Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwinkslag - (geestig gezegde, aardigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kwinkslag zn. ‘geestig gezegde, aardigheid’
Mnl. quinckslach ‘steek, onaardig bedoelde toespeling’ in laet u quincslagen gaen! ‘laat je toespelingen maar horen!’ [1410; MNW]; vnnl. steeds minder pejoratief quinckslagh ‘geestigheid, woordspeling’ [1624; WNT]; nnl. kwinkslag “loopje, kneep, dubbelzinnigheid”, hy wist het met een kwinkslag goed te maaken [beide 1717; Marin NF].
Samenstelling van kwink en → slag in de betekenis ‘list, streek’. Kwink is waarschijnlijk afgeleid van kwinken, vnnl. quinken ‘zich vlug heen en weer bewegen’ [1530; WNT], zie → kwinkeleren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwinkslag* [snaaks gezegde] {quincslach 1410} het eerste lid van middelnederlands quincken [zich snel bewegen, op en neer gaan, flikkeren, schitteren, kwinkeleren], dus de betekenis zal oorspr. zijn geweest ‘verrassende slag’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwinkslag znw. m., bevat als 1ste lid de stam van mnl. quinken ‘zich snel bewegen’, vgl. Wangeroogs quink ‘met de ogen knippen’, saterlands quinkje ‘knipogen’ (W. de Vries Ts. 43, 1915-6, 287).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwinkslag znw., reeds mnl. quincslach (gh) m. “zet, steek, insinuatie”. Vgl. quincken bij kwinkeleren. Oorspr. bet. “triller, een soort modulatie”?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kwinkslag, zal inderdaad behoren bij mnl. quinken en ospr. betekend hebben ‘vlugge, verrassende slag of zet’. Vgl. ook ouder-nnl. kwink ‘kwinkslag’ (nog gron. = ‘kuur, nuk’). W.de Vries Tschr. 34, 287.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwinkslag m., met den stam van kwinken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwinkslag* snaaks gezegde 1410 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal