak was, ... door modiste of snijder er, o zoo dunnetjes! opgesmeerd [1855; WNT], dan in de uitdrukking lak aan iemand hebben ‘niets geven om, maling hebben aan’ [1901; Kuipers], dat hij lak heeft aan de hele zaak [1907; Stoett].
Wrsch. hetzelfde woord als → lak 1 ‘verfstof ter afdekking’, in de overdrachtelijke betekenis ‘schone schijn, opsmuk’. Andere mogelijke etymologieën zijn om diverse redenen af te wijzen. Dat dit hetzelfde woord is als mnl. lac ‘gebrek, valse beschuldiging’ (FvW), zie → laken 1, is minder waarschijnlijk, omdat dit lac in de 19e eeuw aan het verouderen was; bovendien is de betekenisovergang onwaarschijnlijk. Verband met het bn. mnl. lac ‘flauw, slap, laf’ (Stoett, Vercoullie) stuit op een soortgelijk bezwaar: ook dit woord is in het Nieuwnederlands verouderd (zie ook → luilak) en bovendien is lak ‘maling’ al vanaf de oudste attestaties een zn. Ook is wel gedacht aan verband met → verlakken ‘foppen, voor de gek houden, bedriegen’, dat reeds in de 16e eeuw bestond. Het is echter weinig wrsch. dat van verlakken weer een zn. lak zou zijn afgeleid; daarvoor zou men als tussenstap een synoniem lacken ‘verlakken’ verwachten, dat met WNT-attestaties uit slechts één bron [1644] te zeldzaam is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lak 3 znw. o. ‘nonsens, fopperij’, vgl. de afl. verlakken. Naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde woord als lak 2. Uit het ww. verlakken ‘met lak bedekken’ kan zich die van ‘foppen, bedriegen’ ontwikkeld hebben.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lak III (nonsens, fopperij). Wsch. = lak I. Men neemt ook wel identiteit met het bnw. mnl. lac (zie laks) aan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lak III (nonsens, fopperij). Voor het tegenw. taalgevoel = lak II, terwijl verlakken ‘foppen’ als een afl. hiervan wordt gevoeld. Dit ww. dat reeds laat-mnl. voorkomt, heeft wellicht tot het opkomen van lak III aanleiding gegeven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lak hebben (had, heeft gehad), 1. (van een stuurinrichting) in de uitdrukking: het stuur (of de auto o.i.d.) heeft veel lak = er moet veel aan het stuur gedraaid worden om de wielen een bocht te laten maken. - 2. Het stuur (of de auto) heeft veel lak = de draaicirkel van de auto is klein.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1319. Het is maar lak,

d.w.z. het is maar gekheid, bedrog, fopperij, larie. Vgl. Lvl. 11: 't Leven is niks, lak, larie; Nkr. V, 24 Juni p. 4: Zijn sociale wetten zijn allemaal maar lak; VII, 29 Maart p. 2: Al heb ik hooren verkondigen, dat de principes maar lak zijn; Onderm. 12: Het is allemaal lak dat rijmen, dat lijmen; in 't fri. it wier lak, de boel is lak (= mis). Lak hebben aan iemand of iets, om iemand of iets niets geven, er maling aan hebben; vgl. Dievenp. 46: Tot-ie er ten laatste uitflapt, dat hij lak heeft aan de heele zaak van den ander; Sprotje, 40: Ze het lak aan de jongens, ze kan d'r krijge zooveel ze maar wil; Köster Henke, 38; Het Volk, 13 Sept 1913, p. 6 k. 4; Handelsblad, 28 Oct. 1913, p. 6 k. 1; Prikk. V, 26: Jouw ridderordes hebben we anders braaf lak aan.

In het mnl. bestaat een bijv. naamw. lak, laf, flauw, loszinnig, eene beteekenis, die ook in het mnd. en thans nog dialectisch in het hd. voorkomt. De oorspr. bet. kan, evenals bij de stammen laf, lef, maf en makVgl. mnd. mak und mode; 17de eeuw: moe en mack (Kluchtspel I, 141); in Limb. is mak weer syn. van het fri. lak waer = laf, maf weer, wanneer het lakwaerm (fri.) is; een makke vlieg = een loome vlieg; Schuermans, Bijv. 192 b citeert een znw. mak in den zin van een slag, dat dus weer met een lap, een lik te vergelijken is. Wanneer we deze volkomen analoge beteekenissen waarnemen die de stammen laf, lak, maf vertoonen, dan mogen we zeker wel het tot nu duistere adjectief maf houden voor een wisselvorm van mak, dat van denzelfden stam is als gemak en het wkw. maken. Vgl. slof, slop, slok; doffen en dokken; boffen, bokken (Opprel, 83 en Franck-v Wijk, 408)., die van slap, moede geweest zijn, waaruit zich die van flauw (vgl. fri. lakswiet, flauw zoet), zouteloos, zot heeft ontwikkeld. Hoogstwaarschijnlijk heeft lak die oorspr. beteekenis van slap, uitgeput nog in luilak,Een zoogenaamde historische verklaring wordt gegeven in het Handelsblad, 7 Aug. 1916 (A) p. 5, k. 3. De nachtwacht van het stadhuis te Amsterdam, Piet Lak, zou bij de nadering der Franschen in 1672 geslapen hebben. Hierdoor kreeg Lak den bijnaam van ‘luie Lak’. Inderdaad komt de verbinding luie lak voor in Besteedster (anno 1728), 22; 26. in Westphalen lûlapp (Woeste, 165 a), d.i. iemand, die lui en lak is (vgl. bij Hooft: luiledig); die van zouteloos, flauw heeft het nog o.a. te Deventer en in Twente, waar men spreekt van 't èten is te zolt of te lak (Draaijer, 23). Vgl. verder het fri. it is lakmoes, mis, vergeefs; het gron. da's moar lak mit ouweltjes (Molema, 235 b; Harreb. II, 3; Sprotje II, 98), voor welk achtervoegsel men vergelijke ‘iemand zijn feilen (fouten) en boenders aantoonen’; het 's-Gravenhaagsche ‘daar was een heele foelie (fr. foule) en notenmuskaatZie voor dergelijke toevoegsels J. Verdam, Uit de Geschiedenis der Ned. Taal3, 170., het Zuidndl. aantjes, hinnekes en kieskes smijten (keilen), waar de twee laatste woorden door de verkeerde opvatting van aantjes als haantjes en niet als eendjes er aan zijn toegevoegd (Kinderspel III, 15). Volgens het Ndl. Wdb. VIII, 927 evenwel hebben we met een fig. toepassing van lak, vernis te doen; 't is maar lak zou dan eigenlijk zijn: 't is maar vernis, 't is maar een uiterlijke schoone schijn; terwijl Franck- v. Wijk, 367 als waarschijnlijk aanneemt, dat we er een overdrachtelijke bet. van lak, gebrek, valsche beschuldiging in moeten zien.(Aanv.) Vgl. Ndl. Wdb. VIII, 3240, waar de hier gegeven gissing omtrent den oorsprong van luilak weinig aannemelijk wordt geacht ‘daar luilak blijkbaar nooit een adj. is geweest’.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)lēg- : (s)lǝg- und (s)leg- ‘schlaff, matt sein’ (aus ‘loslassen’), aus ‘schlaff’ über ‘weichlich’ auch ‘wollüstig’, nas. (s)leng- (= leng- ‘schaukeln, schwanken’?), slǝg-on- ‘Herabhängendes’

Ai. laṅga- ‘lahm’; gr. λήγω ‘lasse ab, höre auf (*ermatte); trans. ‘mache weichen’ (*slēgō), ἄλληκτος (*σλ-) ‘unaufhörlich’, λαγάσσαι· ἀφεῖναι Hes., λαγαρός ‘schlaff, schmächtig, dünn’, hom. λαγωός, ion. λαγός, att. λαγώς, -ώ ‘Hase’ (*(s)lǝg-ōusos ‘mit schlaffen Ohren’), λαγών, -ονος gewöhnlich Pl. ‘die Weichen, Dünnen’ (formell = aisl. laki ‘Faltmagen’), λάγανον ‘dünner breiter Kuchen’ (formell = as. lakan usw. ‘Tuch’), λωγάνιον ‘Wamme’ (vgl. schwed. slōka ‘schlaff herabhängen’), nasaliert vermutlich hierher λαγγάζω ‘zaudere’, λαγγών ‘Zaudern’, λαγγεύαι· φεύγαι Hes. (*’matt sein, schlaff und unschlüssig sein’); mit der Bedeutung ‘wollüstig’: λάγνος ‘geil’, λαγνεύειν ‘wollüstig sein’, λαγνεία ‘Geilheit, Wollust’, λωγάς· πόρνη Hes. (daneben mit ĕ-Vok. λέγαι δε γυναῖκες = ἀκόλαστοι Archil., ἐλεγαίνειν „ἀσελγαίνειν” EM.;
lat. laxus ‘schlaff, weit, geräumig’, nas. langueō, -ēre ‘matt, schlaff, abgespannt sein’;
air. lacc (mit expressivem gg) ‘schlaff, schwach’; mcymr. llacc, ncymr. llac ‘schlaff’ stammt wegen seines cc statt ch aus engl. slack;
mnd. lak ‘schlaff, lose’, ndl. lak, nhd. mdartl. lack ds., mndl. lak auch ‘wollüstig’, aisl. lakr und (vollstufig) lākr ‘schlecht, gering’; mit Abtönung ō schwed. dial. lōka ‘schlaff herabhängen’, aisl. lōkr ‘Dummkopf, Faulpelz’; germ. *lakana- ‘baumelnder Lappen, Zipfel’ in as. lakan ‘Tuch’, ahd. lahhan ds. (nhd. Laken aus dem Nd., formell vgl. gr. λάγανον), aisl. laki m. ‘Quappe’; der dritte Magen der Wiederkäuer, Faltmagen’ (= λαγών), Mangel, Fehler’;
mit s-: aisl. slakr ‘schlaff’ (poet.), slakna ‘erschlaffen’, as. mnd. slac ‘schlaff, schwach’, Partiz. as. gislekit ‘stumpf gemacht’, mnd. slak-sīde ‘Bauchseite’ (wie λαγών und nhd. Weichen), ags. slæc ‘schlaff, träge, langsam’, ahd. slah- ‘schlaff, träge’, ags. sleccan (*slekjan) ‘schwächen’;
mit Abtönung ō: aisl. slōkr ‘ein schlaffer Bursche’, norw. slōken ‘schlaff’, schwed. slōka ‘schlaff herabhängen lassen’, dial. ‘träge sein’, slōk und (mit ē) slåk ‘leichtsinniges Weib’, aschwed. slökifriþ, -frilla ‘Kebsweib’;
nasaliert wohl schwed. slinka ‘nicht fest ansitzen, schlottern, hinken’, ahd. slinc, ndl. slink ‘link’, mhd. link, nhd. link; ahd. lenka ‘die Linke’, schwed. linka und lanka ‘etwas hinken’, lunka ‘langsam gehen’, dän. slunken ‘schlaff, schlotterig’ (*’schlaff dahergehen’); vielleicht schwed. dial. slank, süddt. schlank ‘Fetzen’;
lett. leǵę̄ns ‘schlaff, weich’;
unsicher russ. pere-slěga ‘Fehler im Gewebe’ (*‘Auslassen des Fadens’??), sloven. preslẹ̑gast ‘fadenscheinig, kahl’;
ob auch toch. A slākkär ‘traurig’?

WP. II 712 ff., WH. I 758 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal