Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwijt - (verlost van, niet meer in het bezit van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kwijt bn. ‘verlost van, niet meer in het bezit van’
Mnl. quite ‘vrij’ [1237; VMNW], quite ende vri van alre bewisenessen ‘vrijgesteld van alle aanspraken’ [1267; VMNW], quite dis ongemaks ‘verlost van ongemak’ [1265-70; VMNW], alsi des viants waren quite ‘toen ze verlost waren van de vijand’ [1285; VMNW], die coninck wart sijn dochter quijt ‘de koning raakte zijn dochter kwijt’ [1470-90; MNW].
Ontleend aan middeleeuws Latijn quitus ‘vrij van een juridische of financiële verplichting’, nevenvorm van klassiek Latijn quiētus ‘rustig’, bij quiēs ‘rust’, dat verwant is met → wijl ‘poos’.
Mnl. quite was een algemene juridische term voor ‘vrij(gesteld) van straf, boete, heffingen of andersoortige verplichtingen’. Buiten dit juridisch taalgebruik is het woord wrsch. ontleend via Oudfrans quite [ca. 1175; FEW] (Nieuwfrans quitte), en was de betekenis algemener ‘verlost van’, wat eigenlijk al min of meer de huidige betekenis van ‘kwijt’ is, met dit verschil dat quite oorspr. altijd met een genitief of het voorzetsel van werd verbonden.
Hetzelfde Franse woord werd later opnieuw ontleend als → quitte ‘(elkaar) niets meer schuldig’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwijt [vrij, verloren hebbend] {quit(e), quijt [rustig, vrij, onbezwaard, vereffend, weg] 1237} < frans quitte [niet schuldig, vrij van] < latijn quietus [rustig, vrij van], van quies (2e nv. quietis) [rust].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwijt bnw., mnl. quîte ‘vrij, kwijt, ontslagen van’, mnd. quīt, mhd. quīt (nhd. quitt), ofri. quīt, ne. quit < ofra. quite, quitte (sedert de 12de eeuw) < lat. quietus ‘rustig’ — Zie ook: kiet.

De uitdrukking kwijtschelden, mnl. quyt schelden is overgenomen in het aangrenzende ripuarische gebied en in het nederduits, vgl. mhd. quit schelden, nhd. quitt schelten (rechtsterm, vgl. E. Öhmann, ZfdWortf. 17, 1961, 183).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwijt bnw., mnl. quîte (zelden attributief) “vrij, kwijt, ontslagen van” (met ruime gebruikssfeer). Evenals ʼt synonieme mhd. quĭt (nhd. quitt), mnd. quît, ofri. quît, eng. quit uit ofr. quite, quitte (fr. quitte) (jongere rom. vormen voor lat quiêtus. Zie kiet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwijt bijv., Mnl. quite, gelijk Eng. quit, quite, uit Ofra. quite, van Mlat. quittum (-us), terwijl Hgd. quitt, uit Fr. quitte, van Mlat. quittum (-us) = vrij, verlaten, Lat. quietare = gerust laten (z. wijl 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kwiet (bn.) kwijt; Vreugmiddelnederlands quite <1237> < Latien quitus.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kwijt (Frans quitte)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kwijt, in ’t Ofr. quite (thans quitte) van ’t Lat. quittus = vrij, verlaten, (’t Verband is niet meer duidelijk.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwijt ‘vrij van, niet meer in het bezit zijn van’ -> Zweeds kvitt ‘vrij van, niet meer in het bezit van’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwijt vrij van, niet meer in het bezit van 1237 [CG I1, 33] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

476. Den draad kwijt zijn,

d.w.z. den samenhang, het verband kwijt zijn; niet meer weten, hoe men verder moet gaan. Men zou kunnen denken aan een weefsel, dat zoo fijn gesponnen is, dat men den draad niet kan volgen; vgl. Bank. I, 156: ‘De linckernyen van de weereld werden zoo fijn ghesponnen, dat de scherpste ooghe den draet verliest’. Daar een draad ook dient om een kleedingstuk samen te houden, kreeg dit woord bij overdracht de beteekenis van samenhang (van eene rede, een gesprek of eene redeneering); vandaar dat men ook spreekt van: den draad van het gesprek afbreken of weder opnemen, opvatten. Vgl. Sewel, 190: De draad eener rede, the context of a discourse or speech; vgl. ook Van Effen, Spect. V, 195: Den draad van zyn discours; III, 205: Dat hij den draad van zulke lage conversatiën afbreekt; IV, 46: Lezers bekwaam om den draad van een redeneering op te volgen; Harreb. I, 150 b; Ndl. Wdb. III, 3182; hd. den Faden, den Trumm verlieren en den Faden wieder aufnehmen oder anknüpfen; fr. perdre le fil de son discours; eng. to lose the clue (or the thread) of one's discourse; fri. de tried kwyt wêze; fen 'e tried wêzeAan het verhaal van Theseus en Ariadne behoeft men zeker niet te denken, daar Theseus volstrekt niet den draad kwijt was..

2283. De tramontane kwijt zijn,

d.w.z. zijne bezinning verloren hebben; buiten westen zijn, van zijn stuk zijn; dronken zijn; fr. perdre la tramontane, le nord ou la carte. Onder tramontane moet worden verstaan de noordenwind in Italië. ‘De zeelieden zullen bij hun drukke vaart op Genua, Venetie en Triest er dikwijls hun voordeel mee gedaan hebben. Ze zullen hun spijt erover uitgedrukt hebben, als ze dien wind niet meer in de zeilen hadden en in katzwijm lagen, dat ze hun tramontane kwijt waren. De uitdr. zal derhalve beduiden: Niet meer tot handelen of goed handelen in staat zijn, doordat men zijn bezinning verloren heeft’Zie J. Steendam in ‘De Zee’, 1922 (no. 10).. In de 18de eeuw komt deze uitdr. voor bij Van Effen, Spect. IX, 111: De tramontane waart gy kwyt voor den ganschen avond, kost geen eene party meer winnen. Zie J. Lublink de Jonge, Brieven en Briefwisseling, 92; Harreb. II, 342 b; Overijs. Alm. 1845: ... Daer raak ik ... de tra-amonta-ane kweit en doikel ik perdoes van de leêr langs de geut naar benee-en; Uit één pen, 47: Ik raakte knapjes van mijn tramontane; Jong. 196: Ze was er eerst een beetje door van der tramontane en zat te suffen; Jord. 423: Dat bracht haar toch geheel van streek - om fen je tremeletoan te roake... kermde ze; S. en S. 65: Jonges, dat gaf me 'n fijn slokkie, en nòg een en zoo - niet dat ze nou van d'r trametane ware, maar toch ware ze alle vier niet erg zuiver; bl. 82: En drie dage en nachte zijn ze an 't zwabbere gebleve. En eindelijk, dat Snok z'n trimmetane werom had, bedacht ie met schrik, enz.; Jord. II, 392: Zoo verloor ze d'r tramontane; A.t.A. 132: Als je d'r is een neutje te veel mot drinken, kan je 's morgens je trementanen niet altijd bij mekaar hebben; Loquela, 501: In of uit zijn tirmontane, trimetaan, triimtra zijn, in of uit zijn hum zijn, niet op zijn dreef zijnVgl. Halma, II, 851: Perdre la tramontane, être déconcerté, perdre le jugement, être désorienté, buiten westen raaken, 't spoor bijster zijn, van zijn stuk afraaken, ontstellen, zijn oordeel verliezen, buiten stal raaken..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal