Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwetsen - (bezeren, beledigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kwetsen ww. ‘bezeren, beledigen’
Onl. quezzon ‘kwetsen’ in quezzodōs ‘jij kwetste’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. quetsen, quetzen in quetcen ‘verwonden’ [1240; Bern.], so wie ... iemene quetst ‘wie iemand verwondt’ [1254; VMNW], ‘benadelen, kwaaddoen’ in hiermede so sijn die arme ente ghemente sere ghequets ‘hierdoor zijn de armen en alle mensen zeer benadeeld’ [1280; VMNW]; vnnl. quetsen ook ‘beledigen, krenken’ in zijn eere quetsen [1648; Hexham NE]; nnl. kwetsen ‘verwonden’ in doodelyk gekwetst ‘dodelijk gewond’ [1785; WNT], ‘raken, beledigen’ in gekwetst of benadeelt in hunnen goeden naam en faam [1787; WNT].
Misschien (Kluge) is het woord ontleend aan of beïnvloed door Oudfrans quasser ‘kwetsen, kneuzen; verbrijzelen’ [ca. 1100; TLF], Picardisch quachier (Nieuwfrans casser ‘breken, stukslaan’), dat teruggaat op Latijn quatere ‘schudden, slaan, stoten’, een woord van onbekende herkomst.
Mnd. quetten, quessen ‘verwonden’; mhd. quetzen, quetschen ‘slaan, stoten, kapot drukken, verwonden’ (nhd. quetschen); ofri. quetsene ‘verwonding’.
kwetsuur zn. ‘verwonding’. Mnl. quetsure ‘verwonding, wond’ in wonden ende quetsuren [1340-60; MNW-P], olye daer af gemaect sacht quetsure ‘olie daarvan gemaakt verzacht wonden’ [1351; MNW-P]; vnnl. inwendige ende wtwendige quetsuren [1608; WNT]; nnl. eene ligte kwetzuur [1785; WNT]. Afleiding van kwetsen. Wrsch. ontleend aan of beïnvloed door het Oudfranse zn. quassure, casseure ‘verwonding, kneuzing, breuk’ [1333; TLF] (Nieuwfrans cassure), afleiding van Oudfrans quasser ‘kwetsen, verbrijzelen’, zie hierboven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwetsen* [beschadigen, bezeren] {quets(ch)en 1201-1250} middelnederduits quessen [wonden], middelhoogduits quetschen, oudfries quetsene [verwonding]; verwantschap met litouws gesti [beschadigd worden] is waarschijnlijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwetsen ww., mnl. quetsen, quessen ‘wonden, kneuzen, verbrijzelen, beschadigen, benadelen’ (trans.) ‘gewond worden, breken’, onfrank, quezzon ‘aanstoten’, mnd. quetsen, quessen ‘wonden, letsel toebrengen’, mhd. quetzen, quetschen ‘slaan, stoten, verwonden’, nhd. quetschen ‘kneuzen’, ofri. quetsene ‘verwonding’. — Daarnaast staan nog vlaams kwetteren ‘kneuzen’, nnd. quadderen ‘stuk maken’ (> nde. dial. kvaddre ‘verbrijzelen’, nzw. dial. kvadda ‘stukbreken’). — Mogelijk bij oi. gandh- ‘stoten, verwonden’, gr. dénnos ‘schimp, schande’, lit. gendù, gésti ‘beschadigd worden’ (IEW 466-7).

Verbinding met ofra. quassier, pikard. quachier (< lat. quassus bij quatere schudden’) heeft secundair plaatsgehad, wat duidelijk blijkt uit het woord kwetsuur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwetsen ww., mnl. quetsen, quessen “wonden, kneuzen, stuk maken, verbrijzelen, beschadigen, benadeelen”, ook intrans. “gewond worden, breken”. = onfr. quezzon “allidere”, mnd. quessen “wonden, letsel of schade toebrengen”, ofri. *quetsa (blijkens quetsene v. “verwonding”). Het voorkomen in het Onfr. en vooral in het Oofri. maakt ontl. uit ofr. quassier, pic. quachier “meurtrir, fracasser” (van lat. quassus, deelw. van quatio) of uit ofr. coissier, dial. coichier, cuechier “kwetsen” (< lat. coctiâre) onaannemelijk. Anderzijds is onloochenbaar het germ. ww. in ʼt Ndl. en Du. met fr. vormen in associatie getreden: vgl. kwetsuur znw., mnl. quetsûre v., mhd. qua(t)schiure v. “kwetsuur”, gevormd naar ofr. quassure, dial. quachure “blessure, contusion”. Ons germ. ww. benevens vla. kwetteren “kneuzen”, mhd. quetzen, quetschen “slaan, stooten, (kapot) drukken, wonden” (nhd. quetschen) en mnd. quetten = “quessen” zijn wel met lit. gendù, gèsti “stuk gaan, beschadigd worden” gecombineerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwetsen o.w., Mnl. quetsen, Onfra. quezzon, gelijk Hgd. quetschen, intensief van *kwetten + Mndd. quetten, Mhd. quetzen = kneuzen. Niet verwant met Lat. quassare (Fr. quasser, casser, Eng. to quash) = verpletteren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kwetsjen, ww.: kneuzen, prakken, verbrijzelen, tot brij maken. D. quetschen ‘platdrukken, kneuzen, pletten’, Mhd. quetschen, quetzen ‘slaan, stoten’, Mnd. quessen, quetsen, Mnl. quetsen, Ndl. kwetsen, E. to quash ‘vernietigen’. Wellicht ontleend aan of beïnvloed door Ofr. quasser ‘kneuzen, verbrijzelen’, Pic. quachier, Fr. casser ‘breken’, afgeleid van Lat. quatere ‘slaan, stoten’. De ts in kwetsen kan inderdaad op Pic. herkomst wijzen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kwes: – (fig.) kwets – , ww., “wond”; Ndl. kwetsen (Mnl. quetsen/quessen), Hd. quetschen – daar is besware teen afl. v. Ofr. quassier (uit Lat. quassus uit quatio, “(ek) slaan”) of v. Ofr. coissier, “kwes” (uit Lat. coctiāre) en toestand bly duister t.g.v. deureenloop v. Germ. en Rom. vorme en bet.; v. kwetsuur.

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

kwetsen. ― Het werkwoord kwetsen, D. quetzen kan enkel gebruikt worden in toepassing: 1° op kneuzing en verwonding van menschen of dieren; 2° op beschadiging van planten, beide in eigenlijk of figuurlijk verband. Bij uitzondering ook op andere voorwerpen, maar nooit, zooals in het Duitsch, op mijnen, metaal, ruiten, munt. In het Nederlandsch doet men de mijnen springen, worden ruiten gebroken, slaat men munt en plet men metaal. In de onderstaande aanhaling is er spraak van een gescheurde, gebarsten, gespleten, gebroken of stukgesmeten ruit.
|| Een paar mannen waren bezig een plank te spannen voor de gekwetste ruit, Fr. Coenen, In Duisternis, 165.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwetsen ‘beschadigen; bezeren’ ->? Duits quetschen ‘persen, knijpen, knellen’; Deens kvæste ‘verwonden’; Noors kveste ‘verwonden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kväsa ‘beschadigen; bezeren’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands quets ‘beschadigen; bezeren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwetsen* beschadigen, bezeren 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gedh- ‘stoßen, verletzen, zerstören’

Ai. gandh- ‘stoßen, stechen, verletzen, zerstören’ (bei Grammatikern), gandhá-ḥ m. ‘Geruch, Duft’, av. gantay- ‘Gestank’, mpers. gand ‘Gestank’, apers. gasta- ‘eklig, widerwärtig’, afgh. ɣandal ‘Ekel empfinden’, bal. gandag ‘schlecht’. (Zur Bedeutungsentwicklung ‘stoßen, stechen’ > ‘Geruch’ vgl. z. B. ahd. stinkan ‘riechen, stinken’ gegen got. stigqan ‘zusammenstoßen’ und gr. κνίση ‘Fettdampf’ gegenüber aisl. hnīta ‘stoßen, stechen’.)
Gr. δέννος ‘Beschimpfung, Schande’ (*gendhno-); nach Kuiper Nasalpräs. 65 hierher φθόνος m. ‘Neid’ (Präs. *φθένω aus *gdh-en-);
über mhd. quetsen, quetschen ‘schlagen, stoßen, quetschen’ s. Kluge s. v. quetschen;
lit. gendù, gésti ‘Schaden nehmen, verderben, zugrunde gehen’, gadinù, gadìnti ‘verderben, beschädigen, stören’, pagadas ‘Verderben’, lett. ǵinstu, ǵint ‘zugrunde gehen’.

WP. I 672 f., Benveniste BSL. 38, 143.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal