Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kuit - (deel van het onderbeen; visseneitjes)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kuit 1 zn. ‘vlezige achterkant van het onderbeen’
Mnl. cuyte ‘milt’ [1477; Teuth.], dat kuyt ‘vlezig botloos lichaamsdeel, zoals aan de achterkant van het scheenbeen, aan de billen en aan de armen’ [1485; MNW]; vnnl. ghequetst ... in zijn rechtere cuyte ‘gewond aan zijn rechter kuit’ [1562-92; MNW], kuyt, kijte, kiete ‘kuit; vlezig lichaamsdeel’ [1599; Kil.].
Mnd. kūt, kūte ‘ingewanden, zachte delen van een dierenlichaam; kuit (van een been); visseneitjes’; < pgm. *kūti-, zie ook → kuit 2. Aan het mnl. en/of mnd. ontleend zijn: nijsl. kút-magi ‘vissenmaag’, kýta ‘id., visseneitjes’; nfri. kūt ‘kuit (van een been), visseneitjes’.
Verdere herkomst onzeker. Er zijn geen verwante woorden in de andere Indo-Europese talen. Men kan pie. *guHd- reconstrueren (Schrijver 2001), maar een wortel met twee stemhebbende ongeaspireerde medeklinkers is zeer ongewoon. Men veronderstelt wel afleiding van een wortel pie. *geu-/gū- ‘welven’ (IEW 393-398, zie → kuil). Misschien is het woord afkomstig uit een voor-Indo-Europese substraattaal. Het woord zou dan verwant kunnen zijn met → kont < pgm. *kunt- en met → kut < pgm. *kutt-, beide met een kleine geografische spreiding, zonder overtuigende Indo-Europese etymologie en afleidbaar uit eenzelfde oorspr. betekenis ‘zachte lichaamsdelen, ingewanden’. Buiten het Germaans is wellicht Proto-Laps (Samisch) *kuti ‘visseneitjes’ (o.a. Noorweegs-Laps guttâ) verwant. Verwantschap met → koot is vanwege de betekenis niet wrsch. Mogelijk is ook onl. quintuc ‘ontuchtige man’ verwant.
De alleen bij Kiliaan genoemde nevenvormen met -i- zijn wrsch. het gevolg van Noordzee-Germaanse ontronding.
Lit.: Schrijver 2001, 417-421

kuit 2 zn. ‘visseneieren’
Mnl. die den harinc om den kuut braden ‘die de haring bakt om de kuit’ [1437; MNW-P], om tcuyt ‘om de kuit’ [1484; MNW]; vnnl. kuyte, kiete ‘visseneieren’ [1599; Kil.].
Wrsch. ontwikkeld uit Proto-Germaans *kūti- ‘dierlijke ingewanden, zacht lichaamsdeel’ en dan hetzelfde woord als → kuit 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kuit1* [deel van het onderbeen] {cute 1494, vgl. cuyte [milt] 1477} middelnederduits kut (vgl. kuit2).

kuit2* [visseneitjes] {cute, cuut 1437} en ablautend middelnederlands kiet, nederduits küte, fries kut, schots dial. kite [buik], middelnederduits kotz [darmen], vgl. oudindisch guda- [darm]; het woord is oorspr. identiek met kuit1 (russisch ikra heeft ook beide betekenissen). De grondbetekenis zal zijn geweest ‘weke massa’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kuit 1 znw. v. ‘lichaamsdeel’, laat-mnl. cuyt, volgens Kiliaen vooral fries en holl. en ook met de bet. ‘vlezige delen aan dierlijk lichaam’, nnd. küt, küte ‘kuit; buidel’, mnd. kūt ‘weke delen aan het lichaam; kuit’, ne. dial. kyte, kite ‘buik, maag’. De grondbet. is dus ‘weke massa’. — oi. gudám ‘darm’, maced. góda ‘ingewanden’. — Zie verder: kuit 2.

De taalkaart van J. Daan, Taalatlas afl. 4, 8 geeft voor de Zuidel. Nederl. de woorden bra, braai, broe, bruy, brei aan, zie ook Taaltuin 9, 1940-1, 251-256.

kuit 2 znw. v. ‘viszaad’, mnl. cuut, mnd. kūt, kūte, ofri. kūt. Daarnaast de inguaeoonse vorm Kiliaen kiete (ook in de bet. kuit 1), vgl. nnl. dial. kiet (zeeuws en vlaams). — Uitgangspunt voor beide betekenissen is volgens van Wijk Ts. 35, 1916, 66-69 ‘dichte massa, die vatbaar is voor een op- en neergaande, trillende of krielende beweging’; misschien kan men beter met IEW 393 uitgaan van ‘gewelfde massa’ en de woorden dan brengen onder de idg. wt. *geu ‘welven, krommen’. — Ne. dial. en schots kyte ‘buik, maag’ (sedert ± 1540) kan uit het nl. of het nd. overgenomen zijn (vgl. Bense 171).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kuit I (lichaamsdeel), laat-mnl. cuyt o., volgens Kil. “Fris. Sicamb. Holl.”. Kil. geeft ook de bet. “’t vleezige aan het dierlijk lichaam (pulpa)”, de Teuth. vermeldt cuyte met de bet. “milt”. Deze bett. bevestigen de hypothese, dal dit kuit oorspr. “weeke massa” heeft beteekend en identisch is met of een stamvariant van kuit II, mnl. cuut m. o. “vischzaad”. Vgl. ook fri. kút, kût o. “kuit van ’t been, vischkuit”, mnd. kût, kûte o. (v.?) “’t weeke in ’t dierlijk lichaam, ingewand, vischzaad, kuit van ’t been”. Vgl. ook voor de bet. russ. ikrá “kuit van visch, kaviaar, kuit (lichaamsdeel)”. Met ablaut Kil. kiete in beide bett. (nog dial.: Antw., Kemp.). Verwant is wsch. oi. gudá- “darm”. Moeilijk te verklaren is Kil. kijte “sura, pulpa”, een vorm, die nog in ’t Zeeuwsch en Vla. bestaat, ook in de bet. “vischzaad”. De basis gū̆d-beteekende blijkbaar “week zijn”: verwantschap met koot en keutel is dus niet wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kuit I, kuit II (lichaamsdeel) resp. (eieren van vis). Aan de verschillende bett. van deze beide woorden, die men als identisch mag beschouwen, ligt de voorstelling ten grondslag van een dichte massa, die trillend of krielend beweegt. Vgl. kroost Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kijt v., bijvorm van kuit: z.d.w.

kuit 1 v. (kuiltje, eigenlijk putje aan een gewricht), bijvorm van koot.

kuit 3 v. (vischzaad), Mnl. cute + Ndd. küte: verwant met Schotsch kite = buik, Nederr. kotz = darmen, en voorts met de woorden vermeld onder kossem.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kuut (zn.) kuit; Middelnederlands cuyte <1477>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kiet 1, zn.: viszaad, kuit. Vlaams kiet(e), kijt(e) ‘het vlezige van een been; viskuit’. Mnl. cute ‘kuit, milt, het vlezige aan een dierlijk lichaam’, cute, kiet ‘viskuit, viszaad’, Vnnl. kite van vissche ‘lefûe ou lœûfve [l’oeuf] d’un poisson’ (Lambrecht), kuyt, kijte, kiete ‘kuit’, kuyte, kiete ‘viskuit’ (Kiliaan). Ndd. küt(e) ‘kuit, buidel’, Mnd. kût ‘weke delen aan het lichaam’, E. dial. kyte, kite ‘buik, maag’. Mnd. kût, Ofri. kût ‘viszaad’. Germ. *kûti-. De grondbetekenis is ‘weke massa’.

kiet 2, kit, zn.: graankorrel. Verwant met kiem.

koet 1, koete, zn.: kuit (van vis). Limburgse heterofoon met oe van Ndl. kuit.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kiet, zn.: kuit (van het been). Vlaams kiet(e), kijt(e), ook ‘viskuit’. Mnl. cute ‘kuit, milt, het vlezige aan een dierlijk lichaam’, cute, kiet ‘viskuit, viszaad’, Vnnl. kite van vissche ‘lefûe ou lœûfve [l’oeuf] d’un poisson’ (Lambrecht), kuyt, kijte, kiete ‘kuit’, kuyte, kiete ‘viskuit’ (Kiliaan). Ndd. küt(e) ‘kuit, buidel’, Mnd. kût ‘weke delen aan het lichaam’, E. dial. kyte, kite ‘buik, maag’. Mnd. kût, Ofri. kût ‘viszaad’. Germ. *kûti-. De grondbetekenis is ‘weke massa’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kute, kuit(e) zn. v.: kuil, kuiltje; het slaapkuiltje in bed, bed; eendennest, hazenleger. Dim. kuutje ‘kuiltje in het knikkerspel’. Hetzelfde woord als Middelduits kaute ‘kuil, put’ (DW). Het woord heeft dezelfde wortel als kuil, nl. Idg. *geu-, *gû- ‘buigen, welven’. Afl. kuten ‘een kuil maken’, gaan kuten ‘naar bed gaan’. Samenst. kuteslee ‘grote prikslee’, de kute van de slee is nl. de ‘opening tussen de twee zitbakjes’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kijt(e) (W, ZO, ZV), kijter (Breskens), kite (Boekhoute, E, G), kiet(e) (B, L, W, ZV), zn. v.: kuit (lichaamsdeel); viskuit, viszaad; wijfjesharing (Boekhoute, Breskens). Ook Wvl. Mnl. cute 'kuit, milt, het vlezige aan een dierlijk lichaam', cute, kiet 'viskuit, viszaad', Vnnl. kite van vissche 'lefûe ou lœûfve [l'oeuf] d'un poisson' (Lambrecht), kuyt, kijte, kiete 'kuit', kuyte, kiete 'viskuit' (Kiliaan). Ndd. küt(e) 'kuit, buidel', Mnd. kût 'weke delen aan het lichaam', E. dial. kyte, kite 'buik, maag'. Mnd. kût, Ofri. kût 'viszaad'. De var. kijte is Wvl., Ovl. en Zeeuws-Vlaams. De grondbetekenis is 'weke massa'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kuit s.nw.
Vlesige gedeelte aan die agterkant van die onderbeen.
Uit Ndl. kuit (Mnl. cute). Die grondbetekenis van Ndl. kuit is 'dik, sagte massa'. Hieruit het die bet. van beide homonieme (sien ook 2kuit) wsk. ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

2kuit s.nw.
Eiermassa in die eierstok van 'n wyfievis, ook nadat dit in die water afgeset is.
Uit Ndl. kuit (Mnl. cute). Die grondbetekenis van Ndl. kuit is 'dik, sagte massa'. Hieruit het die bet. van beide homonieme (sien ook 1kuit) wsk. ontwikkel.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kiet, kit graankorrel (Limburg). ~ ovla. kijte ‘viskuit’. Van een basis die ‘ontkiemen’ betekent en aanwezig is in got. keinan ‘ontkiemen’, os. kīð ‘kiem, jonge loot’ en lets ziêt ‘opbloeien’.
WLD I afl. IV 20, 28, WNT VII 2895, IEW 355.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kijte, zn.v.: kuit (lichaamsdeel); viskuit, viszaad. Mnl. cute ‘kuit, milt, het vlezige aan een dierlijk lichaam’, cute, kiet ‘viskuit, viszaad’; Vroegnnl. kuyt, kijte, kiete ‘sura, pulpa’, kuyte, kiete ‘ova piscium’ (Kiliaan). Vroegnnl. kite van vissche ‘loeufue d’un poisson’ (Lambrecht). Ndd. küt(e) ‘kuit, buidel’, Mnd. kût ‘weke delen aan het lichaam’, E. Dial. kyte, kite ‘buik, maag’. Mnd. kût(e), Ofri. kût ‘viszaad’. De var. kijte is WvL, Ovl. en Zeeuws-Vlaams. De grondbetekenis is ‘weke massa’.

kuut (DB, P), kute(n) (DB, WVD), zn. m./v.: nuchter kalf, jong kalf. Wellicht verwant met koe.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kuit ‘deel van het onderbeen’ -> Schots cuit, cute, queet, kute, coot ‘enkel; vetlok van een paard’; Berbice-Nederlands kuiti ‘deel van het onderbeen’; Sranantongo koiti ‘deel van het onderbeen’; Sarnami koiti ‘deel van het onderbeen’.

kuit ‘visseneitjes’ -> Papiaments keit ‘visseneitjes’; Sranantongo koiti ‘visseneitjes’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kuit* deel van het onderbeen 1494 [MNW]

kuit* visseneitjes 1437 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

839. Haring of kuit van iets willen hebben,

‘dat is, wat of niet, ik zal daar een kans naa waagen: dit is een Vissers spreekwoord, die soo sij geen Haaring kunnen vangen, ten minste eenige geschoote kuit in haar Netten verneemen’ (Winschooten, 76). De uitdr. staat opgeteekend bij Sartorius I, 1, 60: Nu wil ik daer kuyt of haring af hebben; zie ook II, 4, 40; Pers, 666 b: Don Johan van zijne tocht nu kuyt of haringh willende mede draghen; Rusting, 441; 517; Ndl. Wdb. V, 2213; Sewel, 427; Halma, 206: Ik zal 'er haring of kuit van hebben, ik zal 'er eene kans naar waagen; Tuinman I, 240, die haar gelijk stelt met: ‘ergens haar of pluimen van willen hebben’ (zie Ndl. Wdb. V, 1414; Hoeufft, 225). De uitdr. wordt thans gebezigd in den zin van: het zijne er van willen hebben, het rechte of juiste van eene zaak willen hebben; willen weten, waar men zich aan te houden heeft. Vgl. o.a. Menschenw. 227: Main kristus, riep Dirk, nu pas angstig bewust wordend de schade, daa's 'n bakkie, dá' mo'k sien!!.... da' mo'k hoaring of kuit van hebbe; Nkr. IX, 29 Mei p. 2: Zij zeiden: Hier moeten wij van hebben haring of kuit, en ze zonden eenige verspieders uit; Het Volk, 19 Maart 1914, p. 12 k. 2: Terecht hebben enkele liberale bladen de aandacht gevestigd op deze onzekerheid ten aanzien van de houding in de naaste toekomst van de rechtsche partijen te wachten met betrekking tot de tariefkwestie. Zij hebben terecht haring of kuit gevraagd; Prikk. V, 19: Daar moeten we haring of kuit van hebben; Vgl. ook Joos, 60: Hij zal er kuit noch haring van hebben, niets; Onze Volkstaal, II, 88: ik wil der haor of kuit van hebben (V.d. Water, 83); het fri.: ik scil der kút of hearring fen habbe; Harreb. II, 385: hij wil er vleesch of visch van hebben; Campen, 115: ick wilder Ey of Kuyken van hebben. Hier naast in Groot-Nederland, Oct. 1914, bl. 454: Ik mot er hom of kuit van hebben; Het Volk, 15 Febr. 1915, p. 1 k. 1: Hom of kuit! Haring noch kuit aan iemand hebben, niet weten wat men aan iemand heeft, wat men van hem moet denken; vgl. Handelsblad, 15 Juli 1920 (O.) p. 5: Dat zal ook den hoofdcommissaris plezier doen die altijd heeft gezegd, dat hij aan de communisten haring noch kuit had.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gēu-, gǝu-, gū- ‘biegen, krümmen, wolben’, Nominalbildungen: gudo-m ‘Darm, Eingeweide’, gut-r̥ ‘Kehle, Hals’, gugā ‘Kugel, Buckel’, geu-lo-s ‘rundes Gefäß, Kugel’, gou-no-m ‘Gekräuseltes, Gewölbtes’, gupā ‘Erdhöhle, Stall’, geu-ro-s, gou-ro-s ‘gekräuseltes (Haar, Welle)’, gur-no-s ‘Rücken, Hüfte’, gū-ro-s ‘rund, gekrümmt’.

Unerweitert wohl in gou̯ǝ- : gū- ‘Hand’, s. dort; ferner norw. kaa ‘das Heu umdrehen, wenden’, anord. ‘die Ruhe stören’ (*kawōn); kā-beinn ‘krummbeinig’ (*gou̯o-; air. gāu, ‘Lüge’, falls aus *gōu̯ā, hierher, sonst mit lat. haud zu verbinden); über gr. γύης, γυῖον s. unten S. 398, über γύαλον s. unten S. 397.
a. Dentalerweiterungeu :
gud-, geud- (vereinzelt gu̯-ed-?), vor allem im Germ.; gudo-m ‘Darm’.
Ai. gudám ‘Darm’;
maked. γόδα· ἔντερα Μακεδόνες Hes.;
ndd. küt ‘Darm’, nhd. bair. kütz ‘ein Teil der Gedärme’; ndd. küt, küte auch ‘Eingeweide kleinerer Tiere, Rogenbeutel; Wade; Tasche, Beutel’, mnd. kūt ‘Weichteile im Tierkörper, Rogenbeutel, Wade’, holl. kuit (*kūt-) und kiete (*keot-) ‘Fischrogen; Wade’, engl. mdartl. kyte, kite ‘Bauch, Magen’ (vgl. zur Bedeutung unten qiþus);
afries. kāte (*kaut-) ‘Knöchel’, mnd. kōte, kūte ‘Huf, Klauen, bei Pferden das Fußgelenk’, ndd. (und entlehnt nhd.) Kote, Köte ‘Knöchel, Fessel der Pferde’, Demin. mnd. kötel, nd. Kötel (aus *kutil) ‘rundliche Exkremente z. B. von Ziegen, Pferden’, mndl. cotel, holl. keutel ‘ds., Kegel, Knirps’;
norw. dial. kyta ‘Buckel, aufgebauschte Falte, Anschwellung an einem feisten Körper, sackförmige Erweiterung eines Netzes’, schwed. dial. kūta ‘mit gekrümmtem Rücken gehen oder laufen’, nhd. kauzen = kauern (‘sich zusammenkrümmen’), geminiert schwed. kott(e) ‘Tannenzapfen’, dial. kutte, kutting ‘kleiner feister Knabe’;
mit dem Begriff der Einbiegung, Höhlung: ndd. kūte ‘Grube’, mhd. kūz, nhd. Kauz ‘Grube als Gerichtsstätte’ (formell = norw. dial. kūt ‘Verkrüppelung im Wuchs’, schwed. dial. ‘Knolle, Buckel’; mhd. kūte ‘Grube, Loch’, nhd. mdartl. Kaute ds. wohl aus dem Ndd.); norw. dial. køyta ‘Einsenkung im Erdboden, Pfütze; Gefäß, worin man Fische trägt’ (*kauti-) = mhd. kætze, nhd. mdartl. Kötze ‘Ruckkorb’, ags. cȳte ‘Hütte, Haus, Lager’ ( = īe) = norw. køyta ‘Waldhütte aus Zweigen’, vgl. nhd. dial. kieze ‘Bastkorb’ (-eu-), ags. cȳt-wer ‘Fischreuse’ mit expressiver Geminata mnd. usw. kutte ‘cunnus’ (mhd. kotze ‘meretrix’); Loch = schlechte Wohn- oder Liegerstatt: ndd. (und entlehnt nhd.) kot, kote ‘Schuppen, Stall, Hütte’, mndl. cot, cote ‘Höhle, Lagerwilder Tiere, Stall, schlechte Hütte’, ags. cot ‘(Räuber-) Höhle, Haus, Lager’, anord. kot ‘kleine Hütte’, kytia ds.;
nasaliert anord. kunta ‘vulva’ aus mnd. kunte ‘cunnus; auch Hinterer’, norw. schwed. kunt ‘Ranzen (von Birkenrinde)’; auch av. gunda-, gundā ‘Teigballen’?
gū̆-t-, geu-t-; über gu̯-et- siehe besonderen Artikel; gut-r̥ ‘Kehle’.
Lat. guttur (*gūtṛ, Bildung wie hitt. kuttar); n. (bei Plautus m.) ‘Gurgel, Kehle’, guttura (Plin.) ‘dicke Hälse, Geschwülste am Hals’;
dazu als ‘hautsackartige Gebilde am Hals’ u. dgl.:
geut- in ags. cēod(a) m. ‘Sack, Tasche’, ahd. kiot ds., mnd. kǖdel ‘Tasche’, mhd. kiutel ‘Wamme, Unterkinn’, nhd. Keutel ‘Fischnetz, Darm, Geschwulst’;
gut- in mnd. koder m., nhd. dial. Köderl, Goderl (*gut-ro-) ‘Unterkinn, Kropf’, ndd. koden ds., engl. cud ‘das Innere des Schlundes bei Wiederkäuern’, ndl. kossem ‘Unterkinn’ (*gutsmo-), norw. kusma ‘parotitis’; mhd. kuteln, nhd. Kutteln ‘Kaldaunen’;
mit expressivem dd: ags. codd m. ‘Hülse, Schote, Sack’, aisl. koddi ‘Kissen, Hode’; vielleicht ahd. kutti ‘Herde’, nhd. Kette, bair. kütt ‘Schar jagdbarer Tiere’;
hitt. ku-u-tar (kuttar), Dat. ku-ut-ta-ni (kuttani) n. ‘Nacken, Oberarm’ (= lat. guttur, s. oben); kuttanalli ‘Halskette’.
b. Gutturalerweiterungen; gugā ‘Kugel’.
Mhd. kugel(e), nhd. Kugel, mnd. holl. kogel ds., nhd. dial. Kogel ‘runde Bergkuppe’ (Persson Beitr. 113); rhein. Klugel, Krugel nach Persson wohl erst durch Verquickung mit kliuwel und Klüngel;
mit gg: ags. cyćǵel, engl. cudgel (*kuggila) ‘Knüttel’, anord. kuggr aus mnd. kogge, engl. cog ‘breites, plumpes Seeschiff’;
mit germ. k: isl. kjūka ‘Fingerknöchel’, norw. kjūka ‘Klumpen’, kokle, kukle ‘Klumpen’, kokla (und kogla), kokul ‘Fruchtzapfen der Nadelbäume’; ags. cyćel, nengl. dial. kitchel ‘kleiner Kuchen’; dazu anord. kjūklingr mit ‘Gänschen’, ags. ćiećen, nengl. chicken, mnd. kǖken, nhd. Küchlein ‘Hühnchen’;
mit germ. kk: ahd. coccho, nhd. mdartl. Kocke ‘Haufen, Heuhaufen, Misthaufen’, dän. kok(k) ‘Haufen, Heuhaufen’;
lit. gugà f. ‘Knopf, Buckel, Hügel’, gaũgaras m. ‘Gipfel eines Berges’;
russ. gúglja, poln. guga ‘Beule’ (Persson Beitr. 937); aber lit. gúogė, gógė f. ‘Kopf’, gõgas m. ‘Widerrist des Pferdes’, wohl nicht aus dehnstufigem *[u]-g-; anders darüber Trautmann KZ. 43, 176;
mit -g̑-:
npers. gūzak ‘Fußknöchel’ (?);
lit. gùžas ‘Knorren, Beule, Kropf’, gūžỹs ‘Kropf’, gaũžė ‘Kopf’, lett. gũza, guza ‘Kropf’, guzma ‘Haufen, Höcker’, gũža ‘Hüfte, Lende, Keule beim Braten’;
ačech. hýžě ‘Hüfte, Oberschenkel’, poln. giża, giza ‘Knochenkopf am Schienbein u. dgl.’ (auch ksl. gyža vinьnaja ‘Weinstock’, serb. gidža ds. als ‘Knorren, Knorrengewächs’); wahrscheinlicher hierher als zu *geng- (s. dort), poln. guz ‘Beule, Höcker’, guza ‘Hinterer’, sloven. gúza ‘Hinterer, Höcker’, wie z. T. wohl auch andere, an sich auch mit guz = gǫz- ansetzbare Worte (s. *geng-); doppeldeutig sind auch die Worte mit balt. (gunž-) gūž- wie gunžỹs, gūžỹs ‘Kropf bei Vögeln, Kopf des Oberschenkelknochens’ usw.; s. Mühlenbach-Endzelin Lett.-D. Wb. I 685, 687;
neben lett. gū̆za, guzma stehen kuza ‘Haufen’, kuzma ‘Hühnerkropf’, die formantisch mit guza usw. im Zusammenhang stehen, im anlaut. k- aber ein mit av. fra-, apa-kava- ‘vorn, hinten mit einem Höcker’ und der Sippe qeu- ‘biegen, wölben’ zusammenhängendes Wort zur Voraussetzung haben;
über das von slav. guz- nicht sicher zu trennende gǫz- s. unter geng-.
c. Labialerweiterungen; gupā ‘Erdhöhle’.
Gr. γύπη ‘Erdhöhle, Schlupfwinkel, Geiernest’ (Hes.); γύψ, γῡπός ‘Geier’ (vom krummen Schnabel oder den krummen Klauen, wie γρύψ zu γρυπός ‘gekrümmt’);
ahd. chubisi ‘tugurium’, mhd. kobe ‘Stall, Schweinestall, Käfig, Höhlung’, nhd. Koben ‘kleines, schlechtes Gemach oder Gebäude, Schweinestall’ (dazu mhd. kobolt, nhd. Kobold, z.B. Kluge11 315), ags. cofa (engl. cove) ‘Kammer, Versteck, Höhle’ (daraus anord. kofi ‘Kammer, Zelle’), westfäl. küffe (*kufjō) ‘schlechte Hütte’; Grundbed. ‘Loch in der Erde als Wohngrube’, eigentl. ‘Einwölbung’, ndd. Kübbung ‘Anbau’; mhd. nhd. Kober ‘Korb’; holl. kub, kubbe ‘Fischreuse’; mhd. kobel m. ‘(gewölbter) Kasten, enges schlechtes Haus, Stall’; hingegen stammen mhd. kobel n. ‘Felsenschlucht’, kofel ‘Bergkuppe’, nhd. bair.-allem. Kofel, Kobel, Gufel, rätorom. cúvel, ital. cóvolo ‘Höhle, Felswand’ aus lat. *cubulum (zu cubāre) ‘Lagerstätte des Viehs’ (Zinsli, Grund u. Grat 322) und ahd. miluh-chubilī ‘Milchkübel’, mhd. kübel, nhd. Kübel wohl aus mlat. cupellus;
anord. kūfr ‘runde Spitze, Haufen’, norw. kūven ‘rundlich, gewölbt’ (davon norw. kuva, kyva ‘abrunden, abstumpfen’, vgl. auch schwed. kuffa ‘bändigen, stoßen = ndd. kuffen ‘stoßen, ohrfeigen’), holl. kuif (mndl. *cūve) ‘Federbusch, Schopf, Haube, Baumwipfel’ (vgl. in ähnlicher Bed. frühnhd. Kaupe ‘Federbusch, eigentlich Haube, auf dem Kopf der Vögel’ aus ahd. *kūba, wohl aus der rom. Sippe von cūpa, ebenso ags. cȳf ‘Faß, Tonne’, as. kūvīn ‘Faß’, vgl. frz. cuve aus lat. cūpa ‘Kufe’);
germ. *kubb-: westflämisch kobbe ‘Federhüschel, buschiges Нaar, Hutkopf’, aisl. kobbi m. ‘Seehund’, bair. koppen ‘buschige Krone eines Nadelbaumes’, engl. cub ‘Junges’, cob ‘runder Klumpen, Kopf, Spinne’, vermutlich auch isl. kubbur, kubbi ‘Klotz, Stumpf’ (dazu schwed. isl. norw. kubba ‘abhauen’);
germ. *kūp-: norw. dial. kūp ‘Buckel’, schwed. kupa ‘halbkugelförmiges Gehäuse, Bienenkorb’ u. dgl.; schwed. kypa ‘rundes Gefäß aus Stroh’, ndd. küpe ‘großer Tragkorb’, engl. dial. kipe (ags. *cȳpe) ‘geflochtene Fischreuse, Korb’; ablautend norw. dial. kaup ‘hölzerne Kanne’, kaupa ‘Knolle’;
hingegen stammen wohl aus lat. cuppa f. ‘Becher’: ags. copp m. ‘Gipfel, Becher’ (mengl. auch ‘Kopf), cupp m., cuppe f. ‘Becher’, nhd. (eigentlich md.) Koppe ‘Kamm (Haube) der Vögel’, Koppe, Kuppe, ‘runder Berggipfel’, mhd. kuppe, ahd. chuppa ‘Kopfbedeckung’ (mit expressiver Verschärfung ahd. chuppha ds., mhd. kupfe, kuffe, gupfe ds., gupf, gupfe m. ‘Gipfel eines Berges, Spitze des Turmes’, worin g- wohl Substitution für roman. c-; anord. koppr ‘Kopf, Gefäß, Helmknopf, Augenhöhle’ ist Lw. aus mnd. kopp); afries. mnd. kopp ‘Becher’, ahd. kopf, chuph ‘Becher’, mhd. kopf ‘Trinkgefäß, Hirnschale, Kopf’ (ähnlich rom. testa ‘Kopf’ aus lat. testa ‘Scherbe, Schale’, mlat. testa capitis), nhd. Kopf.
Nasaliertes germ. *kumb-: ags. cumb (engl. coomb) ‘Napf’ (in der Bed. ‘Tal’ aus abrit.*kumbo-s ‘Tal’), mnd. kumm(e) f. ‘rundes, tiefes Gefäß, Kufe, Napf’, nhd. Kumme ‘tiefe Schale’, schweiz. chumme ‘Zisterne’; *kump- (aus *kumb- mit Kons.-Schärfung) mnd. kump, mhd. kumpf ‘Gefäß, Tasse’, nhd. Kumpf.
Dazu vielleicht npers. gumbed ‘Wölbung, Kuppel, Becher’;
ferner vermutlich lit. gum̃bas m. ‘Wölbung, Geschwulst, Knorren’; lett. gum̃ba ‘Geschwulst’;
aksl. gǫba ‘Schwamm, Pilz’, skr. gȕba ‘Schwamm, Aussatz’, sloven. gǫ́ba ‘Schwamm, Pilz’, gȏbec m. ‘Maul’, аčеch. húba ‘Schwamm’, jünger ‘Maul, Lippe’, russ. gubá ‘Baumschwamm’; daneben gúba ‘Lippe’; im Slav. liegt Intonationswechsel vor, die Bedeutung ‘Maul’ ist überall jünger.
Unter einer Grundbed. ‘bergen’ wurde nhd. Koben verbunden mit av. gufra- ‘tief; geheimnisvoll, wunderbar’, angeblich ursprünglich ‘in eine Grube versenkt’?
d. Mit l-Suffixen; geu-lo-s ‘rundes Gefäß’.
Ai. gōla-ḥ ‘Kugel’, gōlā, gōlam ‘Ball, runder Wasserkrug’; vielleicht ai. gula-ḥ, gulī, gulikā ‘Kugel, Kügelchen, Spielball’ (oder als gel- zu *gel- ‘ballen’);
arm. kalum ‘ich nehme, fasse’ (*gu̯elō);
gr. γυλιός ‘längliche Tasche’ (auch γογ-γύλος? s. gong-; über γωλεός s. unter *gol- ‘liegen’);
gr. γύαλον ‘Höhlung des Panzers’, später ‘Schlucht’, meg. γυάλᾱς ‘Trinkbecher’, ἐγγυαλίζω ‘händige ein’ (vgl. zu letzterem ἐγγυάω unter *gou̯ǝ-) können auch als *γυσαλο- von der s-Erw. *g(e)u-s- stammen;
lat. vola f. ‘Höhlung der Hand, des Fußes’ (*gu̯-elā);
ahd. kiol, ags. cēol, anord. kjōll m. ‘(*rundliches) Fahrzeug, Schiff’ (die jüngere Bed. ‘Kiel’ durch Einfluß von anord. kjǫlr ‘Kiel’; germ. *keula- = ai. gōla-), ahd. kiulla ‘Tasche’; ags. cȳll(e) ‘Schlauch, Gefäß’, entlehnt aus lat. culleus; woraus finn. keula ‘Steven’, anord. kȳll m. ‘Sack, Tasche’ (ndl. kuil ‘der mittlere, sackförmige Teil eines Netzes’ aber nach. Franckvan Wijk Wb. 356 aus andl. kuidel von der t-Erw. der Wz.); ahd. kūli, mhd. kiule, nhd. Keule (urgerm. *kūlōn-) ‘Stock mit dickem kugelförmigem Ende’, mnd. kūle ‘Keule, keulenförmiges Gefäß, Hode, Geschwulst, Kaulquappe; (konkav:) ‘Grube, Höhle’ (letztere Bed. auch in mhd. kūle, nhd. (md.) kaule und aschwed. kūla), mhd. kūle, nhd. Kaule ‘Kugel, kugelförmiger Gegenstand’, nhd. Kaulquappe (vom kugelförmigen Aussehen), anord. kūla ‘Beule, Kugel’; nhd. mdartl. kulle ‘Kugel, Rolle, Walze’, kullern, kollern ‘rollen, kugeln’ (: gr. γυλλός· κύβος ἤ τετράγωνοςλίθος Hes. mit Verblassen der Bed. des runden?); vermutlich auch anord. kollr m. ‘abgerundeter Gipfel, Kopf’, mnd. kol, kolle m. ‘Kopf, oberster Teil von Pflanzen’, nhd. küllbock und (hochstufig) kielbock ‘hornloser Bock’, vgl. alb. tsjap gul ‘hornloser Bock’; norw. køyla (*kauliōn) ‘Rinne, Kanal’.
e. Mit n-Suffix; gou-no-m ‘Gekräuseltes, Gewölbtes’.
Av. gaona- n. ‘Haar (bes. der Tiere); (Haar)farbe’ (vgl. oben lit. gauraĩ usw.);
speziell germ. Bildung anord. kaun n. ‘Beule’, mnl. coon f. ‘Kiefer, Kinnbacken’, nld. koon ‘Wange’ (*kaunō); dazu got. kuna-wida ‘Fessel’ (‘gekrümmter Strick’, zu ahd. widi ‘Strick’).
f. Mit r-Suffixen; geu-ro-s, gou-ro-s, gū-ro-s, gur-no-s.
Arm. kuṙn Gen., kṙan ‘Rücken’ (= lit. gur̃nas), kr-ukn, Gen. krkan ‘Ferse’, kur, Gen. kri ‘Boot, Kahn’, auch ‘Becken, Napf, Pfanne’; kray (*gūrāti-) ‘Schildkröte’; o-stufig kor (*gou̯-ero- oder -ero-) ‘gekrümmt, gebogen; verkehrt’, kori ‘Kanal’, koriz ‘Geschwulst; Obstkern, Samenkorn’;
gr. γῡρός ‘rund, ausgebogen’, γῦρος ‘Rundung, Kreis, runde Grube’, γῡρόω ‘krümme’, γυρῖνος oder γύρῑνος ‘Kaulquappe’ (wie mnd. kū-le, nhd. Kaulquappe, s. oben);
mir. gūaire ‘Haar’ (ursprüngl. ‘*Kraushaar’, vgl.:) nir. guairneán ‘Wirbelwind’;
norw. kaure ‘krause Locke (bes. von Wolle)’, kaur ‘gekräuselte Welle’ (idg. *gou-ro-; daneben germ. *kau̯-ara- in:) anord. kārr m. ‘krause Locke’, kāri ‘das Wasser kräuselnder Windstoß’, norw. kåre ‘Hobelspan’; mit -eu- das germ. Lehnwort finn. keuru ‘curvus’; mit ū (vgl. γῡρός und die ū̆ enthaltenden arm. Worte) norw. kūra ‘sich zusammenkauern; ruhen’, mnd. kūren ‘(dem Wild) auflauern’, nhd. kauern; mit Anwendung von Gerinnen der Milch norw. kjøre (*keuran-) ‘Käse im ersten Zustand’, kūr (*kūra-) ‘ds., geronnene Milch’, køyr (*kauri-) ‘Käsemasse von säuerlicher Milch’, kaara (*kau̯arōn) ‘gerinnen, käsig werden’ (fraglich hingegen sloven. usw. žȗr ‘Molken’ wegen der auf weisenden Nebenform sloven. zȗra, zọ̑ra ‘Molken’);
lit. gaũras m., meist Pl. gauraĩ ‘Haar am Körper, Flachsfaser’, lett. gauri m. Pl. ‘Schamhaare’ (vgl. oben av. gaona- n. ‘Haar’); lit. gur̃nas m. ‘Hüfte, Fußknöchel’, lett. gùrus ‘Hüfte, Gabel am Spinnrad’ (= arm. kuṙn); lit. gū̃rinti, gūrúoti ‘gekrümmt gehen’, lett. gūrâties, guôrîties ‘sich rekeln’; lit. kálno gùras m. ‘Bergvorsprung’;
serb. gȕra f. ‘Höcker’, gȕriti se ‘sich zusammenziehen, krümmen’; ob hierher skr. žúriti se ‘sich eilen’?; s. auch unter g̑eu- ‘fördern, eilen’; auch bulg. gúrkam, gúrnъ ‘tauche ins Wasser’?; die Intonation erforderte *gōurā oder *gou̯erā (vgl. oben anord. kārr usw.).
g. Mit s-Suffixen:
npers. gōšā ‘Winkel, Ecke’;
gr. γύης ‘Krummholz am Pflug’, ἄροτρον αὑτόγυον ‘Pflug, an dem Krummholz und Scharbaum noch aus einem Stück bestanden’ (s-Suffix unsicher), wozu γύης ‘Ackermaß’ (*γυ[σ]ᾱς-, aber auch *γυϝᾱς- möglich); gr. γυῖον ‘Glied Arm und Bein’, μητρὸς γυῖα ‘Schoß’, γυιόω ‘lähme’, woraus γυιός ‘gliederlahm’ (Grdf. *γυσ-ι̯ον; oder γυϝ-ι̯ον? ders. Zweifel bei γύαλον, s. oben), γαυσός ‘krumm, auswarts gekrümmt (von Beinen)’, γαυσόομαι ‘krümme mich’ (aber γαυσάδας· ψευδής Hes. vielleicht galatisch, zu air. gáu ‘Lüge’?) kann σ nach andern Adj. auf -σός für ‘gekrümmt’ bewahrt haben, doch ist auch das αυ schwierig, da ein Ablaut *gēu- : gǝu- trotz der häufigen Stufe *gū- nicht sicher steht; unklar hom. ἀμφίγυος, Beiwort des Speeres, und ἀμφιγυήεις, Beiwort des Hephaistos;
mnd. nnd. kūse ‘Kolben, Keule; Backenzahn’, norw. dial. kūs ‘Buckel’; schwed. kusa ‘cunnus’; anord. kjōss f. ‘Tasche’, kjōss m. ‘Bucht, Höhlung’, farø. kjōs f. ‘Kropf’, schwed. kjusa ‘Talschlucht’, kjus ‘Ecke eines Sackes’ u. dgl., norw. kȳsa (*keusiōn-) und køysa (*kausiōn-) ‘Haube, Kapuze’.

WP. I 555 ff., WH. I 112 f., 311, 629, 852, Trautmann 80, 100 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal