Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

laaien - (heftig branden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

laaien ww. ‘heftig branden’
Mnl. ghi hittelijc laeyt ‘u schijnt met gloed’ [ca. 1460; MNW]; vnnl. keersen, die vierich laeyden ‘kaarsen die vurig vlamden’ [1562; WNT], ook overdrachtelijk ‘krachtig gloeien’ in therte vierich laeijde in liefs aenschijne ‘het hart gloeide heftig bij de aanblik van de geliefde’ [16e eeuw; WNT].
Afleiding van mnl. laeye ‘vlam’, zie → lichte(r)laaie.
Het werkwoord laaien wordt niet meer veel gebruikt, behalve in oplaaien en laaiend, zie onder.
oplaaien ww. ‘heftig opvlammen’. Nnl. stroo en schavelingen (‘krullen’) laaien spoedig op (West-Vlaams) [1874; Van Dale], een langwerpige gloedveeg, die oplaaien kwam tegen de lucht [1889; WNT]. Gevormd met → op bij laaien. ♦ laaiend bn. ‘heftig; woedend’. Nnl. laaiend kwaad ‘zo kwaad, dat men er vuurrood van ziet’ [1872; Van Dale], laaiend ‘woedend’ [1974; Koenen], ook vaak in de combinatie laaiend enthousiasme ‘groot enthousiasme’ [1904; Groene Amsterdammer], laaiend enthousiast [1974; Koenen]. Het teg.deelw. van laaien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

laaien ww., afl. van laai, mnl. laeyen. = ndd. leien, laien “weerlichten, opvlammen”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

leujen, ww.: zwak gloeien onder de as. Afgeleid van Mhd. lohe, Mnd. lô(he), D. Lohe ‘laaiende vlam(men)’. Het D. woord Lohe staat door grammatische wisseling naast Ndl. laai in lichterlaaie (D. lichterloh), Mnl. laeye ‘vlam’ < Germ. *laugô. Verwant met licht. Idg. *leuk ‘licht(en)’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

laaien 1 ww.: walmen. Zie laaie 1.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

lèùje zwak gloeien onder de as (Venray). ~ hgd. lohe ‘vlam’, ~ (in lichte) laaie. ~ licht.
Mededeling W. Schols.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

laaien, ww.: hevig vlammen, branden, gloeien; gloeien van toorn (DB), heet zijn, een brandend gevoel geven in de mond (peper, snoepje) (DB, D, K, R), bij een veiling hoger bieden om de prijs op te drijven, bij het kaartspel een hoge kaart gooien (D, K), ophitsen (D, R), spotten, pesten (I), zacht strelen, aaien (DB, P), vleien, liefkozen (om iets te verkrijgen, te vernemen) (DB, I). Al deze betekenissen gaan terug op de grondbetekenis ‘vlammen’. Mnl. laeye ‘vlam, gloed’, Vroegnnl. laeyen oft vlammen ‘flamber ou flamboyer’, laeye ‘flamma’, laeyen, vlammen ‘flammare, flagrare, flammam edere’ (Kiliaan). De bet. ‘vleien’ wsch. o.i.v. aaien. De i (j) is te verklaren als hiaatvullende glijder, vgl. D. lohen, lichterloh ‘in lichterlaaie’. Mhd. lohe, Mnd. lô(he), door grammatische wisseling naast Ohd. loug, On. logi, Zw. lâga, Oe. lieg, On. leygr ‘vlam’. Germ. *laugô, Idg. *leuk- ‘lichten’. verwant met ‘licht’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

laai III: ww., “brand, opvlam”; Ndl. laaien (Mnl. laeyen), misk. v. Fri. herk., maar onseker, vgl. ook laai IV.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1387. In lichte(r)laaie,

d.i. heftig brandend. Laaie is hier het mnl. laeye, vlam, in welken zin dit woord in Zuid-Nederland nog zeer gewoon is; zie Mnl. Wdb. IV, 40; Ndl. Wdb. VIII, 848; 1987 en Kil.: Lichte laeye, flamma rubra, rutila; 17de eeuw ook lichtelage. Vgl. De Bo, 600: laai, het vlammen van 't vuur, flakkerende vlam; het huis stond in vlam en laai, een huis in laaie zetten; Schuermans, 319; Waasch Idiot. 397: het is lichtelaaie aan 't branden, regenen, donderen, welk lichtelaaie te vergelijken is met het vroegere (te) lichte(r) lage, in volle vlam, heftig, naast aan of van lichter lage. Het znw. laai werd ook als bijv. naamw. gebezigd, dikwijls verbonden met licht; vgl. bij Huygens II, 187: 't luchterlage licht en in lichtelaaie vlam of gloed, dat sedert de 18de eeuw voorkomt (Halma en Sewel), en niet in het gebruik mag worden afgekeurd. Vgl. ook het hd. lichterloh brennen; eng. in a light low (Prick); fri. yn ljuchtelaeie; ljochte-lôge.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal