Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

label - (adreskaartje, etiket)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

label zn. ‘adreskaartje, etiket’
Nnl. labels, etiketten ... en tal van andere kantoorartikelen [1892; Groene Amsterdammer], label “adreskaartje met oog dat met een touwtje aan de goederen wordt gehangen” [1910; Kramers II], label “merk van een grammofoonplaat” [1971; Reinsma 1975], ‘etiket’ [1976; Van Dale].
Ontleend aan Engels label ‘kaartje, papiertje e.d., bevestigd aan een object’ [1679; OED], eerder al ‘stukje papier dat bij een document wordt gevoegd’ [ca. 1380; OED], een betekenisuitbreiding van ‘klein stukje of strook stof’ [ca. 1320; OED]. Het Engelse woord is ontleend aan Oudfrans label ‘lap, flap’ [ca. 1165; Rey], ook lambel (Nieuwfrans lambeau), dat met een verkleiningsachtervoegsel gevormd is uit een woord dat wrsch. ontleend is aan Frankisch *labba ‘lap’, hetzelfde woord als → lap.
In het Nederlands bestond al het oudere leenwoord → etiket. Het Engelse woord werd dus aanvankelijk slechts in de betekenis ‘adreskaartje aan goederen’ ontleend, maar tegenwoordig komt ook in het Nederlands de algemene betekenis label ‘etiket’ voor.
Op een etiket kon de naam van een merk of fabrikant staan; daardoor ontstond in het Engels bij overdracht de betekenis ‘merknaam’ [1902; OED] en in het bijzonder ‘grammofoonplatenmerk’ [1939; OED], vanwege het ronde label op grammofoonplaten. Deze betekenis werd later ook in het Nederlands overgenomen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

label [etiket, platenmerk] {1901-1925 in de betekenis ‘etiket’; de betekenis ‘platenmerk’ 1971} < engels label < oudfrans label, lambel (frans lambeau) [lap, flard], uit het germ., vgl. lap1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

label znw. m. (uitgesproken als labél en lèbel) ‘adreskaartje aan reisgoed gebonden’ < ne. label ‘kaartje’ < ofra. label naast lambel (vgl. nfra. lambeau ‘lap, vod’) < ofrank. * labba naast ohd. lappa ‘afhangend stuk stof’; vgl. met andere consonant lap.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

label (Engels label)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

label [leebul] 1. etiket; 2. kaartje dat aan een artikel hangt, met erop gegevens over dat artikel of de eigenaar ervan; 3. merknaam, oorspronkelijk alleen van platen, nu ook meer algemeen gebruikt, bijv. voor kledingmerken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

label ‘etiket’ -> Indonesisch label ‘etiket; grammofoonplatenmerk’.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

-label samenst. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = -etiket, -keur, -stempel, -keurmerk. Word maar eens wijs uit het woud aan gezondheids- en herkomstkeurmerken.

label zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = naamkaartje, adresbandje, sleutelkaartje, merkje, lipje; etiket, opschrift. Zit er een naamkaartje aan je koffer?
Wat zit erin? Wat staat er op het etiket?
Op het merkje staat: 100% scheerwol.

[alg.] = gezelschapsdier, huisdier, troeteldier. Om het legenestsyndroom te bestrijden hebben we een huisdier genomen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

label etiket 1910 [KWT] <Engels

label platenmerk 1971 [R75] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

label, het [ʹle:bəl] Koenen 1940 (in other sense); Koenen 1974 (in other sense); Van Dale 1976 (in other sense) grammofoonplatenmerk: “Gebaseerd op een Tros-produktie werd deze plaat uitgebracht op het label Elf Provinciën.” (2809207). Compounds/derivations: private label. Editorial comment: The gender ‘masc.’, the only one listed in the three dictionaries, is inappropriate for the recent meaning in our example. Loanword from English label n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal