Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kruit - (explosieve stof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kruit zn. ‘explosieve stof’
Mnl. in bossen, stien, cruut ‘kanonnen, stenen kogels, kruit’ [eind 14e eeuw; MNW], in samenstellingen als donrecruyde letterlijk ‘donderkruid’ [1377-81; MNW teems], bussen cruyt ‘buskruit’ [1441; Van der Meulen 1942a]; vnnl. cruyt ende loot ‘kruit en kogels’ [1592; WNT], alle hun cruyt verschoten ‘hun hele schietvoorraad opgebruikt’ [1625; WNT verschieten]; nnl. al zijn kruit verschoten hebben ook overdrachtelijk ‘al zijn krachten of hulpmiddelen verbruikt hebben’ [1846; WNT verschieten].
Hetzelfde woord als → kruid, dat in de 14e eeuw ook de betekenis ‘tot poeder gemalen specerij’ had gekregen, waaruit zich via algemener ‘poeder’ de betekenis ‘schietpoeder, buskruit’ kon ontwikkelen. Naast samenstellingen als → buskruit en donrecruut bestonden dan ook buspoeder ‘kanonpoeder’ [1432-68; MNW salpeter] en donrebuspoeder ‘donderbuspoeder’ [1342-68; MNW donderbuspoeder]. Dat de betekenisontwikkeling is verlopen van ‘kruiderij, specerij’ en ‘geneeskrachtig kruid’ via ‘wonderkruid, toverkruid, alchemistenkruid’ naar ‘ontploffend kruid, schietpoeder’ wordt vaak geopperd, maar lijkt als volledige verklaring minder waarschijnlijk, daar het uiterlijk van buskruit ook in vele andere talen de aanleiding voor de naamgeving is geweest, bijv. Duits (Schieß)pulver, letterlijk ‘(schiet)poeder’, Engels (gun)powder letterlijk ‘(kanon)poeder’, Frans poudre (canon) ‘id.’, Spaans pólvora, Italiaans polvere pirica ‘vuurpoeder’, Iers pudar gunna. Het aspect ‘toverkruid’ zal echter wel enige rol hebben gespeeld in talen zoals het Nederlands, waarin kruit ‘buskruit’ is gaan betekenen en poeder die betekenis niet heeft gekregen of weer heeft verloren.
Mhd. krūt, nhd. (verouderd) Kraut); nzw. krut.
Tot in het Vroegnieuwnederlands maakte men nog geen duidelijk betekenisonderscheid tussen de spellingen met -d en -t, maar in de betekenis ‘plant, kruiderij’ bestond het meervoud kruiden, dat bij de betekenis ‘schietpoeder’ ontbrak. De tendens om plant en kruiderij dus te spellen met -d en het schietpoeder met -t, werd ten slotte vastgelegd in de spelling-De Vries en Te Winkel [1866; WL].
Lit.: Schönfeld, par. 47, opm. 1

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kruit* [ontplofbaar mengsel] {cruut, cruyt 1376-1400} hetzelfde woord als kruid, vanwege de gelijkenis met fijngewreven kruiden. Het verschil tussen t en d kon ontstaan omdat van (bus)kruit uiteraard geen mv. met d voorkwam.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kruit znw. o., eig. buskruit, mnd. bussenkrūt is hetzelfde woord als kruid. De gelijkenis van het kruit met fijngewreven kruiden gaf aanleiding tot het gebruik van kruit, dat alleen in het enk. gebruikt werd en daarom geen vorm met d naast zich had.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kruid znw. o., mnl. cruut (d) o. “kruid, gewas, eetbare plant, geneeskrachtige plant, specerij”, laat-mnl. ook “buskruit”. NB. Nnl. kruit o. is ’t zelfde woord als kruid. = ohd. chrût o. “klein bladgewas, groente, kool” (nhd. kraut), os. krûd o. “onkruid”, laat-ofri. krûd o. (in owfri. busse-kruud “buskruit”). Misschien verwant met gr. brúō “ik zwel” (van planten), brúon “mos, wier, bloemknop, bloesem”, die echter ook anders verklaard kunnen worden. De verdere combinaties: 1. met ier. bir, lat. veru “braadspit”, av. grava- “rietstok, stok”, 2. met lit. gìrė “bosch”, 3. met arm. car “boom” zijn onwsch. Vgl. kruien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kruit o., hetz. w. als kruid (vergel. Hgd. kraut), naar de specerijen die als poeier in den handel komen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kruit (het), (goudzoekersterm) neerslag van steentjes en zand dat, eventueel met enig goud, na het wassen in de bate* achterblijft. Na kneden en homogeniseren van de massa wordt aan het wateropperlak de bate* met de hand een draaiende en slingerende beweging gegeven; dit heeft tot gevolg dat de lichtere bestanddelen weggespoeld worden en een concentraat van zwaardere bestanddelen achterblijft, door de porknokker* ’kruit’ genoemd vanwege de gelijkenis met buskruit (Enc.Sur. 251). - Etym.: Zie het cit. Echter: E grit - (vroeger) zand, grind, (nu) steengruis (Onions).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kruit ‘ontplofbaar mengsel’ -> Deens krudt ‘ontplofbaar mengsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors krutt ‘ontplofbaar mengsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds krut ‘ontplofbaar mengsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ruuti ‘ontplofbaar mengsel’ <via Zweeds>; Gã atrudu ‘ontplofbaar mengsel’; Negerhollands krut ‘ontplofbaar mengsel’; Berbice-Nederlands kriti ‘ontplofbaar mengsel’; Sranantongo kroiti ‘ontplofbaar mengsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kruit* ontplofbaar mengsel 1376-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1295. Hij heeft al zijn kruit verschoten,

d.w.z. hij heeft al zijne krachten verbruikt, verspild; eene sedert de 17de eeuw voorkomende uitdrukking; zie Winschooten, 128; Hooft, Ged. I, 286 (in eig. zin), en vgl. Halma, 293: Hij heeft al zijn kruid verschoten, alle zijne kragten gespild, il a consumé toutes ses forces. Synoniem is de uitdr. al zijne pijlen zijn verschoten, hij weet niets meer te zeggen (Van Dale), hij heeft zijn laatste bom afgeschoten (Harreb. III, CXV); zijn laatste patronen verschieten (Maasbode, 30 Jan. 1914, avondbl. p. 5 k. 2). Ook in het Friesch: hy het syn krûd of syn pylken forsketten; in het hd. sein Pulver oder seine Bolzen verschossen haben; eng. to have shot one's bolt; fr. avoir épuisé son carquois (pijlkoker). In Antw. hij heeft al zijn poeder verschoten (Joos, 98).(Aanv.) Vgl. fr. avoir tiré sa dernière cartouche.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal