Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krentenkakker - (kleingeestig persoon)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

krentenkakker: 1) bekrompen, kleingeestig persoon. Reeds opgetekend bij Gallée en Gunnink Vgl. jankrent* .

Willem, Willy, ik houd het er vast voor, dat je om-de-bliksem-geen-krente-kakker bent, niet schijn-vroom ook. (Lodewijk van Deyssel, De scheldkritieken, 1979)
Het rode stoplicht? Iedere hufter rijdt daar tegenwoordig doorheen. Spookrijden? Met die brede wegen krijgen die krentenkakkers alle kans bijtijds uit te wijken. (De Groene Amsterdammer, 12/10/1994)

2) gierigaard; overdreven zuinig persoon. Bij Harrebomée: ‘Het is een regte krentekakker.’ Ook: krententeller, krenteweger. Volgens Heestermans (1989) van krent (iets kleins, onbeduidends) en vandaar: iemand die alles in ’t klein doet. Vgl. jankrent* en krent*.

Uw ingevallen wangen, uw geniepige oogjes uit de holten, uw kakatoeaneus (sic) verraden den duitendief, den krententeller, den verachtelijken graaier. (Het Vaderland, 01/01/1939)
Gelukkig ging haar vader ook spoedig dood, want nu baast ze over die filialen en is de schrik van alle krentenwegers. (Simon Carmiggelt, Klein beginnen, 1950)
Je krijgt het vast niet voor elkaar, dat het universiteitsbestuur voor jou iets bijzonders doet, vast en zeker niet. Die krentenkakkers. (W.F. Hermans, Onder professoren, 1975)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1276. Krentig (of krenterig) zijn,

d.w.z. gierig, niet royaal zijn; een Jan krent (Zaansch), een krentenkakker (Weiland; V. Schothorst, 159; Kalv. II, 194; Breuls, 88), fri. krintekakker zijn; ook in den zin van kleingeestig, bekrompen zijn (Gunnink, 156; Gallée, 23); oostfri. krintekakker, kleinlicher, ängstlicher; engherziger Mensch (Ten Doornk. Koolm. II, 366). In de 18de eeuw voorkomend in W. Leevend II, 76: Zy zyn stylen van de Beurs, en niet krentig of sikkeneurig; zy durven wel een nieuw schip geven. In de Zaanstreek is bekend een krent d.i. een Jan hen, een gortenteller (Boekenoogen, 513), en Molema, 227 citeert krinterg (= fri. krinterich) = krinselg, karig, vrekkig. Waarschijnlijk is de eerste beteekenis kleingeestig en vandaar gierig zijn; een pietlut, een keukenhen zijn. Krent moet dan worden opgevat in de fig. bet. van iets kleins, iets onbeduidends. Zie Ndl. Wdb. VIII, 164.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal