Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kust - (de uitdrukking te kust en te keur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kust 2 zn. ‘keus’
Mnl. cust ‘wens, keuze’ in na den custe ‘naar eigen wens’ [ca. 1440; MNW], volbrochten si hoirs vaders kust ‘volbrachten zij de wens van hun vader’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. te kust en te keur ‘naar verkiezing, zoals of zoveel men maar wil’ [1621; WNT].
Os. cust; ohd. kust; ofri. kest (nfri. kêst ‘artikel in wet of statuut’); oe. cyst; got. ga-kusts; < pgm. *kus-ti- (v.), afleiding met umlaut van de nultrap van de wortel van → kiezen. Daarnaast staat een mannelijke stam pgm. *kus-tu-, waaruit: on. kostr ‘keuze’, waaruit ‘goede eigenschap; wijze; toestand’ (nde. kost, door ontlening ook oe. cost ‘goede eigenschap’); got. kustus ‘beproeving’. Zie ook → keur.
Pgm. kustu- is verwant met: Latijn gustus ‘het proeven, het genieten’; Oudiers guss ‘deugdelijkheid, kracht’ (< Proto-Keltisch gustu-); < pie. *ǵus-tu- (IEW 399). Grieks geúesthai ‘proeven’ < pie. *geus- (met verlies van intervocalische -s-). Pgm. *kusti- kan secundair gevormd zijn met aanpassing aan het achtervoegsel *-ti- voor abstracta; indien het reeds Indo-Europees is, dan is het wrsch. hetzelfde als Sanskrit juṣṭi- ‘gunst’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kust2* de uitdrukking te kust en te keur [voor het kiezen] {1663} komt van middelnederlands cust, oudsaksisch kust, oudhoogduits kust, oudengels cyst, oudnoors kǫstr, gotisch kustus; afgeleid van kiezenkeur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kust 2 znw. v. ‘verkiezing ‘vgl. te kust en te keur, mnl. cust m.v. ‘verkiezing, wens’, os. kust v. ‘keus, wil, het beste’, ohd. chust v. ‘keus, taxatie, deugdelijkheid’, ofri. kest v. ‘met onderling goedvinden vastgestelde wet’, oe. cyst m. ‘keus, het beste, welwillendheid’, on. kostr m. ‘keus, verkiezing, goede eigenschap, wijze, toestand’, got. kustus m. ‘beproeving’. — Germ., *kustuz beantwoordt geheel aan lat. gustus ‘het proeven, genieten’, kelt. gustu- ‘keus’ (in namen als iers Oengus, Fergus, kymr. Ungust), oiers guss ‘deugdelijkheid, kracht’. Een germ. *kusti (indien niet secundair gevormd) stemt met oi. juṣṭi- ‘liefdeblijk, gunst’ overeen. — Zie verder: kiezen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kust II (verkiezing), mnl. cust m. v. “verkiezing, wensch”. = ohd. chust v. “keus, taxatie, deugd, deugdelijkheid”, os. kust v. “keus, wil, het beste”, ofri. kest v. “met onderling goedvinden vastgestelde wet”, ags. cyst m. “keus, het beste, welwillendheid, gulheid”, on. kostr m. “keus, verkiezing, goede eigenschap, wijze, toestand”, got. kustus m. “beproeving”, ga-kusts v. “dokimḗ ”. De germ. u-stam = lat. gustas “het proeven, genieten”, kelt. *gustu- (ier. Oen-gus, okymr., okorn. Un-gust), de i-stam, als hij oud is, = oi. júṣṭi- “liefdeblijk, gunst”. Zie verder bij kiezen en vgl. nog ohd. chostôn (nhd. kosten), os. koston, ags. costian, on. kosta “onderzoeken” = lat. gustâre “proeven”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kust 2 v. (keur), Mnl. cust, Os. id. + Ohd. kust, Ags. cyst, On. kostr, Go. kustus + Lat. gustus: een afleid. van den zw. graad van Germ. wrt. keus, Idg. wrt. geu̯s (z. kiezen.)

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1303. Te kust en te keur,

d.w.z. naar wil (of wensch) en naar keuze, naar zijn welgevallen; gewoonlijk in verbinding met het werkwoord gaan. De woorden kust en keur drukken zinverwante begrippen uit, die thans als identiek worden opgevat (zie no. 1250); beide komen reeds in de middeleeuwen voor. Zonder de praepositie te wordt de verbinding aangetroffen bij Westerbaen II, 716: 't Huys is binnen bet voorsien, om u de kust en keur van alles aan te bien. Mèt het voorzetsel vinden we haar bij Hooft, Ged. I, 179:

Krielt het van vrijers niet om uw deur?
Mooghje niet gaen te kust en te keur?
En doeje niet branden, en blaecken, en braên,
Al waer 't u op lust een lonckje te slaen?

Zie verder C. Wildsch. II, 304; V, 302; Sewel, 428: Te kust en te keur, choise of goods; Halma, 296: Te kust en te keur, gemakkelijk, à souhait, facilement, sans peine; Harreb. I, 398 b; Ndl. Wdb. VIII, 618; Antw. Idiot. 728; Villiers 470.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑eus- ‘kosten, genießen, schmecken’, im Germ. und Kelt. ‘wählen’, im Indo-Iran. und Alban. ‘lieben’, nominal g̑us-ti-s, g̑us-tu-s

Ai. jṓṣati, juṣátē ‘kostet, genießt, liebt’, jōsáyatē ‘findet woran Vergnügen’, jṓṣa-ḥ ‘Zufriedenheit, Billigung, Genüge’, av. zaoš-, apers. dauš- ‘Geschmack woran finden’, av. zaošō ‘Gefallen’, zuštō ‘beliebt, erwünscht’; khotan-sak. ysūṣḍē ‘er schätzt’, ysua, ysuyān (ys = z) ‘Leckerei’;
gr. γεύομαι ‘koste, genieße’ (davon γεύω ‘lasse kosten’);
alb. desha ‘ich liebte’, Präs. do dua (*g̑ēus-n-, Jokl IF. 37, 101 f.);
n-Präs. lat. dēgūnō, -ere ‘kosten’ (*gus-nō);
air. asa-gū (*g̑us-s-t) ‘ег wünsche’ (ad-gūsi, asa-gūssi ‘er wünscht’, s. zur Form Pedersen II 549), do-goa (*g̑us-ā-t) ‘er wählt’, Verbaln. togu ‘wählen, Wahl’, Prät. dorōigu ‘elegit’ (*to-ro-g̑i-g̑ēus-t), Pokorny IF. 35, 177 ff., usw. (s. Pedersen aaO.);
got. kiusan ‘prüfen, erproben’, anord. kjōsa ‘wählen, wünschen’ (auch ‘durch Zauberei beeinflussen’, ahd. as. kiosan ‘schmecken, prüfen, wählen’, nhd. kiesen, Kaus.-Iter. got. kausjan ‘prüfen, kosten, schmecken’ (= ai. iōšáyatē); vgl. ags. wæl-céasig ‘leichenwählend’ (vom Raben).
Nomen actionis auf ti-: ai. júṣṭi-ḥ ‘Liebeserweisung, Gunst’, got. ga-kusts f. ‘Prüfung’, afries. kest, ags. cyst m. ‘Gegenstand einer Wahl, Vorzüglichkeit’ (aber gr. γεῦσις erst einzelsprachliche Bildung von γεύομαι aus): auf tu-: lat. gustus, -ūs ‘das Kosten, Genießen’, kelt. *gustu- ‘Wahl’ in den Namen ir. Oengus, Fergus, acymr. Ungust, Gurgust und in air. guss ‘Tüchtigkeit, Kraft’, got. kustus ‘Prüfung’, ahd. as. kust m. ‘Prüfung, Schätzung, Wahl, Vortrefflichkeit’, anord. kostr, -ar ‘Wahl, Willkür, (gute) Eigenschaft’; Ableitung vom Partiz. *gus-tós: lat. gustō, -āre ‘kosten, genießen’= ahd. as. kostōn ‘kosten, versuchen’, ags. costian ‘versuchen, plagen’, anord. kosta, -aða ‘prüfen, sich anstrengen, erstreben’; altes Nomen actionis ist *kuriz in ags. cyre m. ‘Wahl, Urteil’, ahd. kuri f. ds. (nhd. Kur-fürst, Will-kür), mit Übergang ins Neutrum anord. kør ‘Wahl’, ags. ge-cor ‘Entscheidung’, abgeleitet ahd. korōn ‘gustare, probare’.

WP. I 568 f., WH. I 628 f., Feist 312 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal