Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kunnen - (in staat zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kunnen ww. ‘in staat zijn’
Onl. kunnon ‘in staat zijn’ in siu cunnon alle mahtigan wole ueghtan ‘ze kunnen allemaal uitstekend vechten’ [ca. 1100; Will.]; mnl. connen, minder vaak cunnen ‘weten, kennen; in staat zijn tot, kunnen’ in eine ander sprake negeine nekunde he gespreken ‘hij kon geen enkele andere taal spreken’ [1200; CG II], si kan van arzedie so scone ‘zij kent de geneeskunst zo goed’ [1250; CG II], ende andre beden die si conste ‘en andere gebeden die ze kende’ [1265-70; CG II], liede ... die en geen latijn en conen ‘mensen die geen Latijn kennen’ [1276-1300; CG II], ook als hulpwerkwoord ‘de mogelijkheid hebben om’ in of mijn kint ghenesen can ‘of mijn kind genezen kan’ [1285; CG II]; vnnl. kunnen, konnen [1599; Kil.].
Os. can/cunnan (1e pers.ev. presens resp. infinitief) (mnd. kunnen, konnen); ohd. kann/kunnan (nhd. können); ofri. kan/kunna (nfri. kinne, kenne); oe. can/cunnon (ne. can); on. kann/kunna (nzw. kunna); got. kann/kunnan; alle ‘weten, kunnen’, < pgm. *kann-, *kunn-, een preterito-presens (zie ook → deugen), d.w.z. oorspr. een sterk werkwoord waarvan de verledentijdsvormen als presens gingen functioneren, waarbij vervolgens een nieuwe infinitief en verledentijdsvormen ontstonden.
Daarnaast staat het zwakke werkwoord pgm. *kunnēn ‘leren kennen, proberen’, waaruit: os. gikunnon; ohd. chunnēn; oe. cunnian; got. gakunnan.
Hierbij hoort de wortel *knē-, waaruit: onl. *cnāen in cnēdon ‘zij konden’; ohd. -cnāhen ‘kennen’; oe. -cnāwan (pret. cnēow) ‘kennen’ (ne. know); on. kná ‘kunnen’ en de afleiding knár ‘sterk, dapper’. Germaanse afleidingen zijn verder nog → kennen, het bn.kond (en zie ook → kunde en → verkondigen), het zn.kunst, en wrsch. het bn.koen.
Verwant met: Grieks gignṓskein ‘leren; weten’ (zie → gnosis, → diagnose), gnōtós ‘bekend’; Latijn nōscere ‘kennen’ < *gnōscere (zie → cognossement), gnārus ‘kundig, bekend met’ (zie → ignorant); Sanskrit jānā́ti ‘weten, kennen’; Litouws žinóti ‘weten, kennen’, žénklas ‘teken’; Oudkerkslavisch znati ‘id.’ (Russisch znat'); Oudiers gnáth ‘bekend’, ad-gnin ‘hij kent’; Armeens caneaw ‘ik kende’. Albanees njoh ‘ik weet’; Hittitisch ganess- ‘herkennen, leren kennen’; Tochaars A knānat ‘jij herkent’; bij de wortel pie. *ǵneh3- ‘herkennen, weten’ (IEW 376, LIV 168). Het zwakke werkwoord pgm. *kunnēn- is een nasaalpresens < pie. *ǵn-n(e)-h3-. Pgm. *kann-, *kunn- is ontstaan uit een perfectum pie. *ǵnóh3- (ev.), *ǵnh3- (mv.), met pgm. *-nn- i.p.v. *-n- naar analogie van *kunnēn- (Bjorvand & Lindeman, 487). Pgm. *knē- zoals in oe. cnēow (zie boven) gaat wrsch. terug op pie. *ǵneh3uo- (Schrijver 1991, 301).
De gewone vorm van dit werkwoord was in het Middelnederlands connen. Vormen met cun- i.p.v. con- kwamen alleen voor in oostelijke teksten en in de kustdialecten, maar werden in het Vroegnieuwnederlands in de infinitief kunnen en het verl.deelw. gekund algauw de norm, wrsch. door Hollandse, maar misschien ook door Nederduitse invloed.
De verleden tijd luidde in het Middelnederlands gewoonlijk conste(n), met -s- naar analogie van wiste, moeste bij weten, moeten; daarnaast met regelmatige uitgang ook wel conde(n) en cunde(n). Al in het Vroegnieuwnederlands overheersten in de zich ontwikkelende standaardtaal de vormen konden (mv.) en konde (ev.). Uit de laatste vorm ontstond na apocope van -de het huidige kon, te vergelijken met seide > zei.
Kunnen en kennen worden in de standaardtaal sinds de 17e eeuw streng onderscheiden, met name door de invloed van de grammatica van Christiaen van Heule uit 1625. In de spreektaal, met name de Hollandse, hebben deze beide werkwoorden echter sterk overlappende betekenissen. Dit is niet, zoals bij → leggen en → liggen, het gevolg van samenval van bepaalde vormen binnen de vervoegingen en heeft ook niet te maken (Van der Sijs 2004, 512-4) met een Noordzee-Germaanse ontronding u > e, maar heeft een semantische oorzaak (Stroop 2005): kunnen, mnl. connen betekende al in de vroegste teksten ook ‘kennen, bekend zijn met’ en is dus van oudsher gedeeltelijk synoniem met kennen; verwarring van beide woorden ligt dus voor de hand.
Lit.: K. Weissgräber (1929), Der Bedeutungswandel des Präterito-Präsens “kann” vom Urgermanisch-Gotisch bis zum Althochdeutsch-Frühmittelhochdeutschen, Königsberg; Jongeboer 1985; J. Stroop (2005), ‘Over liggen/leggen en kunnen/kennen’, in: J. Engelsman e.a. (red.), Taal als levenswerk; aspecten van de Nederlandse taalkunde, 168-172

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kunnen* [in staat zijn] {con(n)en, cunnen [kunnen, kennis hebben van, weten] 1236} oudsaksisch, gotisch, oudhoogduits kunnan, oudfries, oudnoors kunna, oudengels cunnan; buiten het germ. latijn gnoscere, grieks gignōskein [leren kennen], oudindisch jānāti [hij weet]; het ww. kennen is een causatief van kunnen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kunnen ww., mnl. connen, cunnen, cōnen, ‘kennen, weten, kunnen’, os. kunnan, ohd. chunnan (nhd. können) ‘weten, kennen, verstaan’, ofri. kunna, oe. cunnan, on. kunna ‘kennen, weten’, got. kunnan ‘herkennen’. — Daarnaast staan ohd. irchnāan ‘erkennen’, oe. cnāwan (ne. know) ‘kennen’, waarvan afgeleid on. knār ‘flink, dapper’ (= lat. gnāvus ‘vlug, kloek’), ohd. urchnāt ‘het erkennen’. — In germ. *kunnan is de 2de n een suffix tot vorming van het praesens. Het ww. is oorspr. een praeterito-praesens kann: kunnum; hiervan beantwoordt kunnum aan oi. jānīmás ‘wij erkennen’. — Idg. wt. *ĝen (IEW 376-8), vgl. oi. janāmi ‘ik weet’, oiers itar-gnimin ‘ik weet’, lit. žinaũ, žinóti, lett. zinât ‘weten’; met sko in lat. noscō < gnoscō, gr. gigñōskō ‘erkennen’. — Zie verder: kond, kunde, kunst en kennen.

In het idg. staan twee wortels *ĝen naast elkander en wel 1. ‘verwekken’ en 2. ‘erkennen, kennen’. Dit is bevreemdend en doet vermoeden, dat hier maar één enkele wortel, is aan te nemen. F. R. Schröder PBB 43, 1918, 490-7 wijst er op, dat (met name in het Oosten) het ontwaken der menselijke kenvermogens met dat van de geslachtsdrift bijna samenvalt. Nog eerder kan men wijzen op de archaische initiatiegebruiken, waarbij de geslachtelijke rijpheid van het individu gepaard gaat met het onderricht in de kennis van de sociale en sacrale overleveringen. Hier vallen inderdaad ‘verwekken’ en ‘kennen’ samen en niet alleen naar hun gelijktijdig optreden. Overigens mag men wel aannemen, dat reeds op een vroeg stadium der cultuur het verstandelijke kennen als een creatieve daad opgevat werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kunnen ww., mnl. connen, cunnen (cōnen, ȫ) “kennen, weten, kunnen”. = ohd. chunnan (nhd. können), os. kunnan, ofri. kunna, ags. cunnan (eng. can), on. kunna, got. kunnan. De oudste en in sommige talen de eenige bet. is “geestelijk kunnen, kennen, weten.” Secundair is de in verschillende talen voorkomende bet. “in staat zijn, vermogen”, die oorspr. aan mogen toekwam. Voor de bet. van ’t praeterito-praesens got. kann enz. vgl. lat. (co-g)nôvi “ik weet” (“heb leeren kennen”). Verwant zijn in ’t Germ. o.a. kond, kunde, kundig, kunst, kennen, ohd. chnâan (in samenst.) “kennen”, ags. cnâwan (eng. to know) “id.”, on. knâr “flink, dapper” (= lat. (g)nâvus “kloek, vlug”), waarschijnlijk ook koen — zie ook knap —, buiten ’t Germ. o.a. ier. ad-gnin “hij ziet in”, lat. nôsco “ik leer kennen”, gr. gignṓskō “id.”, obg. znają, znati “kennen, weten”, lit. żinaũ, żinóti “weten” alb. ńoh “ik ken”, arm. caneay “ik kende”, oi. jânā́ti “hij weet, ziet in”, ’t Is onzeker of ier. gnâth, gr. gnōtós “bekend” = idg. *ĝenǝ-to-, ndl. kond zijn, of dat ze evenals oi. jñâtá-, lat. nôtus “bekend” op idg. *ĝnôto- teruggaan. Identiteit van deze basis met die van kind is dubieus.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kunnen (slot). Vóor de identiteit van de basis met die van kind pleit F.R.Schröder PBB. 43, 495 vlgg. op mythologisch-folkloristische gegevens. Niet overtuigend; minder nog de zeer gewaagde constructies van Güntert WuS. 11, 134.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kunnen o.w., Mnl. connen, Os. kunnan + Ohd. kunnan (Mhd. künnen, Nhd. können), Ags. cunnan (Eng. teg.d. cunning en to con), Ofri. kunna, On. id. (Zw. id., De. kunde), Go. kunnan: die infin. is gevormd van het meerv. van ik kan, Mnl. can, Os. id + Ohd. kan (Mhd. kan, Nhd. kann), Ags. can (Eng. id.), Ofri. kan, On. kann, Go. id., dat wel een praes. is voor de bet., maar een imp. voor den vorm, namelijk van een werk. *kinnen = vernemen, waarvan kennen het factit. is: Germ. wrt. ken + Skr. jānati = hij weet. Zend a-zainti = kennis. Arm. an-can = onbekend, Oier. ad-gensa = ik wist, Lit. źinaŭ = ik weet: Idg. wrt. g̃en, met bijvormen g̃nē en g̃nō: Gr. gi-gnṓ-skein, Lat. cognoscere = kennen. Er zijn drie homon. wrt. g̃en en een paron. wrt. gen: z. kennen, kind, knie en kween.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kinne (ww.) kunnen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) konne(n), Aajdnederlands kunnon <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kunnen: kunnen met (kon, heeft gekund), opgewassen zijn tegen (een persoon). Ze is daarom zeer gevreesd op het erf*. De enige die ’met haar kan’ () is Ettiré*, de grappenmaker (Dobru 1968a: 27).
— : kan het zijn, liefst, zo mogelijk. De patiënten moeten dagelijks, kan het zijn, door eenen geneeskundigen persoon bezocht worden, of anders door dengene, die het toezigt heeft (Kuhn 1828: 117). - Etym.: Kwam het vroeger in AN ook voor? Is het cit. (oudste) SN of AN?

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kos II [+]: ou vorm v. verl. tyd v. d. ww. kan (v. kan II), Mnl. conste/coste, by vRieb coste en costen.

kan II: “in staat wees tot”, ens., selfst. en mod. hulpww., verl. tyd kon, (veroud.) kos, verl. dw. gekon, (selde) gekan (vgl. verder WAT s.v. kan2); Ndl. kunnen (Mnl. connen/cunnen, “kan; ken; weet”), Hd. können, Eng. can – die bet. “in staat wees” is in versk. tale sekondêr; Idg. verw. o.a. Lat. nosco (uit gnosco) en Gr. gignōskō, “ek leer ken; erken”, verw. in Ndl.-Afr. is o.a. ken(nen), kond, kunde, kundig, kuns(t).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kunnen. Kunnen functioneert in verwensingen die felle afkeer, woede en onverschilligheid uitdrukken. Zonder uitputtend te willen zijn, noem ik: je kunt de (hoogste) boom in; je kunt mijn gat kussen; je kunt de pot op; je kunt het lazarus krijgen; je kunt het lazarus genieten; je kunt naar de donder lopen; je kunt voor mij in bonken vallen; je kunt voor mijn part barsten; je kunt wat mij betreft de/het rambam krijgen; je kunt het heen en weer krijgen; je kunt het me doen; je kunt me de bout hachelen; je kunt me wat; je kunt mij de rug op; je kunt mijn viool kussen; je kunt om mij verrekken; je kunt van mij de bomen in; je kunt van mijn part naar de kloten lopen; je kunt de klere krijgen; je kunt de lucht in; je kunt door de bliksem getroffen worden; je kunt in de stront zakken; je kunt mijn kloten kussen; je kunt naar de hel lopen; je kunt om mij dood donderen; je kunt verrekken; je kunt voor mijn part; je kunt ze kussen; je kunt me gestolen worden; je kunt voor mij aan het gas. Aan al deze verwensingen wordt niet altijd om of voor mij toegevoegd. Je kunt voor mij een pop krijgen met een koperen kontje, dan kun je je klere poetsen; je kunt voor mij het dak op. De precieze betekenis van kunnen in deze zinnen is moeilijk te omschrijven, ik kom tot zoiets als: ‘wat mij betreft, staat niets je in de weg om...’; ‘ik wens je toe dat...’ (en dan als object iets onaangenaam of vreselijks). Al die verwensingen hebben in elk geval thans de betekenis ‘bekijk het maar’, ‘voor mij besta je helemaal niet meer’, ‘ik ben verschrikkelijk kwaad op je’.

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

kunnen

‘De automobilist die zijn kunnen ook wel eens in een pittige rally wil tonen...’ (Elseviers Magazine, 29.5.71, p. 124)

Het substantivisch gebruik van kunnen wordt soms afgekeurd. Niemand zegt uitdrukkelijk dat dit een germanisme zou zijn, wat nochtans zeer waarschijnlijk is (zie ook het gebeuren). In het Duits komt dit substantivisch gebruik van de werkwoorden trouwens veel vaker voor dan in het Nederlands.

Wat er ook van zij, ondanks het feit dat Koenen en Van Dale het afkeuren en de andere woordenboeken dit gebruik van kunnen niet vermelden, zal men het in de krantetaal vaak aantreffen.

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

(het) Kunnen
Het valt niet te loochenen, dat in onze taal dikwijls een infinitief voorkomt ter noeming van een substantief: een groot vermogen; het eten was lekker; om u een genoegen te doen; een stout bestaan; dat heb je nu van je praten; het kind moet drinken hebben. Enkele zijn zoodanig gesubstantiveerd, dat zij zelfs een meervoud maken: voornemens, verlangens, vermoedens, geestvermogens, wezens . Dit toegegeven, blijft het toch waar, dat daar de infinitief op zich zelf een handeling bevat en het substantief een resultaat, werkelijk of verbeeld, het substantief aangewezen is, telkens als men een resultaat van handeling wil uitdrukken. Vandaar dat het een blijk van taalmiskenning is, wanneer men alsdan den infinitief gebruikt en het substantief, het bestaande substantief, verwaarloost. Dit nu doen er tegenwoordig velen, die niet bemerken, hoe stijf en zwak hun stijl daarbij wordt.
Zoo schrijft men thans niet meer van kennis of kunde, maar van het weten, het kunnen. Bekwaamheid, bedrevenheid is nu het practisch kunnen. Gewaarwordingen van man en vrouw worden bij Querido het mannelijk en vrouwelijk gewaarworden. Het Woord, notabene het orgaan eener Haagsche Maatschappij tot Bevordering van Woordkunst, “gaat iets boven zijn kunnen”, waar het Ned. zegt boven zijn krachten.
Gebeurtenissen: we zien het haast niet meer. Overal schrijven ze van het gebeuren en ze voelen het verschil niet. Wat daar alles in Rusland gebeurt, dat wij hier uit de verte slechts gebrekkig kunnen nagaan, dat is inderdaad een merkwaardig gebeuren, dat is de handeling. Maar het verschijnen van dit of dat beschouwinkje als een groot gebeuren in de literatuur te begroeten of het heengaan van Briand een ernstig gebeuren in de politiek te heeten of een reeks gebeurtenissen uit de geschiedenis saam te pakken tot een wereldgebeuren: dat zijn allemaal loopjes, die men met de taal durft nemen en met zichzelf.
Ook lijden > kwaal, ziekte is een gedenatureerde infinitief. Het zit in borstlijden, een keellijden en reeds lang in een maaglijden. Men gevoelt niet meer, dat het lijden het smartelijk ondergaan van de ziekte is, doch niet de ziekte zelf.
Dan dat banale klerkenwoord interesse, een soort van Latijnschen infinitivus. Hoe drommel is dit opgekomen bij diamantslijpers en kantoorbedienden? Dat monster komt hard vooruit. Den directeur van een Amsterdamsche H.B.S. zagen wij schrijven over een tentoonstelling voor letterkunde, “die voor de leerling der openbare scholen niet van genoegzame paedagogische interesse was”. Men stelt tegenwoordig geen belang, men heeft geen liefhebberij, men vindt niet iets van zijn gading: men heeft interesse. Welhaast wordt interesse van een lidwoord voorzien en dan tot een vol substantief verheven: de interessen van den handel zijn bij dezen minister in verkeerde handen; er staat bij die zaak een groot interesse op het spel. Interesse lijkt ons voorts kans te hebben, door de groote wereld gesavoureerd te gaan worden.
Met schrijven > brief lijkt het ons anders gesteld. Aan welk bestaand substantief doet schrijven afbreuk? Aan brief? Maar brief heeft over verwaarlozing heelemaal niet te klagen en heeft ook geen taalgemeenschap met schrijven, zooals kunde met kunnen, lijden met leed , interesse met interest. En is schrijven = brief soms niet uitstekend Nederl. in: bij schrijven van, volgens schrijven van? Bovendien, het Ned. der 17de eeuw, dat toch heel weinig in aanraking kwam met het Hoogduitsch, het kende schrijven als substantief heel goed. Wij ontleenen aan de Haarlemsche Courant van 1676: Van Florence is schrijven van 11 deser. Daer is schrijven van Alicante. Van ’t overlijden van d’Heer de Ruyter is, so men verstaet, oock schrijven aen den Staet. Den Consul van haer Hoog Mog. te Livorno heeft schrijven bekomen van den heer De Ruyter ...... in gemelde Brief meldt de heer De Ruyter.
Zulke bewijsplaatsen moeten toch gelden. De vraag blijft over: mogen wij schrijven niet voorzien van het lidwoord of het bezittelijk vnw., nu het zijn recht als substantief = brief kan verdedigen? wij kunnen niet star neen blijven zeggen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kunnen ‘in staat zijn’ -> Petjoh kan, ken ‘in staat zijn’; Javindo ken ‘in staat zijn’; Negerhollands kan, ka, kā, gā ‘in staat zijn, gewoon zijn, plegen’; Berbice-Nederlands kan ‘in staat zijn’; Sranantongo kan ‘in staat zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kunnen* in staat zijn 1100 [Willeram]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑en-2, g̑enǝ-, g̑nē-, g̑nō- ‘erkennen, kennen’, zur Vermeidung der Homonymie mit 1. g̑en- werden vielfach Verbalformen mit g̑nō- verwendet., Nominalbildungen: g̑enǝ-tlo- ‘Kennzeichen’, g̑nō-mn̥ ds., g̑nō-ter- ‘Kenner’, g̑nō-ti- ‘Erkenntnis’, g̑nō-to-s (?) ‘bekannt’, gn̥̄-tó-s ds.

Ai. jānā́mi ‘ich weiß’, anu-jñā- ‘zugestehen, gewähren’, av. paiti-zānǝnti ‘sie nehmen sich jemandes an’ (themat. 2. Pl. paiti-zānatā ‘ihr erkennt an, nehmt auf’), apers. 3. Sg. Impf. a-dānā ‘er wußte’ (idg. *g̑n̥̄-nā-mi, daneben enklit. *g̑n̥-nāmi in:) av. zanā-t̰, zanąn, afghan. pē-žanī ‘unterscheidet, erkennt’;
arm. Aor. caneay ‘ich erkannte’ (an-can ‘unbekannt’) unsicherer Grundform (zum Präs. *g̑n̥̄-nā-mi? oder aus *g̑en-? wie:) canaut’ ‘bekannt’;
air. itar-gninim, asa-gninaim ‘sapio’ (Fut. -gēna aus *ge-gnā-, Pert ad-gēn-sa ‘cognovi, cognosco’ aus *ge-gn-; am Präsensstamm gnin- ist der Vok. noch ungeklärt; vgl. Pokorny IF. 35, 338 f., Marstrander Prés. nas. 23);
got. kunnan ‘kennen, wissen’ (kann, Prät. kunþa; Ausgangspunkt die schwundstuf. Pluralformen kunnum, kunnun aus *g̑n̥-nǝ-més); daneben schwaches Verb ana-kunnan ‘erkennen’ usw. = ahd. kunnēn ‘noscere, temptare’ (schon urgerm., Wissmann Nom. postverb. 146 f.); daneben hochstufiges ōn-Verb anord. kanna ‘untersuchen’;
ahd. (usw.) starkes Verb. kunnan (kann) ‘wissen, können’ (in den älteren Sprachzeiten nur von geistigem können = kennen, Gegensatz zu mögen); dazu das Kaus. got. kannjan (*g̑on-) ‘bekanntmachen, kundtun’, ags. cennan ‘benachrichtigen, erklären, zuschreiben’, ahd. ar-kennen ‘erkennen’, bi-kennen ‘bekennen’, nhd. kennen.
lit. žinaũ, žinóti, lett. zinât ‘wissen’ (žìno = *gen-, danach Pl. žìnome, Inf. žinóti, Partiz. žinótas) = apr. posinna ‘ich bekenne’ (Inf. posinnat, Partiz. posinnāts), ersinnat ‘erkennen’;
sk̑o-Präs. apers. (Konj.) xšnāsātiy ‘er soll erkennen’; gr. γιγνώσκω, epir. γνώσκω ‘erkenne’, lat. nōsco (gnōsco) ‘erkenne’, ignōsco ‘habe ein Einsehen, verzeihe’ (vgl. ai. anu-jñā-); alb. njoh ‘ich kenne’ (*g̑nē-sk̑ō; 2. 3. Sg. njeh durch Umlaut); s. auch unten lit. pažį́stu;
Perf. ai. jajñā́u, lat. nōvī, ags. cnēow (cnāwan) ‘erkannte’; gr. Aor. ἔ-γνων, ai. Opt. jñā-yāt; gr. γέγωνα ‘bin vernehmlich, sage’ (auch formell zum Präs. geworden γεγωνέω ds., γεγωνίσκω);
dazu das i̯o-Präs. ai. jñāyáte (Pass. zu jānā́ti), ahd. knāu (ir-, bi-, int-) ‘erkenne’(*gnē-i̯ō), ags. cnāwan (engl. know) ds. (zum w vgl. lat. nōvī, ai. jajñā́u), mit ahd. urknāt ‘Erkenntnis’, und aksl. znajǫ, znati ‘kennen, wissen’ (*g̑nō-i̯ō);
Desid. ai. jijñāsati, av. zixšnā̊ŋhǝmnā̊ ‘die erkundigen Wollenden’; lit. pažį́stu, -žinaũ, žìnti ‘kennen’; nach Leumann IF. 58, 118 aus *g̑n̥-skō herzuleiten; anders Persson Beitr. 341;
Kaus. ai. jñāpayati (die p-Form wäre alt, wenn Charpentier IF. 25, 243 mit Recht arm. canaut’ ‘bekannt’, i-St. = ai. jñapti-ḥ ‘Erkenntnis, Kunde’ setzt); aber jñapta- vielmehr retograd aus kausat. jñāpita-, IF. 57, 226 f.
to-Partiz. g̑nō-tó-s (hat vielleicht das ō sekundär von den Verbalformen bezogen): ai. jñātá-ḥ ‘bekannt’, gr. γνωτός (jünger γνωστός) ds. (ἀγνώς, -ῶτος ‘unbekannt’), lat. nōtus, air. gnāth ‘gewohnt, bekannt’ (cymr. gnawd ‘Gewohnheit’; dazu cymr. gnaws, naws ‘Natur’, bret. neuz ‘Aussehen’, als brit. Lw. air. nōs ‘Sitte’), gall. Κατου-γνᾱτος, Epo-so-gnātus; ai. ajñāta-, ἄγνωτος, ignōtus ‘unbekannt’, air. ingnad ‘fremd’; daneben *g̑nŏ-tó-s (Umfärbung von *g̑nǝ-tós nach g̑nō-?) in lat. nota ‘Kennzeichen, Merkmal, Fleck, Mal’ (substantiviertes Fem. des Partiz.), Denom. notō, -āre ‘kennzeichnen, beobachten; tadeln, rügen’, daher wohl auch in cognitus, agnitus, vgl. mit derselben Vokalstufe gr. *ἄ-γνο-ϝος in ἀγνοέω ‘weiß nicht’, ἀγνοίᾱ, ἄγνοια ‘Unwissenheit’; besser über ἀγνόεω (steht für *ἀνόεω) und lat. nota (zu ὄνοσθαι ‘tadeln’) jetzt Leumann Homer. Wörter 22823; toch. A ā-knats, В a-knātsa s. unten.
g̑nǝ-to-s in mcymr. yngnad, ynad ‘Richter’ (*en-g̑nǝ-to-s), dirnad ‘Urteilskraft’ (*dē-pro-g̑nǝ-to-), Loth RC 47, 174 f.
g̑n̥̄-tó-s in lit. pažìntas ‘bekannt’, got. kunþs, ags. cūþ, ahd. kund ‘kund, bekannt’, got. unkunþs ‘unbekannt’; mit Hochstufe der 1. Silbe av. paiti-zanta- ‘anerkannt’ (wie ā-zainti- ‘Kunde’).
g̑nō-ti- in ai. pra-jñāti-ḥ f. ‘Erkenntnis’, gr. γνῶσις f. ‘Erkenntnis’, lat. nōti-ō f., aksl. Inf. znati, russ. znatь f. ‘die Bekannten’; vgl. ahd. urchnât f. ‘agnitio’ (*g̑nē-ti-s);
g̑n̥-tí-s in ahd. kunst (-sti- für -ti-) ‘Kunst, Kenntnis, Weisheit’ (got. kunþi ‘Kunde, Erkenntnis’ aus *kunþia- n.), lit. pažintìs f. ‘Erkenntnis’;
g̑nō-ter- in ai. jñātár-, av. žnātar- ‘Kenner’, vgl. gr. γνωστήρ, lat. nōtor ‘Kenner, Bürge’; vgl. ai. jñāna-m (*g̑nō-no-m) ‘Kunde, Erkenntnis’.
g̑nō-mn̥ in gr. γνῶμα ‘Erkennungszeichen; Winkelmaß’ (daraus lat. grōma ‘Meßinstrument der Feldmesser’ und, vom Akk. γνώμονα aus, auch norma ‘Winkelmaß, Richtschnur, Vorschrift, Regel’); aruss. znamja (aksl. znamenije, znakъ) ‘Zeichen’ (von einem entsprechenden lat. *gnōmen ist *cognōmen, agnomen beeinflußt); gr. γνώμη ‘Meinung’ (wohl für *gnō-m[n]ā), vgl. lit. żymė̃ ‘Merkzeichen’ (*žįmė̃); γνώμων ‘Richtmaß’.
g̑nō-tel- in sloven. znȃtelj ‘Kenner’, russ. znátelь ‘Mitwisser’; auch ai. jñātár- könnte statt zu g̑nō-ter- hierher gehören.
g̑enǝ-tlo- : g̑nō-tlo- ‘Erkennungszeichen’ in lit. žėnklas ‘Zeichen’; apr. ebsentliuns ‘bezeichnet’: ai. jñātra- n. ‘Fähigkeit des Erkennens’;
germ. *knōþla- in ahd. beknuodilen ‘vernehmbar werden’, einknuadil ‘insignis’; vgl. lat.(g)nōbilis ‘kennbar, bekannt; vornehm, odel’ (Adjektivierung eines *g̑nō-dhlom ‘Kennzeichen’);
g̑nō-ro- in gr. γνώριμος ‘kenntlich, bekannt, angesehen’, γνωρίζω ‘mache bekannt’ (zu *γνῶρον), wozu mit Ablaut *g̑n̥̄-ró-: lat. gnārus ‘einer Sache kundig’, ignārus ‘unkundig’ (ignōro eher aus *ignāro nach nōsco umgefärbt als mit der Ablautstufe von γνώριμος), gnāruris Gloss. ‘gnārus’, ignārurēs ‘ἀγνοοῦντες’, nārrāre ‘zu Wissen machen, künden’ = umbr. naratu ‘narrātō’, naraklum ‘nūntiātiō’; als Endglied von Kompositis ai. -jnā̆-, av. uxδa-šna- ‘die Rede kennend’.
Hierher vermutlich idg. g̑nē-u̯os ‘kundig, wer es weiß, wie man es zu machen hat, tatkräftig’ in anord. knār ‘tüchtig, kräftig’ (ags. gecnǣwe ‘eingestanden, bekannt’ ist dagegen junge Bildungvon cnāwan aus); vgl. (aus *g̑n̥̄-u̯o-s?) lat. nāvus (alt gnāvus) ‘regsam, tatkräftig’, ignāvus ‘ohne Tatkraft’, woneben mit *-ǝu̯- mcymr. go-gnaw ‘vertraut mit’ (*upo-uk̑s-g̑nǝu̯o-?), mbret. gnou ‘manifeste, évident’, abret. inschr. Bodo-cnous (d. i. -gnous, Loth RC 18, 93), mir. gnō ‘ausgezeichnet’, nir. gnō ‘business, affairs’. Eine ähnliche Bed.-Entw. in der germ. Sippe aisl. kø̄nn ‘einsichtsvoll, klug, tüchtig’, ags. cēne ‘kühn, dreist’, ahd. kuoni ‘kühn, kampflustig’ (Dehnstufe wie γέγωνα), vgl. mit Tiefstufe lit. žýnė ‘Hexe’ (‘die Kluge’), žýnis m. ‘Hexenmeister’;
toch. AB knā- ‘wissen, erkennen’, A ā-knats, В a-knātsa ‘unwissend’.
Über hitt. ḫa-an-na-i ‘urteilt’ s. Pedersen Hitt. 201 (wenig glaubhaft).

WP. I 578 ff., WH. I 613 f., II 176 ff., Trautmann 370 f., Feist 316 f., Meillet Cinquantenaire 172 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal