Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krocht - (spelonk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

krocht zn. ‘spelonk; crypte’
Onl. wrsch. al in het toponiem Crochtem ‘Crochte (Frans-Vlaanderen)’ [1067; De Flou 1923]; mnl. crogt ‘crypte, grot’ [1240; Bern.], crocht, croft ‘grot, spelonk’ in tote dien hole entien crochte ‘naar het hol en de grot’ [1300-25; MNW-R], ook ‘ondergronds gewelf, crypte’ in in de crocht in Sente Jans kerke [1438-49] en onder den koor inder crofte ‘onder het koor in de crypte’ [ca. 1445; MNW] die croft offte dat spelunc ‘de grot of de spelonk’ [1488; MNW]; vnnl. krofte, krufte, krochte ‘crypte, grot’ [1599; Kil.].
Vroege ontlening aan vulgair Latijn *crupta < Latijn crypta ‘onderaardse gang, tunnel, grot’, zie → crypte en → grot. Het woord vertoont de oude overgang van -pt- naar -ft- (Primärberührung), zoals in → bruiloft; daarna heeft de uitsluitend Nederlandse overgang van -ft- naar -cht- plaatsgevonden, zie → achter, eerst in het Brabants en Vlaams en van daaruit in de standaardtaal.
Ook ontleend zijn: mnd. kruft ‘crypte, grot’; ohd. kruft ‘id.’ (nhd. Gruft); oe. cruft ‘crypte’ (ne. zeldzaam croft).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krocht2 [spelonk] {crocht [onderaardse schuilplaats, grot, hol, onderaards kerkgewelf] 1201-1250} < latijn crypta (vgl. crypte).

kroft [spelonk] {crofte 1445} bij krocht2, evenals graft naast gracht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krocht 2 znw. v. ‘onderaardse ruimte’, mnl. croft(e), crocht(e) v. m. o. ‘onderaardse ruimte, grot, krypt’ < mlat. crupta < gr. krúptē. — Zie ook: grot. — Waarschijnlijk > me. ne. croft ‘grafkuil, gewelf’ (vgl. Toll 53).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krocht znw., mnl. croft(e), crocht(e) (ook met u) v. m. (o.) “onderaardsche ruimte, grot, hol, krypt”. Ontleend uit mlat. crupta (zie grot), dat al vroeg ook in andere germ. talen overging. Mnl. (noordndl.) croft(e), crocht(e) m. v. (nog dial.) “hooge zandgrond, akker in de duinen”, = ags. croft m. “afgeperkt stuk land” (eng. crofl) (= mnd. kroch “afgeperkt stuk bouw- of weiland”?), is een ander woord; verwant met kruipen? Semantisch is een grondvorm *grebh-to-, verwant met krabben en kerven, met de oorspr. bet. “afgesneden, afgegrensd stuk land” waarschijnlijker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krocht 2 v. (spelonk), Mnl. crochte, crofte, gelijk Fr. grotte en wellicht Hgd. gruft, uit Mlat. cruptam (-a), gruptam, Lat. crypta, Gr. krúptē, vr. van het zelfst. gebr. bijv.nw. kruptós = verborgen, van krúptein = verbergen. Lat. crypta was bij de eerste christenen de naam der catacomben.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

krocht (Latijn crypta)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krocht spelonk 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal