Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kwaad - (slecht; ontstemd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kwaad bn. ‘slecht; ontstemd’
Onl. in de toenaam van Ringer Quada [1174, kopie 1201-50; ONW]; mnl. quaet ‘slecht’ eerst in een Latijnse context (emerunt) quade (terram) ‘(hebben een) slecht (stuk grond gekocht)’ [1227-32; VMNW], quade nimare ‘slecht nieuws’ [1240; Bern.], de werelt es ualsch ende quaet ‘de wereld is verraderlijk en slecht’ [1276-1300; VMNW], scone weder ende quaet ‘mooi en slecht weer’ [1285; VMNW], ‘boos, toornig’ in quade moete ‘een slecht humeur’ [1285; VMNW], ‘ongezond, slecht’ in quaet tantulesch ‘ziek tandvlees’ [1287; VMNW]; vnnl. quaed ‘oneerlijk, vals’ in ter quaeder trouwen ‘te kwader trouw’ [1582; WNT], ‘boos, toornig’ in ick ben soo quaat ...! [1617; WNT].
Wrsch. een woord dat oorspronkelijk ‘vuil’ betekende: er bestaat een identieke Germaanse wortel die ‘vuilnis, drek’ betekent en in het Middelnederlands ook voorkomt als quaet, quaed, bijv. in verkins quaet ‘varkensmest’ [1377; MNW], peerdesquade ‘paardenmest’ [ca. 1425; MNW]. De verdere herkomst van die wortel is onduidelijk.
Mnd. quāt; mhd. quāt; ofri. quād (nfri. kwea); me. cwead, cwēd, cwād; alle ‘slecht’; < pgm. *kwēda- ‘kwaad’, wrsch. hetzelfde woord als pgm. *kwēda- ‘vuiligheid’, waaruit: mnl. quaet ‘drek, mest’; mnd. quād ‘id.’; ohd. quāt, kāt (nhd. Kot ‘vuiligheid, drek’); ofri. quād ‘vuilnis, drek’ (nfri. kwea). Daarnaast bestaat oe. cwēad ‘vuilnis, drek’; < pgm. *kwauda-?
Mogelijke verwanten zijn Litouws gė́da ‘schande’; Oudkerkslavisch gadŭ- ‘kruipend gedierte’ (Russisch gad ‘reptiel, amfibie’); < pie. *gweh1dh-, gwoh1dh- (IEW 483-485).
kwaad zn. ‘dat wat slecht is’. Mnl. quaed, quaet ‘wat slecht is, onheil’ in bose, quat ‘het kwade’ [1240; Bern.], dat van adame inde van euen ... ons viele quaits kuomen is ‘dat door Adam en Eva veel onheil tot ons is gekomen’ [1270-90; VMNW], goet met quade gheloent ‘goed met kwaad vergolden’ [1285; VMNW], segghen quaet ‘kwaad spreken’ [1285; VMNW], omkeren van qwaide tot guede ‘zich van het kwade tot het goede bekeren’ [1477; Teuth.]. Zelfstandig gebruik van het bn. kwaad ‘slecht’, niet de rechtstreekse voortzetting van het hierboven genoemde zn. quaed, quaet ‘vuiligheid, drek’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kwaad* [slecht, boos] {quaet [vuil, drek, kwaad] 1201-1250} middelnederduits, oudhoogduits quāt (hoogduits Kot), middelengels cwed [slecht]; buiten het germ. litouws gėda [schande].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kwaad

Het oudste is het bijvoeglijke naamwoord dat in het Middelnederlands quaet luidde. Later werd dit woord dat: slecht, zondig, verkeerd betekende, ook als zelfstandig naamwoord gebezigd. Het kwaad is: de zonde. Nu bestond er ook een woord quaet dat: vuilnis, drek betekende en misschien was dit in oorsprong wel hetzelfde woord. Uit de betekenis ‘vuil’ ontwikkelde zich dan de toepassing op al wat slecht is. Soms betekent kwaad: van slechte hoedanigheid, bijvoorbeeld in: kwaad bloed zetten, kwade vrienden. Soms is het: strijdig tegen de zedeleer: kwade trouw, het kwaad loont zijn meester. Ook betekent het: boos in: hij was kwaad op mij; nog meer verzwakt is de betekenis in: kwajongen. Daar betekent kwaad: ondeugend. Men denke voorts aan: dat kan geen kwaad (nadeel) en aan: in een kwade (onjuiste) reuk staan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kwaad bnw., (daarnaast dial. brab., antw. limb.) kôt, mnl. quaet, ‘slecht, boos, verkeerd’, mnd. quāt ‘slecht, zondig, gemeen, toornig’, mhd. (nederrijns) quāt ‘slecht, boos’, ofri. quād ‘slecht, boos’, me. cwēd ‘slecht’. — Men verbindt dit gewoonlijk met het homoniem mnl. quaet o. ‘vuilnis, drek’, mnd. quāt, ohd. quāt, chwāt, mhd. quāt, quōt, kōt, kāt (nhd. kot), ofri. quād, oe. cwēad ‘drek, mest’. — lit. gėda v. ‘schande, oneer’, osl. gadŭ ‘kruipend (eig. walgelijk) dier’, kymr. budr ‘vuil’ (IEW 483-5). — > dial. der Mark Brandenburg kvǫ̅at ‘zwak, ziekelijk, mager’ (vgl. Teuchert Sprachreste 316).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kwaad bnw., dial. (brab., Antw., limb.) kôt (-d-; ô < â), mnl. quaet (d). = mhd. (nederrijnsch) quât “slecht, boos”, mnd. quât “slecht, zondig, gemeen, gevaarlijk, toornig”, ofri. quâd “slecht, boos”, meng. cwêd “slecht”. De oorspr. bet. was wellicht “vuil”; vgl. mnl. quaet (d) o. “vuilnis, drek” [mnl. quaet o. “kwaad”, waaruit nnl. kwaad o., is een substantiveering van het bnw. quaet], ohd. quât (in samenst.; nhd. kot m.), mnd. quât, ofri. quâd o. “id.”, ags. — met vreemd vocalisme — cwêad o. “id.”. Of verwant met kymr. budr “vuil”, (lat., ospr. umbrosamnitisch, bubinâre “mit dem monatlichen besudeln”?), ksl. govno (*govĭno) “drek”, arm. ku, koy, oi. gûtha- “id.” (idg. basis gewê-) òf met obg. gadŭ “kruipend gedierte”, po. žadny “leelijk, vuil”, lit. géda “schande” (basis gêdh-), gr. dénnos (*gedh-sno-) “hoon”. Desnoods zou ook germ. *kwêða- “kwaad” van de laatste, *kwêða- en *kwauða- (ags. cwêad) “vuiligheid” van de eerste basis kunnen komen. In dit geval ligt het vermoeden voor de hand, dat *kwêða- “vuiligheid” een vervorming is, eer dan een idg. *gwê-dho- of *gwê-tó-. Kortom: de betrekkingen tusschen de geciteerde vormen zijn duister; ze worden nog duisterder, als we nog meer materiaal in beschouwing nemen (zoo bijv. oruss. guditi “lasteren, beschuldigen”, klruss. hyd “iets afschuwelijks, walg”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kwaad. Ofri. quâd wordt het best met ags. cwêad als germ. *kwauða- opgevat. Dit en germ. *kwêða-, benevens de meeste van de in het art. genoemde woorden met dentaal uit andere idg. talen, laten zich niet zonder gewaagde acrobatie tot verschillende phasen van één idg. wortel herleiden: zie WP. I, 695 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kwaad bijv., Mnl. quaet + Mndd. quat. Meng. cwéd, en zelfst. gebr. Ohd. quat (Nhd. kot) = vuilnis: niet verder op te sporen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

koed (bn.) kwaad; Vreugmiddelnederlands quade <1285>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

koet 2, zn.: snot, slijm; kleine jongen, snotneus. Wellicht hetzelfde woord als D. Kot ‘drek, excrementen; modder’. Ohd. quât, Mhd. quât, kât, Mnd. quât, Mnl. quaet ‘vuilnis, drek’, Mhd. quôt, kôt. Of hetzelfde als koet 1? De bet. ‘kleine jongen’ door verkorting van koetnaas ‘snotneus, snotjoch’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kaat, zn.: moerasgrond, slijk. Mnl. zn. quaet ‘vuilnis, vuil, drek’, Vnnl. kaet, quaet, keet ‘slijk, drek’ (Kiliaan). Vgl. D. Kot ‘drek, modder’, Mhd. quât, kât, Mnd. quât, Ofri. quâd, met verschuiving van de uitspraak in Mhd. quôt, kôt (Mennen 28). Obd. komt kât nog tot in de 17de e. voor. Verwant met kwaad, Mhd. quât ‘slecht’.

kooi, bn.: slecht. Dial. uitspraak van kwaai < kwade, met assimilatie van de velare w aan de velare klinker.

kwet 2, zn.: brij (appelkwet, pruimenkwet); pap (gekookt van varkensbloed en meel). Misschien Mnl. quaet ‘drek’, Oe. cwêad ‘mest’, D. Kot ‘drek, modder’ < Ohd., Mhd. quât. Afl. kwettel ‘verse vogelpoep’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kwaad: beantw. as s.nw. (“euwel; onreg; siekte”) aan Ndl. kwaad (Mnl. quaet, Ohd. quāt/chwāt, Oeng. cwēad, almal in bet. “drek”) en as pred. gebr. b.nw. (“boos, toornig”) aan Ndl. kwaad (Mnl. quaet, Mhd. quāt, Meng. cwēd, almal “boos, sleg, toornig”); as attr. vorm nog kwade (in geykte uitdr. soos: die kwade dag), anders kwaai, wat in Afr. in teenst. m. kwaad, “tydelik toornig”, ’n blywende eienskap aandui, behou in kompo. soos kwaaivriende, kwaaivriendskap en in redukv. in kwajong; vgl. ook Scho TWK/NR 7, 2, p. 11 i.s. kwaai.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kwaad (noodzakelijk --) (vert. van Latijn malum necessarium)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Geen kwaad met kwaad vergelden, onrecht niet met hetzelfde onrecht beantwoorden maar vergevingsgezind zijn. Soms ook zonder de ontkenning.

Woorden of passages van deze strekking kan men op verschillende plaatsen in de bijbel vinden. Bovenstaande formulering is ontleend aan Romeinen 12:17: 'Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen' (NBV)

Deux-Aesbijbel (1562), Romeinen 12:17. Niemande quaet met quaet vergeldhende. Besorghende dat eerlick is in aller menschen ooghen. (Statenvertaling (1637): quaet voor quaet.)
VN-soldaten mogen wel ter plaatse zijn maar geen enkele militaire actie ondernemen. Uitstekend..., geen kwaad met kwaad vergelden. Maar zorg dan tenminste dat er zoveel van deze VN-militairen zijn, dat het voor de strijdende partijen onmogelijk wordt om te vechten! (Meppeler Courant, jan. 1994)
Anderen zonnen regelrecht op wraak, vooral enkele moslim-bazen uit de beruchte onderwereld van Bombay, die gewend waren kwaad met kwaad te vergelden. (NRC, okt. 1994)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kwaad ‘boosaardig, boos’ -> Duits dialect quad ‘klein, zwak, ziekelijk, onbeduidend’; Negerhollands qwaet, quaat, qvaed ‘boosaardig, boos’; Sranantongo kwai ‘boosaardig, boos, lelijk’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kwat ‘slecht, boos’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kwaad* slecht, boos 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

258. Kwaad bloed zetten,

d.w.z. aanleiding geven tot ongenoegen en wrok; eene zegswijze, die alleen verklaard kan worden door het geloof, dat kwaad bloed invloed heeft op iemands humeur, zijne gezindheid.De Cock, Volksgeneeskunde, 275. Onder kwaad bloed zal men dan kunnen verstaan (zwart?) bloed, waarmede zich de gal vermengd heeft (vgl. zwartgallig); vgl. Westerbaen, Ock. 160: Oolijck bloed zetten; Tuinman I, 312: 't Zet geen goed bloed; Sewel, 987: Dat zal kwaad bloed zetten, that will breed ill blood; Janus, 31. Ook in het fr. se faire du mauvais sang; hd. böses Blut machen; eng. to breed ill or bad blood; in Zuidndl. (zich) kwaad bloed maken (of kweeken); De Bo, 150 a; Antw. Idiot. 255; Waasch Idiot. 379 b.

532. Effen is kwalijk treffen (of kwaad gepast),

d.w.z. iets precies te vinden zooals men het hebben wil, is moeilijk; ook: men kan het moeilijk iedereen naar den zin maken. Het gezegde komt voor bij Winschooten, 185: Effen is quaad te passen, dat is: men kan het alle man niet effen te pas maaken; Van Effen, Spect. VI, 73: Die spreuk kan hem niet onbekend zyn, dat effen is quaed te passen; Halma, 498: Effen is qualyk te passen, il est difficile de rencontrer juste, il est bien malaisé de faire ni trop ni trop peu; Sewel, 210: Effen is kwaalyk te passen, 't is very difficult to satisfy every one; Harreb. I, 190: Er is maar een F (Effe) in het ABC, en die is kwaad te treffen of Effen is kwaad treffen. In Het Schoolblad, 8 Mei 1906, p. 1: Effen is kwalijk treffen. Dat ondervond het N.O.G. bij het zenden van zijn adres om wijziging van art. 21. Terwijl de Bode oordeelt dat het er wat laat mee is, meent De Katholieke School dat het er eigenlijk nog te vroeg mee komt. In 't fri.: effen is slim (kwea) treffen; de wet fen effen is slim to treffen; in de Neder-Betuwe: der is moar een Effe(n)-in-'t ao-b-c.

696. Gierigheid (of hebzucht) is de wortel van alle kwaad,

d.w.z. uit hebzucht en vrekkigheid vloeien alle ondeugden voort. Ontleend aan I Tim. 6, vs. 10: Want de gelt-giericheyt is een wortel van alle quaet. Vgl. Doct. II, 419:

Met ghiereghen ende vrecken, wats gesciet,
En seldi vrienscap hebben niet;
Want ghierecheit, als Paulus seit,
Es wortele van alre quaetheit.

Zeeman, 233: Otto, 51; Wander I, 1455; fri. gjirrichheid is de wirtel fen 't kweade; fr. l'oisiveté est la mère de tous les vices; hd. Geiz ist eine Wurzel alles Uebels; eng. the love of money is the root of all evil.

1304. Van twee kwaden moet men het beste (of minste) kiezen,

d.w.z. van twee kwade zaken moet men bij eene gedwongen keuze het minst kwade kiezen. Vgl. in het Latijn: in duobus autem malis cum fugiendum majus sit, levius est eligendum (Otto, 207; Montijn, 549; Büchmann, 348); Werner, 92: Si tibi concurrent duo turpia, dilige neutrum: sed quod turpe minus, dilige! Beda docet. Bij ons in de middeleeuwen:

Hy en dunct my niet te sere riesen,
Die van tween quaden dat beste can kiesenriesen, dwaas zijn; zie Mnl. Wdb. VI, 1377..

Zie verder Seven Vr. vs. 1756: Van twee quaden sal men dbeste kiesen; Blome der doochden, 49; Goedthals, 21: Van twee quade salmen altyts tminste kiesen; Servilius, 142: van twee quade salmen tbeste kiesen; Gruterus III, 170: van twee quaden zalmen altijts t'minste kiesen; Brederoo I, 369, vs. 1995. De Brune, 112: kiest van twee quae'n het minste quaed, het ander voor uw vyand laet; Pers, 392 a: Men most uyt twee quaeden 't beste kiesen; Chomel I, 358: Echter moet' er uit twee kwaden een goed gekoren werden; Harrebomée III, 271; Ndl. Wdb. VIII, 652; Joos, 152; Teirl. II, 132: Van twie kwalen de kleinste kiezen; Wander IV, 1385, waar de zegswijze in vele talen wordt aangewezen; fr. de deux maux il faut choisir le moindre; hd. von zwei Uebeln musz man das Kleinste wählen; eng. of two ills choose the lesser.

1814. De kwade Pier,

d.w.z. kwade Pieter, de kwade man; degeen, die altijd, ook voor anderen die er belang bij hebben, iets moet verrichten, waardoor hij iemand onaangenaam is en den naam krijgt van boos te zijn. Een kwade Pier was in de 16de en 17de eeuw iemand die 't anderen lastig maakt, waarmede het niet gemakkelijk is te doen te hebben; vgl. een stijve Pier, bonte Pier, een ruwe vent; malle Pier, een dwaas, Pier Lichthart, een luchthartig mensch; Ndl. Wdb. XII, 1556. Volgens Tuinman I, 10 zegt men hy wil de quaade Pier niet zijn ‘van ymand, die iets niet met scherpheid wil aanvangen en uitvoeren’. Met Van Eijk I, nal. 59 en Laurillard, 7 te denken aan Groote Pier, of met Tuinman aan den apostel Petrus (Matth. XXVI, 51) komt me onnoodig voor. Vgl. Nw. Amsterdammer, 24 April 1915, p. 2 k. 2: Ik dacht dat de vaderlandsliefde, de ‘waarde der nationaliteit’, bij deze gelegenheid de Kwaje Pier was geweest?

1886. Van den prins geen kwaad weten,

d.i. zich geen kwaad bewust zijn, geen kwaad vermoeden, argeloos zijn; syn. van den drommel geen kwaad weten (Harreb. I, 155 b of van God geen kwaad weten, dat in de 17de eeuw voorkomt bij Heinsius, Verm. Avant. I, 325; Poirters, Mask. 188 en thans nog in het Friesch bekend is, naast van Rodermont geen kwaad weten; vgl. Ndl. Wdb. V, 211; XIII, 657 en W. Dijkstra II, 362 a: hy wit fen 'e prins gjin kwea, hij is onnoozel in het geval; ook hy wit fen God gjin kwea. Vermoedelijk dagteekent de zegswijze uit den tijd, dat velen den Prins van Oranje hoog vereerden en geen kwaad van hem wilden hooren. Zoo kon van den prins geen kwaad zeggen de algemeene beteekenis aannemen van zich stil houden, niemand te na spreken, niets misdoen, en van den prins geen kwaad weten, doen alsof men geen kwaad kent, aan iets onschuldig zijn; argeloos zijn. Vgl. Pamfl. Muller, 662 (anno 1608), bl. 4 v: Wy hebben van den prins geen quaet geseyt noch daer en is niemant te na gesproken; Pers, 608 a: Rydende voorts totten Deken, Heer Adriaen van Zuylen, wierde hy (de Prins) met soodanige blijdschap onthaelt en verwellekomt, dat yder hem ten Hemel verheffende, niemant van de Prins hadde quaed geseyt; 669 b: Dan kost hy (broer Cornelis) wederom den smeerpot op de zyde hangen, als of hy van 't Prinsken geen quaet hadde geseyt; Middelb. Avant. 780: De oude Beul, die wegens zyne doofheid van de Prins geen kwaad wist. Tuinman I, 62 beweert dat de spreekwijze afkomstig is van Broêr Kornelis ‘die na 't uitbraaken van zyn dulle gal tegen den Prins van Oranje op den predikstoel, uit vreeze van toon veranderde en zeide: Ik ben bly, om dat ik van den Prins geen quaad gezegt heb; Harreb. I, 460 b; Ndl. Wdb. VIII, 652. (Aanv.) Syn. Hij doet net alsof zijn neus bloedt, hij houdt zich onnoozel.

1925. In een slechten (of kwaden) reuk staan,

d.w.z. niet gunstig bekend zijn; eig. bekend staan als een slechten reuk hebbende, zoodat men hem niet kan luchten of rieken (Zuid-Nederland); eigenschappen bezitten, die bij anderen eene onaangename gewaarwording te weeg brengen, bij vergelijking met iets dat stinkt. Vgl. het mnl. stinken vore enen, gehaat zijn bij iemand; hd. er stinkt vor mir, ist mir zum ekel; eng. to stink, in slechten reuk staan. Vgl. Sewel, 673: In een goede reuk zyn, to have a good character or reputation. Hiernaast kwam in denzelfden zin voor: een slechten geur hebben, o.a. in Van Effen's Spect. IX, 98: De plaatsen, daar de verketterde Arrius, en de strenge Govard met de bult het leven kwyt gingen, hebben een slechte geurHier waarschijnlijk een woordspel, daar die plaats de ‘bestekamer’ was.; Afrik. hy staan in 'n slegte (goeie) ruik. Vgl. fr. (n')être (pas) en bonne odeur; hd. in gutem, schlechtem Geruche stehen; eng. to be in good (bad) odour. Zoo spreekt men ook van een reuk (of geurNkr. VII, 27 Dec. p. 5. In het Zondagsblad van Het Volk, 1905 p. 256: Omdat de familie V. in een reuk van hekserij had gestaan.) van heiligheid, de kenmerken van heiligheid, in de uitdr. ‘in een reuk van heiligheid staan’, voor zeer godvruchtig doorgaan, de sporen van heiligheid vertoonen; fr. être en odeur de sainteté; hd. ein Geruch der Heiligkeit; eng. an odour of sanctity. Zie Ndl. Wdb. IV, 1895; Taalgids I, 203 en vgl. de uitdr. Daar is, kleeft of zit een luchtje aan, dat is niet in den haak, die zaak is niet pluis, ook van personen gezegd, die in een kwaden reuk staan (M.z.A. 13; Nkr. V, 24 Juni p. 6; Nw. School II, 149; De Arbeid, 7 Nov. 1914 p. 2 k. 1; Amstelv. 152; Gron. 261: 't Is jandoppie of 'r 'n luchtje aan 't huwelek kleeft; De Nw. Amsterdammer, 9 Januari 1915 p. 1 k. 4: De voornaamste nieuwsagentschappen der wereld vervullen een officieuse rol, waar al te vaak een luchtje aan is); Ndl. Wdb. VIII 3130; fri. der is in forkearde lucht oan; Afrik. daar is 'n ruikie (geurtjie) aan. Vgl. ook Bij iemand in den (of goeden) geur staan, dat wil zeggen in een goeden reuk staan bij iemand, bij hem in den pas staan, een wit voetje hebben bij iemand. Zie Sjof. 198: Dat was de manier om in de geur te komen; Het Volk, 7 Jan. 1914 p. 5 k. 2: De firma D. heeft ook een winkel. Zij verkoopt schoonmaakbenoodigdheden en de vrouwen moeten, willen zij niet al te slecht in den geur staan, zoo nu en dan eens wat koopen; 3 Maart 1914 p. 10 k. 3: Wie het goedkoopst werkt, staat bij de administratie het meest in den geur; 15 Mei 1914 p. 7 k. 4: Bij de justitie stond hij al evenmin in goeden geur; De Arbeid, 4 Juli 1914 p. 3 k. 4: Door z'n optreden tegen de arbeiders kwam hij natuurlijk in den geur bij de heeren fabrikanten; Nkr. III, 14 Febr. p. 6:

 Een agent in Amsterdam
 Komt gauw in de geur en
 In de gunst van zijnen chef
 Door veel te bekeuren.

Nkr. II, 6 Dec. p. 6: Ben je van de kleur der regeering en sta je in den geur; Jord. II, 59: Als je eenmaal bij hem in de geur staat as meid, kijkt ie je dood!

2129. Nijdig (of kwaad) als eene spin,

ook wel: het is een nijdige spin; kwaadaardig of boos als eene spin; ook hij was spin; spinnijdig (in Jord. II, 355), d.i. geweldig boos. ‘Het is bekend, dat de groote vrouwelijke spin, na de paring, somtijds het kleine mannetje doodt en opeet’ (vgl. Volkskunde, 23, 29; Chomel, II, 1017: De spinnen zich onder elkander opvreten; vooral vreten de grote de kleinen op; Grimm X, 2512); vandaar deze zegswijze. Eveneens zeide men vroeger ‘kwaad als eene baars’, een visch, die om de gretigheid bekend is, waarmede hij in den worm bijt. In de 16de eeuw, in Mariken van Nieumeghen, vs. 406, lezen we: Ic swelle van quaetheyt als een spinne; voor de 17de eeuw vergelijke men Van Moerk. 355: 'k Ben soo quaat as een spin; zie verder Van Effen, Spect. IX, 120: Zoo boos als een spin; ook Tuinman I, 275 citeert: zy is zoo boos als een spin; C. Wildsch. V, 109: spinnig boos; Sewel, 740: Hy was zo boos als een spin, he was very angry; Harreb. II, 290 a; Nest, 72: Gut mensch, je kijkt zoo kwaad als een spin; V.v.d.D. 164: M'n advokaat keek als 'n spin dat ik 'm daar een lesje stond te geven; fri. sa nidich as in spin; hd. spinnefeind (bij Pers 151 b; 751 a: spinnevyant); oostfri. 277: spinnedül; 'n spin fan 'n wîf; sê is 'n spin. Hiernaast kent men in Friesland: sa lilk as in toerre (tor), as in baerch (varken), as in tiger; in Zuid-Nederland: zoo kwaad als eene horzel, een kriekel, een musch, een ekster, een ragaal, een hoppe (Joos, 22; Schuermans, 195 b; 294 a; Antw. Idiot. 578); eng. as angry as a wasp.

2170. 't Is kwaad stelen waar de waard een dief is,

d.w.z. het is moeilijk iemand te bedriegen, die zelf een bedrieger of sluw is; het is moeilijk vossen met vossen te vangen (zie Prov. Comm. 656: t' is quaet vossen met vossen vaen); mlat. callidus est latro qui tollit furta latroni; fr. il est bien larron qui vol un larron. De zegswijze komt in de 16de eeuw voor in de Prov. Comm. 663; Goedthals, 38: tis quaet stelen, daer de weert een dief is, il est caut larron qui desrobe a un larron; V. Rijssele, Sp. der M. vs. 2196: Het is quaet stelen daer de weert een dief is; S. Andriessoon, Duytsche Adagia (anno 1550) p. 41: Tis quaet stelen daer de weert een dief is. Tis quaet hincken voor de gene die manck gaen, dat is, t' is quaet yemande een dinghen wijs te maken, dat hy selver verstaet, ende wel beter weet; Adagia, 63: t' Is quaet stelen daer den Weert is een Dief, hospes ubi fur est, durum subducere quidquam; Cats II, 216:

 't Is qualijck yet te stelen,
 Wanneer de huyswaert self die rolle weet te spelen.

Zie verder De Brune, 189; Suringar, Erasmus, XLV; Harreb. I, 130; Wander I, 588: einem Diebe ist böss stelen.

2600. Wee den wolf die in een kwaad gerucht staat (komt of is),

d.w.z. wee hem, die eens zijn goeden naam verliest: niet spoedig zal die weder in eere worden hersteld; wie eens gelogen heeft, wordt nooit geloofd. Daar er geen wolven zijn, die in een goed gerucht staanGids, Maart 1909; Nieuwe Taalgids III, 176., zal volgens Dr. D.C. Hesseling, de oorspronkelijke bedoeling van dit spreekwoord wel geweest zijn: ‘Wee den wolf, die (= dat dier dat) in een kwaad gerucht staat,’ maar 't gevoel voor de eenheid, voor 't samenvatten van de geheele gedachte in een doorloopende uiting, heeft over de logica gezegevierd en de syntaxis is veranderd. Deze eenheid wordt in 't schrift aangeduid door het ontbreken van de komma.’

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gōu-, gū- ‘Mist, Exkremente, Kot, Ekelhaftes’, im Germ. und bes. im Balt.-Slav. mit Bedeutungs-Entw. von ‘Abscheu, Ekel’ zu ‘kleine, ekelhafte Tiere, Kriechtiere’ und von ‘verunreinigen, verunstalten’ zu ‘schmähen, beschimpfen, tadeln’.

Ai. gū-tha-ḥ, -m ‘Exkremente’, av. gū-θa- n. ‘Schmutz, Kot’ (nur bei Gramm. auch guváti ‘cacat’, gūnam ‘cacatum’);
arm. ku und koy ‘Mist’ (*gō̆u-so; ? s. unten);
lat. būbināre ‘mit dem Monatlichen besudeln’ könnte aus älterem *bovinō (mit osk.-umbr. b für g) umgestaltet sein, wie bovīle zu bubīle;
maked. γοτάν (leg. γοῦταν)· ὗν Hes. (?);
slav. *govъno ‘Kot’ in russ.-ksl. govno usw., im Ablaut slav. *gavjǫ, *gaviti in russ.-ksl. ogaviti ‘vexare’, serb. gaviti se ‘sich ekeln’ (und ablautend gȕvȋ mi se ‘mich ekelt, ich muß brechen’, gȕviti se), čech. o-haviti ‘verunstalten’, ohavný ‘abscheulich’, russ. dial. gávedь f., ‘Greuel’, klr. hávedńa ‘Gesindel’, čech. havěd’ ‘Geflügel, Gesindel’, poln. gawiedź ‘kleine Kinder und Haustiere; Geflügel, Läuse; Gesindel, Pöbel’.
dh-Erweiterung gē[u]dh-, gō[u]dh-, gūdh-.
Lit. gė́da f. ‘Schande, Unehre’, gė́dingas ‘schandbar’, gė́dinti ‘beschämen, beschimpfen’, apr. gīdan Akk. ‘Schande’;
aksl. gadъ m. ‘Kriechtier (*ekelhaftes Tier); schädliches Tier’ (*gōdh-), ksl. gaždu, gaditi ‘verabscheuen, tadeln’, russ. gáditь ‘beschmutzen, besudeln, verderben’, serb. gȁd ‘Ekel; Schlange, Gewürm’, čech. haditi ‘schmähen, tadeln’ (usw., s. Berneker 289);
poln. żadać się ‘abominari’, żadny, żadliwy ‘häßlich, garstig’ (*gēdh-); russ. dial. gídkij ‘ekelhaft’, klr. hyd ‘Abscheuliches, Ekel’; mit Formans -d(h)a in čech. o-hyzda (*gyz-dā) ‘Ekel, Abscheu’, hyzditi ‘tadeln, schmähen, verwerfen, poln. mdartl. gizd ‘Ekel, Schmutz, unreiner Mensch’ (mit anderer Bedeutungswendung serb. gízda ‘Stolz, Eleganz, Schmuck, Anmut’ u. dgl., s. Berneker 374);
mnd. quād ‘stercus’, ahd. quāt, mhd. quāt, kōt, kāt, nhd. Kot, tirol. kōt ‘ekelhaftes Tier’, Pl. köter ‘allerhand Ungeziefer’, mnd. quād, mndl. qwaet, holl. kwaad ‘böse, häßlich, verderbt’, md. quād ‘böse, ekel, schwach’;
mit idg. -ǝu-:
cymr. budr ‘schmutzig’, budro ‘beschmutzen’, mir. buadraim ‘trübe, verwirre’ (vgl. Pedersen KG. I 112);
ags. cwēad ‘Kot’, afries. quād ‘schlecht’;
mit u aus *-ǝu- slovak. ohuda ‘Scheusal’, klr. ohúda ‘Tadel’, aruss. guditi ‘calumniari, blasphemare, accusare’ u. dgl.;
mit -ǝ- als Tiefstufe von [u] oder germ. Ablautneubildung ndd. quadder ‘schmutzige Feuchtigkeit, Schleim’ = mnd. koder ‘Schleim’, nhd. dial. koder, Köder ‘zäher Schleim, Schnupfen’, auch ndd. quassen (*kwadsōn) ‘(in Feuchtem) quatschen’, quasken, quatsken, nhd. quatschen, engl. quask, squash und vielleicht der Volksname Quadi;
alb. (*gu̯edhíi̯o-), fem. zeze (*gu̯edhi̯ā) ‘schwarz, unglücklich, schlimm’, f. ‘Trauer, Hungersnot’.

WP. I 694 ff., WH. I 118f., Trautmann 81.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal