Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kraaien - (geluid maken als dat van een haan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kraaien ww. ‘geluid maken als dat van een haan’
Mnl. die ane craide ‘de haan kraaide’ [1285; VMNW], emmer vlogen si boven den here craiende, roepende vele sere ‘steeds vlogen ze (twee kraaien) boven de ridder, luid schreeuwend en krassend’ [1350-1400; MNW]; nnl. Hy ligt daar in zyn wieg by my te kraaijen en te spartelen [1784; WNT].
Ohd. krāgen, krāwen, krāen (nhd. krähen); oe. crāwan (ne. crow); nzw. kråka; met verschillende overgangsklanken ontstaan uit West-Germaans *krāan- < pgm. *krāhan-, een klanknabootsend werkwoord. Zie ook → kraai.
Verwant met: Litouws gróti ‘kraaien’; Oudkerkslavisch grajati ‘kraaien’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kraaien* [het geluid dat een haan maakt] {craeyen 1285} oudhoogduits kraen (hoogduits krähen), oudengels crawan (engels to crow); klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kraaien ww., mnl. craeyen, crāyen, mnd. kreien, kreigen, krēgen, ohd. chrāen (nhd. krähen), oe. crawan. — Een nabootsing van het vogelgeluid, waarmee te vergelijken osl. grają, grajati, lit. groju, groti ‘krassen’. — Hoger op verwant met de idg. wt. *ger ‘schor schreeuwen’ waarvoor zie: kermen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kraaien ono.w., Mnl. craien + Ohd. krâian (Mhd. krǣjen, Nhd. krähen), Ags. cráwan (Eng. to crow) + Osl. grajati, Lit. groti = krassen. Kraaien werd vroeger niet uitsluitend voor het hanengeschrei gebruikt; in ’t Mnl. en ’t Ags. was het sterk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kräöje (ziech) (ww. wdkd.) plagen, lastigvallen; < Rienlands krauen.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

krauwen, krowen, ww.: kraaien. Hetzelfde woord als kraaien, maar met w als glijder i.p.v. j. Ohd. krâgen, krâwen, krâen, D. krähen, Oe. crâwan, E. to crow < Wgerm. *krâan- < Germ. *krâhan-. Klanknabootsend.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

krauwe, kroowe, kròòwen, krōēwe kraaien (Brabant). ~ eng. crow ‘id.’ (= oeng. crâwan ‘id.’ = ohgd. crâwan ‘id.’). ~ nl. kraaien, ohgd. chrâjan. Uitsluitend wgerm.
WBD 972.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kraai I: ww., geluid maak soos (veral) haan, maar ook vrolike kindertjies; jou beroem op (bv. koning kraai); Ndl. kraaien (Mnl. cra(e)yen), Hd. krähen, Eng. crow (vgl. ook croak), wsk. kn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kraaien ‘het natuurlijke geluid dat hanen maken’ -> Negerhollands kraej ‘het natuurlijke geluid dat hanen maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kraaien* het natuurlijke geluid van hanen maken 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

748. Zijn haan kraait (of is) koning,

d.w.z. hij is de baas; de uitdr. is ontleend aan een hanenwedstrijd, waarin zijn haan als overwinnaar is te voorschijn getreden; vandaar: hij heeft zijne zaak doen triomfeeren, hij is de baas. Ook zeide men in de 17de eeuw: zijn haan kraait boven (zie het Ndl. Wdb. V, 1385 en III, 885), en zijn haan is koning, waarvan Sartorius I, 3, 50, zegt ‘nostrates a gallis inter se de victoria certantibus metaphoram sumunt’.Over de hanengevechten hier te lande kan men raadplegen Ter Gouw, de Volksvermaken, 357-359. Vgl. ook Sewel, 416: Haar haan kraait koning (zy heeft de broek aan), she wears the breeches; Halma, 200: Zijn haan is koning, il dame le pion à tous les autres; in het Friesch: syn hoanne moat kening kraije; fr. il chante victoire; eng. to cry cock; vgl. hd. zu früh krähen.

749. Daar zal geen haan naar kraaien,

d.w.z. daar zal niemand de aandacht aan schenken; zich ‘druk’ over maken; gewag van maken; het zal nooit aan den dag komen. De uitdrukking dateert uit de 17de eeuw. We lezen haar o.a. bij Vondel, Joseph in Dothan, vs. 1259; in de Gew. Weuw. II, 25; III, 29 en later in Van Effen's Spect. IV, 159; Sewel, 416; enz. Ook in het nhd. is zij bekend: es kräht kein Hahn danach naast danach wird weder Hund noch Katze krähn; da kräht kein Katze nach (Borchardt, 194); in het nd.: doa kreit nich Hund ôr Hân na (Reuter, 50); in het oostfri.: dâr kreit gin henn of hân na (Dirksen I, 35); in het Friesch: der kraeit gjin hoanne nei. In Zuid-Nederland: daar zal hen noch haan over kraaien (Joos, 42; Antw. Idiot. 560; Waasch Idiot. 271 a); der en zal geenen haan achter (of over) kraaien (Teirl. II, 14); ook in Noordndl. dan kraait er geen hen of haan meer naar (in B.B. 78); in N.-Brab. daar zal niet éen haan naar kraaien (Ons Volksleven VIII, 227). Door Tuinman I, 242; Laurillard, 51 en Zeeman 256-257 wordt de oorspr. dezer zegswijze gezocht in het bekende verhaal van Petrus' verloochening van Jezus (Matth. 26: 75 en Luc. 22: 60, 61), doch ten onrechte, daar Jezus bedoelde dat Petrus vóor het kraaien van den haan, d.i. vóor het aanbreken van den morgen, Hem driemaal zou hebben verloochend. De Vries, Taalk. Bijdr. II, 43 meent, dat men den oorsprong moet zoeken in het volksgeloof, dat de haan den moordenaar aankraaide, van wiens aanslag hij getuige was geweest. ‘Wanneer dan eene misdaad in alle stilte gepleegd was en men rekende dat zij geheim zou blijven, zeide men daar zal geen haan naar kraaien.’Zie ook Gids, 1895 (3), bl. 53.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ger-2 in Schallworten, bes. für ‘heiser schreien’

A. Ai. járatē ‘rauscht, tönt, knistert, ruft’, jarā ‘das Rauschen’ (oder zu *g̑ā̆r- oder *ger-); vielleicht gargara-h ‘ein Musikinstrument’ (doch siehe auch *gal-);
alb. ngurónj ‘heulen’ (vom Wind);
anord. kǣra, kǣrða ‘eine Sache vorbringen, Klage führen, anklagen’ (von einem dehnstufigen i-St. *gēri- abgeleitet); mit Konsonantenschärfung ahd. carron ‘stridere, instrepere’ (schw. V.), cherran (st. V.) ‘schreien, knarren’, mnd. kerren, karren ‘knarren’, ags. ceorran ‘knarren’ (ceorung ‘Klage, Murren’), norw. karra ‘girren, gackern’, anord. kurra ‘knurren, murren’, kurr ‘Gemurmel, Gerücht’;
lit. gùrti ‘gellen’;

B. Hierher der Kranichname:
1. Lit. géršė ‘Kranich, Reiher’; nach Risch (briefl.) kontaminiert aus gérvė und génšė;
2. Mit Formans -en-, zum Teil mit -u- und -g- erweitert:
arm. krunk ‘Kranich’ (*geru-n-g-); vgl. unten ahd. kranuh;
gr. γέρην· γέρανος Hes., γέρανος m. ‘Kranich’ und ‘Krahn’;
gall. tarvos trigaranos (Inschr. über einem Stier mit drei Vögeln auf dem Rücken); cymr. corn.bret. garan (*gerenos) ‘Kranich’;
ahd. kranuh (-ih), ags. cranoc, cornuc, mnd. kranek m. (*grǝnug-);
ags. cran, asächs. krano, mhd. krane, nhd. Krahn (*grǝnon-) m.; dazu aisl. trani ‘Kranich’ (mit t- statt k- nach trami ‘böser Geist’);
lit. garnỹs m. ‘Reiher, Storch’ (*gor-n-i̯os); lett. gārns m. ‘Reiher’.
3. Mit Formans -ōu- : -ū-:
lat. grūs, Gen. gruis f. (später auch m.), davon gruere vom Kranichruf;
nhd. westfäl. krūne ‘Kranich’; s. unten ahd. kron;
lit. gérvė, lett. dzer̃ve, apr. gerwe f. ‘Kranich’ (*gerǝu̯i̯ā);
russ.-ksl. žeravь m. (*gerōu̯i̯os), skr. žȅrȃv, wruss. žórou̯ (Gen. žórau̯la); daneben skr. ždrȃlj (aus *žьravlь) und russ. žurávlь (Gen. žuravljá).

C. Von derselben ōu-: ǝu-: ū-Erweiterung auch ahd. krōn ‘geschwätzig’, ndd. krӧ̄len (*krauljan) ‘laut schreien’, holl. kruilen ‘rucksen, girren’, krollen ‘wie Katzen schreien’, mnd. krūschen ‘kreischen’.
Mit i-Erweiterung redupl. lat. gingrīre ‘schnattern, bes. von Gänsen’;
vielleicht (?) hierher griech. γίγγρᾱς, γίγγρος m. ‘phönizische Flöte’ usw.;
mir. grith, cymr. gryd ‘Schrei’ (*gri-tu-s), mir. grinnigud ‘grincement (des flèches)’ (*gri-n-d-);
mhd. krīschen ‘kreischen’, mnd. krīten ‘schreien, heulen’, mhd. krīen ‘scharf schreien’, nhd. kreißen, mhd. krīsten, nhd. kreisten.

D. grā- in wgerm. nord. *krā- (mit nicht zu ō gewandeltem alten ā durch neuerliche Nachahmung des a-farbigen Rabengekrächzes): ahd. krāen, nhd. krähen, mnd. kreien, ags. crāwan ds., ahd. hanacrāt ‘Hahnenschrei’, ahd. krā(w)a, krāia, nhd. Krähe, as. krāia, ags. crāwe ds., lit. grioju, russ.-ksl. grajǫ, grajati ‘krächzen’.

Mit Gutturalerweiterung:
anord. krāka ‘Krähe’, krākr ‘Rabe’, ags. *crācian, cracettan ‘krächzen (vom Raben)’, nhd. krächzen; germ. -k- aus idg. -g wegen nir. grāg ‘Gekrächz’ (*grāggo-); mnd. krakelen ‘garrire’.
Mit idg. k-: lat. grāculus ‘Dohle’, gracillō, -āre ‘gackern (von Hühnern)’;
ahd. kragil, mhd. kregel ‘geschwätzig’, ahd. kragilōn ‘schwatzen’, mhd. kragelen, kregeln ‘gackern’;
russ.-ksl. graču, grakati ‘krächzen’, grъkati ‘girren (von der Taube)’.

E. Mit formantischem -g-, und von andern Gehörseindrücken:
ai. garjati ‘tost, brüllt, brummt’;
arm. karkač ‘Lärm’;
ags. cracian, cearcian ‘erschallen’, ahd. krāhhon ‘krachen’;
lit. gìrgždžiu, girgždė́ti ‘knarren’.
Dazu vielleicht russ. gróchot ‘Lärm, Krachen, lautes Lachen’ u. dgl. als jüngere Schallnachahmung.

WP. I 591 ff., WH. I 583, 601 f., 615, 624, Specht Dekl. 48, Trautmann 87, 94.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal