Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kunst - (bekwaamheid, vaardigheid; creatieve uiting; namaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kunst zn. ‘bekwaamheid, vaardigheid; creatieve uiting; namaak’
Onl. kunst ‘wijsheid, bekwaamheid’ in mit hiro kunste ‘met hun bekwaamheid’ [ca. 1100; Will.]; mnl. kunst, cunst ‘kennis, het kennen’ in die kunst van ghesteliken saken ‘de kennis van geestelijke zaken’ [1265-70; CG II], ‘bekwaamheid, vaardigheid’ in der const di nyman en can gheleren ‘de vaardigheid die niemand kan leren’ [1265-70; CG II], ‘vak, ambacht’ in conste van ghietene ‘de kunst van het gieten’ [1340-60; MNW-R], ‘wetenschap’ in .vij. ... conste gheheten liberale ‘zeven zogenaamde vrije kunsten’ [1340-60; MNW-R], swarte consten ‘zwarte kunsten, toverij’ [1400-50; MNW stake]; vnnl. kunst ‘voortbrengsel van menselijke vaardigheid, kunstwerk’ in daerse alderhande cunst op wercken ‘waar ze allerlei versieringen op schilderen’ [ca. 1509; WNT], kunstje ‘een enkele uiting van bekwaamheid, kunstige handeling’ in dat zou een kunsjen wesen, daer ick wel een duyt aen wou versien ‘... waar ik wel een duit voor over zou hebben om het te zien’ [1612; WNT loop I], ‘menselijke vaardigheid i.t.t. de natuur’ in noch volgens de Kunst, noch volgens de natuur [1661; WNT]; nnl. hy ... bemint de fraaye kunsten [1770; WNT Aanv. idool], schoone kunsten [1778; WNT].
Os. cunst, cust (mnd. kunst, door ontlening nzw. konst); ohd. kunst (nhd. Kunst); ofri. kunst (nfri. keunst); alle oorspr. ‘wijsheid, kennis’, < pgm. *kun-sti-, West-Germaanse afleiding van *kunnan-, zie → kunnen.
Mnl. conste ‘het kennen, kennis’ was aanvankelijk een abstract woord bij mnl. connen (zie → kunnen) in de oorspr. betekenis ‘weten, kennen’, zoals bijv.komst bij komen. Onder invloed van connen ‘in staat zijn’ kreeg ook conste de betekenis ‘bekwaamheid’ en sinds de 14e eeuw bij uitbreiding vooral ‘vak, ambacht’ en ‘wetenschap’, meestal in combinatie met een werkwoord. Het fungeerde veelal als vertaling van Latijn ars. In deze laatste betekenis is conste en vnnl. const/kunst in het Nieuwnederlands geheel vervangen door → -kunde en wetenschap.
Bij kunst staat de menselijke vaardigheid centraal, in contrast met de natuur, zie de attestatie uit 1661. Hieruit ontstond het productieve gebruik van kunst- ‘namaak, niet natuurlijk’ in samenstellingen als kunstgrot [1807; WNT], kunstbemesting [1846; WNT], kunstlicht [1866; WNT], kunststof ‘kunstmatig vervaardigd materiaal’ [1912; NRC]. Ten slotte heeft het woord kunst zich als collectief gespecialiseerd tot ‘het werk van schilders, beeldhouwers, musici enz.’, als verkorting van wat men de fraaie of schone kunsten noemde. Deze betekenis is wrsch. in het Duits ontstaan en door het Nederlands overgenomen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kunst* [creatieve uiting] {const(e), cunst(e) [kennis, kunde, bekwaamheid, kunstvaardigheid, ambacht, wijsheid] 1285} van middelnederlands connen, cunnen [kunnen, kennen], gevormd als komst bij komen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kunst znw. v., mnl. const, cunst, conste, cunste v. ‘kunde, vak, kennis, bekwaamheid, behendigheid, handwerk, wijsheid, kracht’, os. kunst ‘kundigheid, wijsheid’, ohd. kunst ‘het weten, kennis, wijsheid, handigheid’, owfri. konst ‘kennis’. Het woord is uitsluitend continentaal westgerm. met sti-suffix gevormd van germ. *kunnan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kunst znw., mnl. const, cunst (conste, cunste) v. “kunde, vak, kennis, bekwaamheid, behendigheid, handwerk, wijsheid, kracht”. = ohd. chunst v. “het weten, kennis,wijsheid, handigheid” (nhd. kunst), os. kunst v. “kundigheid,wijsheid”, owfri. konst v. “kennis”. Abstractum bij kunnen, gevormd evenals gunst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kunst v., Mnl. const, Os. meerv. cunsti + Ohd. kunst (Mhd. kunst, Nhd. id.) Ofri. konst: met -t-suffix van den zw. graad van wrt. ken (z. kunnen); de s ontwikkelde zich als in komst, gunst (z.d.w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kunst ‘kunstvaardigheid, creatieve uiting’ -> Deens kunst ‘kunstvaardigheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kunst ‘kunstvaardigheid, creatieve uiting’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds konst ‘kunstvaardigheid, creatieve uiting’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins konsti ‘aangeleerde vaardigheid, trucje; streek’ <via Zweeds>;? Ambons-Maleis kons ‘kunstvaardigheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kunst* kunstvaardigheid, creatieve uiting 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

278. Zoo vraagt men den boer (of boeren) de kunst af,

d.w.z. ‘zoo komt men van onnoozele lieden het geheim te weten; m.a.w. ik ben zoo onnoozel niet om mij zóó te laten uithooren. Zegswijze om iemand af te schepen, die al te nieuwsgierig vraagt, maar wien men het fijne van de zaak niet wil mededeelen’. Voorkomend in de 17de eeuw bij J. Cats in het Sp. Heid. 1675; ook in Lichte Wigger 16 v. Zie het Ndl. Wdb. I. 1778; III, 157; De Bo, 588; Waasch Idiot. 129 a; 378 a; Taalgids V, 189.

1300. Kunst baart gunst,

d.w.z. kunst maakt dat men in aanzien komt, gezien wordt; wekt de genegenheid van anderen; eene meening die men in de late Middeleeuwen ook reeds had, blijkens Mar. v. Nieum. vs. 533: Conste maect ionste. Zie verder Cats I, 459: Kunst bairt gunst; bij Sewel, 407: Konst baart roem; in 't hd. Kunst macht Gunst; fr. qui art a, partout part a; eng. skill wants no good will.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑en-2, g̑enǝ-, g̑nē-, g̑nō- ‘erkennen, kennen’, zur Vermeidung der Homonymie mit 1. g̑en- werden vielfach Verbalformen mit g̑nō- verwendet., Nominalbildungen: g̑enǝ-tlo- ‘Kennzeichen’, g̑nō-mn̥ ds., g̑nō-ter- ‘Kenner’, g̑nō-ti- ‘Erkenntnis’, g̑nō-to-s (?) ‘bekannt’, gn̥̄-tó-s ds.

Ai. jānā́mi ‘ich weiß’, anu-jñā- ‘zugestehen, gewähren’, av. paiti-zānǝnti ‘sie nehmen sich jemandes an’ (themat. 2. Pl. paiti-zānatā ‘ihr erkennt an, nehmt auf’), apers. 3. Sg. Impf. a-dānā ‘er wußte’ (idg. *g̑n̥̄-nā-mi, daneben enklit. *g̑n̥-nāmi in:) av. zanā-t̰, zanąn, afghan. pē-žanī ‘unterscheidet, erkennt’;
arm. Aor. caneay ‘ich erkannte’ (an-can ‘unbekannt’) unsicherer Grundform (zum Präs. *g̑n̥̄-nā-mi? oder aus *g̑en-? wie:) canaut’ ‘bekannt’;
air. itar-gninim, asa-gninaim ‘sapio’ (Fut. -gēna aus *ge-gnā-, Pert ad-gēn-sa ‘cognovi, cognosco’ aus *ge-gn-; am Präsensstamm gnin- ist der Vok. noch ungeklärt; vgl. Pokorny IF. 35, 338 f., Marstrander Prés. nas. 23);
got. kunnan ‘kennen, wissen’ (kann, Prät. kunþa; Ausgangspunkt die schwundstuf. Pluralformen kunnum, kunnun aus *g̑n̥-nǝ-més); daneben schwaches Verb ana-kunnan ‘erkennen’ usw. = ahd. kunnēn ‘noscere, temptare’ (schon urgerm., Wissmann Nom. postverb. 146 f.); daneben hochstufiges ōn-Verb anord. kanna ‘untersuchen’;
ahd. (usw.) starkes Verb. kunnan (kann) ‘wissen, können’ (in den älteren Sprachzeiten nur von geistigem können = kennen, Gegensatz zu mögen); dazu das Kaus. got. kannjan (*g̑on-) ‘bekanntmachen, kundtun’, ags. cennan ‘benachrichtigen, erklären, zuschreiben’, ahd. ar-kennen ‘erkennen’, bi-kennen ‘bekennen’, nhd. kennen.
lit. žinaũ, žinóti, lett. zinât ‘wissen’ (žìno = *gen-, danach Pl. žìnome, Inf. žinóti, Partiz. žinótas) = apr. posinna ‘ich bekenne’ (Inf. posinnat, Partiz. posinnāts), ersinnat ‘erkennen’;
sk̑o-Präs. apers. (Konj.) xšnāsātiy ‘er soll erkennen’; gr. γιγνώσκω, epir. γνώσκω ‘erkenne’, lat. nōsco (gnōsco) ‘erkenne’, ignōsco ‘habe ein Einsehen, verzeihe’ (vgl. ai. anu-jñā-); alb. njoh ‘ich kenne’ (*g̑nē-sk̑ō; 2. 3. Sg. njeh durch Umlaut); s. auch unten lit. pažį́stu;
Perf. ai. jajñā́u, lat. nōvī, ags. cnēow (cnāwan) ‘erkannte’; gr. Aor. ἔ-γνων, ai. Opt. jñā-yāt; gr. γέγωνα ‘bin vernehmlich, sage’ (auch formell zum Präs. geworden γεγωνέω ds., γεγωνίσκω);
dazu das i̯o-Präs. ai. jñāyáte (Pass. zu jānā́ti), ahd. knāu (ir-, bi-, int-) ‘erkenne’(*gnē-i̯ō), ags. cnāwan (engl. know) ds. (zum w vgl. lat. nōvī, ai. jajñā́u), mit ahd. urknāt ‘Erkenntnis’, und aksl. znajǫ, znati ‘kennen, wissen’ (*g̑nō-i̯ō);
Desid. ai. jijñāsati, av. zixšnā̊ŋhǝmnā̊ ‘die erkundigen Wollenden’; lit. pažį́stu, -žinaũ, žìnti ‘kennen’; nach Leumann IF. 58, 118 aus *g̑n̥-skō herzuleiten; anders Persson Beitr. 341;
Kaus. ai. jñāpayati (die p-Form wäre alt, wenn Charpentier IF. 25, 243 mit Recht arm. canaut’ ‘bekannt’, i-St. = ai. jñapti-ḥ ‘Erkenntnis, Kunde’ setzt); aber jñapta- vielmehr retograd aus kausat. jñāpita-, IF. 57, 226 f.
to-Partiz. g̑nō-tó-s (hat vielleicht das ō sekundär von den Verbalformen bezogen): ai. jñātá-ḥ ‘bekannt’, gr. γνωτός (jünger γνωστός) ds. (ἀγνώς, -ῶτος ‘unbekannt’), lat. nōtus, air. gnāth ‘gewohnt, bekannt’ (cymr. gnawd ‘Gewohnheit’; dazu cymr. gnaws, naws ‘Natur’, bret. neuz ‘Aussehen’, als brit. Lw. air. nōs ‘Sitte’), gall. Κατου-γνᾱτος, Epo-so-gnātus; ai. ajñāta-, ἄγνωτος, ignōtus ‘unbekannt’, air. ingnad ‘fremd’; daneben *g̑nŏ-tó-s (Umfärbung von *g̑nǝ-tós nach g̑nō-?) in lat. nota ‘Kennzeichen, Merkmal, Fleck, Mal’ (substantiviertes Fem. des Partiz.), Denom. notō, -āre ‘kennzeichnen, beobachten; tadeln, rügen’, daher wohl auch in cognitus, agnitus, vgl. mit derselben Vokalstufe gr. *ἄ-γνο-ϝος in ἀγνοέω ‘weiß nicht’, ἀγνοίᾱ, ἄγνοια ‘Unwissenheit’; besser über ἀγνόεω (steht für *ἀνόεω) und lat. nota (zu ὄνοσθαι ‘tadeln’) jetzt Leumann Homer. Wörter 22823; toch. A ā-knats, В a-knātsa s. unten.
g̑nǝ-to-s in mcymr. yngnad, ynad ‘Richter’ (*en-g̑nǝ-to-s), dirnad ‘Urteilskraft’ (*dē-pro-g̑nǝ-to-), Loth RC 47, 174 f.
g̑n̥̄-tó-s in lit. pažìntas ‘bekannt’, got. kunþs, ags. cūþ, ahd. kund ‘kund, bekannt’, got. unkunþs ‘unbekannt’; mit Hochstufe der 1. Silbe av. paiti-zanta- ‘anerkannt’ (wie ā-zainti- ‘Kunde’).
g̑nō-ti- in ai. pra-jñāti-ḥ f. ‘Erkenntnis’, gr. γνῶσις f. ‘Erkenntnis’, lat. nōti-ō f., aksl. Inf. znati, russ. znatь f. ‘die Bekannten’; vgl. ahd. urchnât f. ‘agnitio’ (*g̑nē-ti-s);
g̑n̥-tí-s in ahd. kunst (-sti- für -ti-) ‘Kunst, Kenntnis, Weisheit’ (got. kunþi ‘Kunde, Erkenntnis’ aus *kunþia- n.), lit. pažintìs f. ‘Erkenntnis’;
g̑nō-ter- in ai. jñātár-, av. žnātar- ‘Kenner’, vgl. gr. γνωστήρ, lat. nōtor ‘Kenner, Bürge’; vgl. ai. jñāna-m (*g̑nō-no-m) ‘Kunde, Erkenntnis’.
g̑nō-mn̥ in gr. γνῶμα ‘Erkennungszeichen; Winkelmaß’ (daraus lat. grōma ‘Meßinstrument der Feldmesser’ und, vom Akk. γνώμονα aus, auch norma ‘Winkelmaß, Richtschnur, Vorschrift, Regel’); aruss. znamja (aksl. znamenije, znakъ) ‘Zeichen’ (von einem entsprechenden lat. *gnōmen ist *cognōmen, agnomen beeinflußt); gr. γνώμη ‘Meinung’ (wohl für *gnō-m[n]ā), vgl. lit. żymė̃ ‘Merkzeichen’ (*žįmė̃); γνώμων ‘Richtmaß’.
g̑nō-tel- in sloven. znȃtelj ‘Kenner’, russ. znátelь ‘Mitwisser’; auch ai. jñātár- könnte statt zu g̑nō-ter- hierher gehören.
g̑enǝ-tlo- : g̑nō-tlo- ‘Erkennungszeichen’ in lit. žėnklas ‘Zeichen’; apr. ebsentliuns ‘bezeichnet’: ai. jñātra- n. ‘Fähigkeit des Erkennens’;
germ. *knōþla- in ahd. beknuodilen ‘vernehmbar werden’, einknuadil ‘insignis’; vgl. lat.(g)nōbilis ‘kennbar, bekannt; vornehm, odel’ (Adjektivierung eines *g̑nō-dhlom ‘Kennzeichen’);
g̑nō-ro- in gr. γνώριμος ‘kenntlich, bekannt, angesehen’, γνωρίζω ‘mache bekannt’ (zu *γνῶρον), wozu mit Ablaut *g̑n̥̄-ró-: lat. gnārus ‘einer Sache kundig’, ignārus ‘unkundig’ (ignōro eher aus *ignāro nach nōsco umgefärbt als mit der Ablautstufe von γνώριμος), gnāruris Gloss. ‘gnārus’, ignārurēs ‘ἀγνοοῦντες’, nārrāre ‘zu Wissen machen, künden’ = umbr. naratu ‘narrātō’, naraklum ‘nūntiātiō’; als Endglied von Kompositis ai. -jnā̆-, av. uxδa-šna- ‘die Rede kennend’.
Hierher vermutlich idg. g̑nē-u̯os ‘kundig, wer es weiß, wie man es zu machen hat, tatkräftig’ in anord. knār ‘tüchtig, kräftig’ (ags. gecnǣwe ‘eingestanden, bekannt’ ist dagegen junge Bildungvon cnāwan aus); vgl. (aus *g̑n̥̄-u̯o-s?) lat. nāvus (alt gnāvus) ‘regsam, tatkräftig’, ignāvus ‘ohne Tatkraft’, woneben mit *-ǝu̯- mcymr. go-gnaw ‘vertraut mit’ (*upo-uk̑s-g̑nǝu̯o-?), mbret. gnou ‘manifeste, évident’, abret. inschr. Bodo-cnous (d. i. -gnous, Loth RC 18, 93), mir. gnō ‘ausgezeichnet’, nir. gnō ‘business, affairs’. Eine ähnliche Bed.-Entw. in der germ. Sippe aisl. kø̄nn ‘einsichtsvoll, klug, tüchtig’, ags. cēne ‘kühn, dreist’, ahd. kuoni ‘kühn, kampflustig’ (Dehnstufe wie γέγωνα), vgl. mit Tiefstufe lit. žýnė ‘Hexe’ (‘die Kluge’), žýnis m. ‘Hexenmeister’;
toch. AB knā- ‘wissen, erkennen’, A ā-knats, В a-knātsa ‘unwissend’.
Über hitt. ḫa-an-na-i ‘urteilt’ s. Pedersen Hitt. 201 (wenig glaubhaft).

WP. I 578 ff., WH. I 613 f., II 176 ff., Trautmann 370 f., Feist 316 f., Meillet Cinquantenaire 172 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal