Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwast - (verfgereedschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kwast 1 zn. (NN) ‘groot penseel; bundel draden’
Mnl. quast ‘tak met bladeren’ in Si geeft hem twee quasten inder hant ende heet dat si die vlieghen ende muggen keren ... ‘Zij geeft hun twee takken met bladeren in de hand en beveelt ze de vliegen en muggen weg te jagen’ [eind 14e eeuw; MNW], ‘pluim’ in daer boven op ... eyn riken quast ‘er bovenop een mooie pluim’ [ca. 1404; MNW], ‘sprenkelkwast’ in myt een quast op dat kerchof te gaen ende werpen ... wywater op die graven [ca. 1440; MNW]; vnnl. quast ‘waaier; borstel, penseel’ [1599; Kil.], ‘bundel draden of franje ter versiering’ in watte quasten heeft die joncker ansen bienen ‘wat een franje heeft die jonker aan zijn benen’ [1615; WNT], kwast ‘schildergereedschap’ met eene grooten kwast ... schilderen [ca. 1665; WNT].
Mnd. quast ‘loofbundel, kwast’; mhd. quast(e), kost(e) ‘bosje twijgen’ (nhd. Quast(e) ‘kwast’); ozw. kvaster, koster ‘kwast’; (nzw. kvast ‘bezem’, nde. kost ‘id.’); < pgm. *kwastu-, *kwasta- ‘takkenbundel, twijg met loof ter bedekking bij het baden’; daarnaast met ablaut os. quest ‘bosje twijgjes’; ohd. questa ‘loofschort’ (mhd. queste); on. kvistr ‘tak, twijg’ (nzw. kvist ‘id.’) < pgm. *kwesti-.
Wrsch. verwant met: Oudkerkslavisch gvozdĭ ‘houten nagel’ (Pools gwóźdź ‘id.’, Tsjechisch hvozd ‘dicht bos’); Middeliers bot ‘staart, penis’ (Nieuwiers bod), Welsh both ‘wielnaaf, schildknop’; Albanees gjethe ‘loof, twijg’; < pie. *guosd(h)- ‘(houten) nagel, penis’ (IEW 485).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwast2* [verfgereedschap] {quast [tak met bladeren, pluim, sprengkwast, kwast in boom] 1439; de betekenis ‘verfgereedschap’ ca. 1665} middelnederduits, middelhoogduits quast [bundel van loof, badkwast], noors, deens kvas [afgehakte twijg], ablautend oudsaksisch quest [bosje loof], oudhoogduits questa [loofschort]; buiten het germ. grieks bostruchos [haarkrul] (vgl. kwispel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwast 1 znw. m., mnl. quast m. ‘kwast, pluim, waaier van twijgjes’, mnd. quast, mhd. quast ‘bundel van loof, badkwast, kwast’, ozw. kvaster, koster ‘kwast’. Daarnaast abl. os. quest m. ‘bosje van loof of takjes’, ohd. questa v. ‘loofschort’. — oserv. gvozd ‘bos’, opools gwozd ‘bergwouď, gozd ‘dicht bos’; met t-afl. gr. bóstruchos ‘haarlok’ en met labiaal-afl. zie: kwispel. — Idg. wt. *ges, gos ‘takken, loof’ (IEW480).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwast znw., mnl. quast m. “kwast, pluim, waaier (van twijgjes)”. = mhd. quast m. v. “bundel van loof, badkwast, kwast” (nhd. quast), mnd. quast m. “id.”, ozw. kwaster, koster m. “kwast”. Met ablaut ohd. quësta v. “loofschort”, os. quëst m. “bosje loof of twijgjes”. De bet. kan voor verwantschap met on. kvistr m. “twijg” worden aangevoerd, dit komt echter eer van een i-basis; de vorm maakt veeleer verwantschap met obg. gvozdĭ, - ĭjĭ “spijker” of (resp. en) oserv. gvozd “bosch” aannemelijk; èn vorm èn bet. laten de combinatie met gr. bóstrukhos “krulhaar, boomloof” toe. Hoogerop kan kwispel verwant zijn. Als mnl., mnd. quast m. “knoest” (nog bestaande) identisch is met ons kwast, heeft ʼt wsch. een secundaire bet.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kwast. Vgl. Jokl IF. 30, 203—206.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kwast. Er is alle reden om kwast ‘knoest’ voor hetzelfde woord te houden. Vgl. zw. kvist, dat zowel ‘tak’ als ‘knoest’ betekent, en de woorden voor ‘tak’ en ‘knoest’ in de woordfamilie van oest.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwast 1 m., Mnl. quast + Ndd. id., Mhd. en Nhd. id., Zw. id., De. kost: van Germ. wrt. kwest, synon. verwant met wrt. kwesp in kwispel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kwas s.nw.
1. Stuk gereedskap bestaande uit 'n bondeltjie hare of vesels aan 'n steel, waarmee veral verf, gom, grimering, e.d. aangewend word. 2. Bondel langerige hare aan die punt van die stert van sommige diere, of digte haarklos wat die stert van sommige diere uitmaak.
Uit Ndl. kwast (Mnl. quast). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwast ‘franje, bundeltje’ -> Boeginees kowâsæ ‘epaulet’; Javaans kuwas ‘bundeltje franje tot sieraad van gordijnen’; Sranantongo kwasi ‘franje, bundeltje’; Karaïbisch kuwasi ‘franje, bundeltje’ <via Sranantongo>.

kwast ‘verfgereedschap’ -> Frans dialect cwasse ‘borstel om te teren’; Indonesisch kuas, kwas ‘verfborstel; scheerkwast’; Gimán kuás ‘verfkwast’; Jakartaans-Maleis kóas ‘verfgereedschap’; Javaans kuwas ‘verfgereedschap’; Kupang-Maleis kwas ‘verfgereedschap’; Madoerees kowas ‘verfkwast’; Menadonees kwas ‘verfgereedschap’; Minangkabaus kuas ‘verfgereedschap’; Ternataans-Maleis kwas ‘verfgereedschap’; Papiaments kuashi (ouder: kwasji, kwassi) ‘verfgereedschap’; Sranantongo kwasi ‘verfgereedschap’; Sarnami kwási ‘verfkwast’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwast* verfgereedschap 1665 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1064. Over éen (of denzelfden) kam scheren,

d.w.z. op dezelfde wijze behandelen; geen onderscheid maken tusschen den een en den ander; eene spreekwijze ontleend aan de weverij, zoodat kam hier weverskam beteekent, die breed en fijn is, naar gelang het stuk, dat men weeft, breed en fijn is; eig. wil de uitdr. derhalve zeggen: de draden spannen (scheren) over denzelfden kam, en daarna bij overdracht: iets op dezelfde wijze behandelen, gelijk beoordeelen.Anderen denken aan den haarkam of den wolkam, waarop het haar genomen wordt, waardoor het snijden gelijkmatig kon geschieden. Zie Mnl. Wdb. III, 1135; Ndl. Wdb. VII, 1040; XI, 243; Grimm, V, 102; Halma, 253 en 561. Vgl. Campen, 133: Hy scheertste al te saemen over eenen cam; Hooft, Ned. Hist. 215; 291; in de 17de eeuw ook op denzelfden kam scheren (o.a. bij Hondius, Mouf. 141; 338; Poirters, Mask. 146) en iemand op eenen anderen kam zetten, iemand anders behandelen (Coster, 30, vs. 598); fri. alles oer ien kaem kjimme naast alles oer ien line lûke (over éen lijn trekken). Vergelijk hiermede Joos, 78: ze zijn op eenen kam geschoren; De Bo, 485; Waasch Idiot. 322 a; Antw. Idiot. 614: zij zijn in (op of door) denzelfden kam geschoren, d.i. zij verkeeren in denzelfden toestand of hebben hetzelfde karakter; in eenen aardigen kam geschoren zijn, in een vreemden, moeilijken toestand zijn; hd. alles über einen Kamm scheren, über einen Leisten schlagen (op dezelfde leest schoeien); nd. alles over ên Kamm scheren (Eckart, 244); eng. to weave all pieces on the same loom, uitdrukkingen, die in beteekenis overeenkomen met de vroegere met éen kwast of kwispel overstrijken (Van Effen, Spect. XI, 45; De Brune, Embl. 308); over denzelfden stok water doen dragen (Marnix, Byenc. (ed. 1640), 4 b; De Brune, Embl. 256) en met denzelfden boender schrobben (Com. Vet. 71Door contaminatie van over één kam scheren en over één boeg liggen of zeilen is ontstaan alles over êén boeg scheren, dat voorkomt in De Arbeid, 15 April 1914, p. 4 k. 3: Het spijt mij dat de schrijver alles over één boeg scheert; .... Als het waar is dat alles over één boeg geschoren moet worden, enz.; ze allemaal in één mand spittenN. Taalgids XI, 305..

1810. Zijne (of de) piek schuren,

d.i. vluchten, deserteeren; syn. zijn kwast schuren (Spaan, 61; 162; Ndl. Wdb. VIII, 723H. Beckering Vinckers denkt hier aan de beteekenis ‘penis’, die kwast en piek nog hebben. Hij meent, dat de oorspr. beteekenis is geweest: coire, daarna de breede baan opgaan, er vandoor gaan, en vergelijkt krassen en opkrassen met krassen, treden van een haan (zie Tijdschrift XXXIX, 152).; vgl. Gew. Weeuw. III, 27: Zy schuerden haer piek, en veranderden van quartier; Paffenrode, 100; Spaan, 165; Halma, 503: Zijne piek schuuren, se tirer le nerf, gagner au pied; Sewel, 637: Zyn piek schuuren en doorgaan, to take to one's heels, to run away; Tuinman, I, 284; V. Janus, 169; Harrebomée II, 180; Schoolm. 46; 67; 188; 254; Zondagsblad v. Het Volk, 1905, p. 195: Prins Willem schuurde zijn piek, en Holland is nu de Bataafsche republiek; Het Volk, 15 Juni 1914, p. 1 k. 2; Ndl. Wdb. XII, 1522; enz. Eig. gezegd van een soldaat, die onder voorwendsel van zijne piek te moeten schuren zich verwijdert en niet terugkeert. Zie no. 1833 en vgl. het 17de-eeuwsche synonieme de viddels schuren (V. Moerk. 473Viddel, cunnus., eig. de baan opgaan, achter de vrouwen aan? (zie Tijdschrift XXXIX, 152), de poort, zijn gat schuren. In de Duytsce Lier, 70 en Boerekrakeel, 8 komt het wkw. schuren voor in den zin van ‘de piek schuren’; vgl. hij poetstem, hij smeertem; hd. auskratzen. In Zuid-Nederland onbekend.

1307. Een kwast,

d.i. een zonderling, een zot, een fat, ook een kwastelorum of een kwasteldorom genoemd (Draaijer, 23 b; Molema, 232; Rutten, 127). Misschien moet men er eigenlijk onder verstaan, iemand die allerlei kwasten en strikjes draagtWinschooten, 200: Hij draagt quasten (dat een soort van strikken zijn) aan zijn beenen; Brederoo, Sp. Brab. vs. 58.; vgl. een hoed, een pruik, een haneveer; een kruk (zie no. 1298); barg. kruif (eig. haarkrul), kwast, verwaande kerelNdl. Wdb. VIII, 402; Köster Henke, 37.; bij De Bo, 723 a: een dwaze mutse (= vrouw); doch mogelijk is evenzeer, dat wij moeten denken aan kwast, ook een harde kwast, eig. een knoest in het hout, in de 17de eeuw in overdrachtelijken zin een lastig, koppig, grillig mensch, iemand met allerlei kuren. Zie Hooft, Uitlegk. Wdb. III, 198; Coster, 29, vs. 592; 40, vs. 908; 541, vs. 1450; Langendijk, Vad. Koopl. 12 (Panthéon-ed.); Spaan, 130: een houtig kwasje, een lastig heer; 169: een netelig kwasje; C. Wildsch. III, 353; Halma, 524: Quastig, koppig, hoofdig; een quastige vent, un bourru, un fantasque, un capricieux ou bizarre; quast, un bourru, un sot; dat is eene quast van een vent, een koppig of wonderzinnig mensch, c'est un bourru, un capricieux, un bizarre, un têtu; Sewel, 330: Kwast (quibus, halve gek), fob, fool, boohy; fri. in kwast, een geurmaker. In den zin van lastig wezen wordt kwast gebruikt bij Van Effen, Spect. VIII, 205: De naam van gryzen knorrepot, van viezen kwast, van ouden zot. In dien van zot komt het voor in de Gew. Weeuw. I, 17; in Zuid-Nederland beteekent het vroolijke snaak, spotvogel, losbol, verkwister, kwieskwas (Teirl. II, 194); zie Waasch Idiot. 381 a; De Bo, 593 a; Antw. Idiot. 733; Teirl. II, 193; Schuermans, 313. Het is mogelijk, dat we kwast in dezen zin in verband moeten brengen met het ww. kwasten, drinken, lichtmissen (De Bo, 593; Schuermans, 313), dat wellicht hetzelfde is als het door Kiliaen vermelde quasten, quisten, cum impetu effundere, profundere. Het daarnaast voorkomend synonieme kwispel (De Bo, 597 b; Rutten, 127) of kwispelaar en het ww. kwispelen (zwieren, boemelen; Tuerlinckx, 355) doet eerder denken aan kwast, kwispel in den zin van staart en vandaar kwasten, kwispelen, als een staart heen en weer gaan, slingeren, doordraaien, leegloopen, dweilenZie Ndl. Wdb. III, 3734; VIII, 726; 818.. Ook in het Nd. spreekt men van en dulle quast, en fine quast (Eckart, 420 b; Grimm VII, 2330) en in de 16de eeuw komt de naam Hans Quast voor als zot, dwaas, gekZie Bolte und Seelmann, Niederd. Schauspiele älterer Zeit, 157; Reuter, 89.; in het Westphaalsch: 'n kwast van 'n kerel, 'n wunderliken kwast, 'n hanskwast (Woeste, 435 a).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gu̯es-, gu̯os-, gus-, erweitert gu̯oz-do- ‘Gezweig, Laubwerk’

Norw. dän. kvas ‘kleine, abgehauene Zweige’;
1. mit -d-Erweiterung:
alb. geg. ghethi ‘Blatt’, tosk. gjethe ‘Laub, Zweig’ (kollekt. Pl. zu einem Sg. *gath aus *gu̯ozd-);
ahd. questa f., mhd. queste, koste, haste, quast m. f., ‘Laubbüschel, Sprengwedel, Besen’, nhd. Quaste f., asächs. quest ‘Laubbüschel’, aschwed. kvaster, koster, schwed. qvast, norw. dän. kost ‘Laubbüschel, Reisbesen’;
aserb. gvozd m. ‘Wald’, apoln. gwozd ‘Bergwald’, gozd ‘dichter Wald’, usw.;
2. mit -t-Erweiterung:
gr. βόστρυχος ‘Haarlocke, Geringel’;
3. mit -p-Erweiterung:
ai. guṣpitá- ‘verflochten, verschlungen’;
lat. vespicēs Pl. ‘dichtes Gesträuch’;
mndl. quispel, quespel, mnd. md. quispel ‘Quast, Wedel’.

WP. I 644 f., Berneker 365.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal