Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwar - (knoest)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwar* [knoest] {1856} vermoedelijk een jonge kruising van kwast [knoest] met knar [boomstronk], knor [kraakbeen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwar znw. v. ‘planten of dieren die misdijen (Zuid-Holl.); kwast in het hout (Oost-Zeeuws-Vla.); knobbelige raap (West-Vla.); betekenissen die alle kunnen uitgaan van ‘ineengedrongen voorwerp’. Indien men van een grondvorm *kwaza mag uitgaan, kan men verbinden nnoorw. de. kvas ‘kleine afgehakte takken’ en dan verder verbinden met kwast 2.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† kwar (onvolgroeide vrucht of dier), dial. ook = ‘kwast (in hout)’ en ‘knobbel’. Wsch. een jong woord, opgekomen door kruising van kwast ‘knoest’, eventueel kwab, met een of meer van de bij knor en knorf genoemde woorden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwar, kwarrel v. resp. m., + dial. Hgd. quarr = klein mismaakt mensch, Eng. to quar = klonteren: niet verder na te gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kwar, zn.: kwast in hout. Ook Zeeuws kwarre ‘kwast, knoest (in hout)’. Het is het eerste lid in Mnl. querdel, quardel ‘smalle strook leer, knobbel, knoest, oneffenheid’, Vnnl. querdel vanden schoe ‘le rivet’ (Lambrecht), querdel ‘grove schoenveter’ (Kiliaan). Ohd. querdar ‘lokaas’, Mhd. querder > korder, körder, kërder, këder, koder, köder ‘lokaas, leren lap’, D. Köder. Germ. *kwer-þra, afl. bij een Idg. wortel *guer(ə) ‘verslinden’, b.v. in Oi. giráti ‘eet, verslindt’, Fr. borá ‘spijs’, Lat. vorare. ‘verslinden’. Uit de bet. ‘strook, veter, lap’ ontwikkelde zich de bet. ‘flard’, vandaar ‘verward kluwen, verwarde knoop’ (CV) > ‘knoest, kwast’. Vgl. Limburgs kwert ‘eelt’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kwarre zn.: kwast, knoest (in hout). Het is het eerste lid in Mnl. querdel, quardel ‘smalle strook leer, knobbel, knoest, oneffenheid’, Vnnl. querdel vanden schoe ‘le rivet’ (Lambrecht), querdel ‘grove schoenveter’ (Kiliaan). Ohd. querdar ‘lokaas’, Mhd. querder > korder, körder, kërder, këder, koder, köder ‘lokaas, leren lap’, D. Köder. Germ. *kwer-þra, afl. bij een Idg. wortel *guer(ǝ) ‘verslinden’, b.v. in Oi. giráti ‘eet, verslindt’, Fr. borá ‘spijs’, Lat. vorare. ‘verslinden’. Uit de bet. ‘strook, veter, lap’ ontwikkelde zich de bet. ‘flard’, vandaar ‘verward kluwen, verwarde knoop’ (Cornelissen-Vervliet) > ‘knoest, kwast’. Vgl. Limburgs kwert ‘eelt’. Zie ook warre.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1ghwar s.nw.
Persoon wat ru, ongemanierd of onverfynd is.
Uit Ndl. kwar 'onderontwikkelde dier of plant' of Khoi ghorrie of Nguni ghwalla.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kwar niet goed uitgegroeid exemplaar, kwast in hout, knobbelige raap (Zuid-Holland, West-Noord-Brabant, Zeeland, Vlaanderen). Mogelijk met grammatische wisseling ~ kwast (in hout) en met no., dee. kvas ‘kleine of gehakte takken’.
NEW 374, OV I 211.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kwar: dwergagtige (onvolgroeide) mens, dier of ding; Ndl. kwar, na bewering wsk. ’n “jong” wd., misk. ontst. deur kruising van ’n wd. soos kwab/kwast met ’n ander soos knor/knorf; v. ook ghwar.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kwar: dwarsdrijver. Eigenlijk: ineengedrongen voorwerp; vrucht die niet goed gegroeid is. Vandaar ook: achterblijver.

Een kwar, een dwarsdrijver wou hij zijn, op alle slakken zout leggen, onhandige meerderen het bloed onder de nagels uit pesten! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

kwar: op voorschot nemen, zo de werkman een partijtje in bewerking heeft, dat in een week niet afkomt. Een andere uitdrukking voor hetzelfde, doch meer door de Christen werklieden gebezigd, is: in de boer. Ook bestaat in deze zin het ww. boeren.* Men bedenke hierbij, dat Joodse werklieden vroeger het Hebreeuws beter kenden dan in de tegenwoordige tijd. De jongere generatie kent het woord weinig, wat ook samenhangt met de veranderde en verbeterde toestanden in de diamantindustrie | < Hebr. kewar (kebar): vantevoren

* op voorschot nemen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal