Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwijnen - (langzaam verzwakken, verwelken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kwijnen ww. ‘langzaam verzwakken, verwelken’
Mnl. eerst het zn. quine ‘het kwijnen, ziekte’ in lach in sonden quine ‘leed aan de ziekte der zonde’ [1375-1400; MNW-R], dan ook verquynen ‘wegteren’ [1477; Teuth.]; vnnl. quenen, quijnen ‘verzwakken’ in queenende sieckte ... daer door de mensche niet groeyen can ‘slopende ziekte waardoor men niet kan gedijen’ [1567; Nomenclator, 453b], quenen, quijnen ‘slap zijn, langzaam vergaan’ [1599; Kil.], ook overdrachtelijk ‘droevig of moedeloos zijn’ in de harten ... scheenen te quynen [1642; WNT], ‘verwelken’ in een bloem ... afgesneden, al stervende quijnt [1646; WNT], ook van zaken ‘niet bloeien, achteruitgaan’ in men ... die neering ziende quynen ‘toen men die handel achteruit zag gaan’ [1649; WNT]; nnl. kwijnen ‘lusteloos, krachteloos zijn’ in [het blad] de Patriot ... zijn kwijnend bestaan [1875; WNT].
Mnd. quīnen; mhd. (ver)quīnen; oe. (ā)cwīnan; alle ‘wegkwijnen’; < pgm. *kweinan-.
Misschien verwant met Sanskrit jināti ‘wordt oud’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwijnen* [verzwakken] {quinen 1573, vgl. quyninge [wegkwijning] ca. 1475} oudsaksisch quinan, middelhoogduits verquinen, oudengels acwinan; buiten het germ. oudindisch jinati [hij wordt oud].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwijnen ww., Kil. quijnen ‘Sax. Fris. Holl. Sicamb. Fland.), mnd. quīnen mhd. (ver)quinen, oe. cwīnan ‘wegkwijnen’. Daarnaast Kiliaen quenen ‘kwijnen’.

Opmerkelijk is het ww. verdwijnen dat daarnaast staat en waaraan beantwoordt oe. ðwīnan, mnd. dwīnen ‘wegkwijnen’ uit een germ. *þwīnan. Indien het woord kwijnen, dat eerst laat optreedt, uit een duits dialect overgenomen is, dan zou men kunnen denken aan de in het duits soms voorkomende wisseling van anlauts þw- en kw- zoals ook in kwark, vgl. ook nhd. quer naast nnl. dwars of quirl naast ohd. twiril.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwijnen ww., door Kil. “Sax. Fris. Holl. Sicamb. Fland.” genoemd, Teuth. ver-quynen. Hierbij mnl. quîne znw. v. “toestand van kwijning, ziekte” en oud-nnl. (o.a. bij Kil.) quenen “kwijnen”. Kwijnen = mhd. (ver)quînen “wegkwijnen”, mnd. quînen, ags. (â)cwînan “id.”. Verwant met oi. jinâti “hij wordt oud”. Lat. viêsco “ik verwelk”, gr. deielós bnw. “avond-”, znw. “avond”, ier. “nacht”, die men ook vergeleken heeft, kunnen alle ook anders bevredigend verklaard worden. Ags. â-cwincan “uitgaan”, â-cwencan “uitdooven, uitblusschen”, ofri. ût-kwinka “verdwijnen, verduisterd worden” (van het oog) kunnen we alleen dan voor verwant houden, als we “vokalentgleisung” aannemen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwijnen ono.w., Mnl. quinen, Os. quînan + Mhd. ver-quînen, Ags. á-cwínan +Skr. jinâti = oud worden, Lat. viescere = verwelken: van denz. wortel als kwik; voor de bet. vergel. uitgeleefd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kwyn ww.
1. (t.o.v. mense en diere) Liggaamlik of geestelik agteruitgaan. 2. (t.o.v. plante) Nie floreer of gedy nie. 3. (t.o.v. lig of klank) Flouer, dowwer of geleidelik swakker word. 4. (t.o.v. menslike gevoelens, gesindhede of verhoudings) Verflou of verswak. 5. (t.o.v. menslike instellings, organisasies, e.d.) Verswak, agteruitgaan of nie meer voorspoedig wees nie. 6. (t.o.v. grootte, omvang, waarde of sterkte) Minder of kleiner word.
Uit Ndl. kwijnen (Mnl. quinen). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kwenen kwijnen (Vlaanderen). = 16e-eeuws quenen ‘id.’. Abl. ~ kwijnen.
WNT VIII 762.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwijnen ‘verzwakken’ -> Saramakkaans kwien ‘verzwakken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwijnen* verzwakken 1567 [Junius 453b]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal