Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kruimel - (broodkorreltje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kruim zn. ‘kruimels; binnenste van brood’; (BN) ‘het beste deel’
Mnl. crume ‘kruim, kruimels’ in onder mine tafle ... crumen aten [1285; VMNW], crumen van tarwin broode [15e eeuw; MNW]; vnnl. kruyme ‘korreltje; binnenste van brood’ [1599; Kil.], kruim ‘fijn, goed, bruikbaar deel van iets’ in daer steken kruymen in ‘daar zitten mooie dingen bij’ [1625; WNT]; nnl. kruim ‘het beste’ in daar zit kruim [1717; Marin NF], ‘kruimels, kleine stukjes’ in wat kruim van amandelpastei [1843; WNT].
Ontwikkeld uit pgm. *krūma-. Daarnaast met korte stamklinker pgm. *krumō- ‘kruimels’, waaruit: mnd. krome; mhd. krume (nhd. Krume); oe. cruma (ne. crumb); alle ‘kruim’; nzw. (in)kråm ‘zacht binnenste gedeelte’.
Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans en de verdere etymologie is dan ook onbekend.
kruimel zn. ‘brokkelig stukje’. Vnnl. kruymel ‘brokkelige stukjes’ in vanden cruymelen, die van des rijken tafel vielen [1526; WNT zweer I], niet een kruymel ‘helemaal niets’ [1612; WNT]. Afleiding van kruim met de verkleiningsuitgang -el zoals in → druppel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kruimel* [broodkorreltje] {1526} verkleiningsvorm van kruim.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kruimel znw., sedert de 17. eeuw, ’t ww. kruimelen sedert Kil. Dgl. afll. ook op du. en eng. gebied.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kruimel v., + Eng. crumbles: dim. van kruim.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

grummel (zn.) 1. kruimel 2. klein kind; Nuinederlands kruyme <1599>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kruimel s.nw. (verouderd of deftig)
Krummel (1krummel 1).
Uit Ndl. kruimel (1526).

1krummel s.nw.
1. Klein afgebreekte stukkie brood, beskuit, koek, e.d. 2. (gewoonlik in die mv. krummels; ongewoon) Kind. 3. Baie klein stukkie of baie min van iets. 4. Oorskietkos. 5. Afvalhout. 6. Skamele deel wat oorbly nadat iemand of iets anders die beste of meeste gekry het. 7. Iemand of iets wat minderwaardig is.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. krummel. Bet. 3 - 7 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
Vgl. Eng. crumb.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

krummel kruimel (Noordoost-Nederland). Het is niet uit te maken of deze vorm een verkleinwoord is bij mnl. crûme ‘kruim’ of bij verwant mndd. krōme ‘kruim’. In ieder geval is er verder verwantschap met lat. grûmus ‘aardhoop’, alb. grimë ‘kruim’. Verder ~ krauwen. Grondbetekenis: ‘het uitgekrabde’.
Dijkhuis 569, Hadderingh/Veenstra 157, Ter Laan 454, EW 214-215.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

krummel: “kriesel” (veral v. allerlei gebak), soos Ndl. kruimel/krummel, eint. dim. v. kruim/krum (blb. alleen dial. in Afr. bek.); Ndl. kruim (Mnl. crume/cruum/crome, by Kil kruyme, by vRieb cruymelbeschuyt), Hd. krume, Eng. crum(b) (die ww. crumble hou wsk. verb. m. die dimv.) naas Ndl. kruimel/krummel (lg. veral dial.), verderop verw. aan Lat. grumus, “grond(hoop)”, Gr. grume(i)a, “afval” – oor gesegde: krummels wil brood word/wees by Mans (KHI s.v. brood) v. Scho TWK 14, 4, p. 190-1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kruimel ‘broodkorreltje’ -> Negerhollands krom, krymmels ‘afgebroken stukje’; Papiaments krenchi ‘(brood)korreltje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kruimel* broodkorreltje 1526 [Liesveltbijbel, Luc. 16c]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

369. De broodkruimels steken hem.

Dit wordt gezegd van iemand, die de weelde niet kan verdragen, en dartel, baloorig, brooddronken (reeds mnl.), broodvreten (Onze Volkstaal II, 198) wordtVgl. Deuteronomium, XXXII, 16: Jesjurun werd vet en sloeg achteruit (een beeld ontleend aan een vet doorvoed en daardoor dartel geworden rund, dat in zijn overmoed den ploeg niet meer wil trekken).. In de 16de eeuw: die crumen steken hem, o.a. bij Anna Bijns, Refr. 37 en 157: wittebroodskinderen, die de crumen steken. Zie verder Sart. I, 3, 49: Citra vinum temulentus es: de cruijmen steken u; Schrevelius I, 3, 49: de backers kruijmen steken u; Tuinman I, 7: De broodkruimen steken hem: die lekker gevoed, en gemest zyn, plegen dertel en weelderig te worden; II, 35; Coster, 20 vs. 322; Sewel, 423: De broodkruimelen steeken hem (hy is brood-dronken), he is very wanton; Erasmus, XLI; Ndl. Wdb. III, 1570; Bouman, 18; Taalgids IV, 254; Nkr. III, 1 Mei p. 2: Maar u vrienden steken de broodkruimels in de keel. Gij hebt het te goed tegenwoordig; IX, 15 Mei p. 2. Ook in Zuid-Nederland bekend, volgens Joos, 83, waarnaast volgens Tuerlinckx, 340: de korsten steken hem, waarvoor men in Limburg zegt: de broodkorsten steken hem (Welters, 81 en vgl. Onze Volkstaal II, 240). In Zuid-Nederland: 't goe' leven steekt hem of de weelde steekt hem (Teirl. 509); in het fri. de breakrommels, hjouwerkerlen (haverkorrels), groatskerlen (gortkorrels) stikke him. In het hd. der Hafer sticht ihn, eig. van paarden gezegd en daarna van menschen, evenals in het oostfri. de haver stekt (of de haverkorrels steken) hum (Ten Doornk. Koolm. III, 307 a), eene zegswijze, die bij Plantijn staat opgeteekend: de haver int hoot (= hoofd) hebben, adag. estre yvre; ebrium esse, temulentum esse. Vgl. Huygens, Korenbl. II, 131 en eng. he is provender-pricked; amer. he feels his oats.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal