Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kort - (niet lang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kort zn. ‘niet lang’
Onl. kurt ‘niet lang’ in in kurtuuriste (lees: in kurturo uriste) ‘in korte tijd’ [10e eeuw; W.Ps.] en in Curtagosum, letterlijk ‘korte Gosa (waternaam in Zeeland)’ [976; Künzel]; mnl. cortelike (bw.) ‘in het kort’ [1200; VMNW], diet corter scerd ‘wie kortere kettingdraden opzet’ [1277; VMNW].
Vroege ontlening aan Latijn curtus ‘verminkt, onvolledig’.
Evenzo ontleend zijn: mnd. kort; ohd. kurz (voor de Hoogduitse klankverschuiving, nhd. kurz), later ook nog kurt; ofri. kurt, kort (nfri. koart); on. kortr, kurtr (nzw. kort).
Van Latijn curtus ‘verkort’ wordt algemeen aangenomen dat het teruggaat op een letterlijke betekenis ‘afgesneden’ en is ontwikkeld uit pie. *kr-tos, bij de nultrap van de wortel *(s)ker- ‘scheuren, afsnijden’, zie → scheren 1.
Van de woorden die reeds in de Romeinse periode ontleend zijn, is kort het enige bijvoeglijke naamwoord, naast misschien → mank. Het woord is wellicht ontleend als maat in de huizenbouw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kort1 [niet lang] {cort, curt 1200} < latijn curtus [verkort, verminkt, onvolledig]. De uitdrukking kort en bondig, vroeger ook kort maar bondig betekent ‘kort maar veelzeggend’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kort bnw., mnl. cort, curt, onfrank, kurt, mnd. kort, ohd. churt, churz (nhd. kurz), ofri. kort, kurt, on. kortr, kurtr (als bijnaam). — Het woord is voor de duitse klankverschuiving uit lat. curtus overgenomen, maar hoofdzakelijk tot het continentale westgerm. beperkt. Een afl. is oe. cyrtel ‘buis, jas’ (ne. kirtle) > on. kyrtill ‘soort vrouwenkleed’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kort bnw., mnl. cort (curt). = onfr. kurt, ohd. churt, churz (nhd. kurz), mnd. kort, ofri. kort, kurt, nijsl. kortr, de. zw. kort “kort”. Ontleend uit lat. curtus “afgeknot, kort”. De veronderstelling is uitgesproken, dat het woord als een bouw-term ontleend is. Dat kort een ospr. germ. woord, een bijvorm van *skurta- “kort” (zie schort) zou wezen, is niet aannemelijk. Blijkbaar is kort een continentaalwgerm., vandaar in ’t Ngerm. overgegane ontl. en dan dus geen gelijktijdige ontl. met het alg.-germ. lang. Mogelijk echter heeft kort al vroeg ook in andere talen bestaan, tenminste als men terecht ags. cyrtel (eng. kirtle) “buis, jas”, on. kyrtill m. “id., ook een vrouwenkledingstuk” er van afleidt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kort bijv., Mnl. cort, Onfra. kurt, gelijk Ohd. kurz (Mhd. en Nhd. id.), Ofri. kurt, On. kortr (Zw. en De. kort), alsook Eng. curt en Fr. court, uit Lat. curtum (-us) = kort + Gr. kartós = afgesneden (z. schort).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kort (bn.) kort; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) kort, Aajdnederlands kurt <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kort: iets korts, sterk alcoholische drank die uit een klein glaasje gedronken wordt, borrel. Ik heb geen dorst, geef mij maar iets korts. - Etym.: Vgl. E ’a short drink’ = id. - Zie ook: iets langs*; halfachtste*, shot* (1), snap(je)*, sopi* (2), zoopje*.
— : zie korte bezem*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Kort bnw. Segsw.: Kort van draad. Sien draad.
Segsw.: Kort en dik en ongeskik, lank en maer is alte naar – gebruik in verband met die figuur veral van jongmeisies en vrouens. – Harreb. III, LXII: Kort en dik is ongeschikt; Boekenoogen 893: Lang en saml staat niemendal; kort en dik dat heb geen schik; maar middelmaat: pronk op straat! Soortgelyke segswyses ook by Ter Laan 455, Joos 795 en Corn. en Vervl. 1078. Eckart 302.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kort (Latijn curtus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kort, van ’t Lat. curtus (kort) en dit van ’t Gr. kartos = afgesneden; verwant is schort: korte boezelaar.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

kort zijn. - Algemeen is het gebruik, ook in Noord-Nederland, b.v. in redevoeringen, en in België vooral in de vertaling der Annales Parlementaires, van het zinnetje Ik zal kort zijn. Ofschoon de uitdrukking zoo goed als burgerrecht heeft verkregen, dient zij hier toch als een aanstootelijk gallicisme vermeld te worden, vertaald als zij is naar fr. je serai bref. Kort zonder nadere bepaling van personen gezegd, heeft altijd betrekking op de gestalte. Ik zal kort zijn staat dus gelijk met ik zal klein van gestalte zijn. Men zegt in het Nederlandsch: het kort maken (met iets), het niet lang maken (men denke aan het welbekende Middelnederlandsche wat holpt dat ict maecte lanc!), in de Zuidnederlandsche volkstaal ook het kort trekken. || Over de algemeene benamingen kunnen wij kort zijn, DELGEUR in Versl. Vl. Ac. 1888, 144. Laat ons dus kort zijn - iets wat de boekenmakers niet op tijd weten te zijn, SNIEDERS 5, 79a. Laat ons kort zijn, want de oogenblikken zijn kostbaar, SNIEDERS, Sniderien 153. Ik kan nopens deze vondsten hier kort zijn, DE PAUW in Versl. Vl. Ac. 1888, 333. Over de andere bundels van Sleeckx mogen wij kort zijn, ROOSES, Letterk. Stud. 15. We zullen dus zeer kort zijn en enkel nog eens ons verschil van meening blootleggen, H. TEMMERMAN in De Toekomst 34, 221. Ik zal kort zijn, ... luister dus naar hetgeen ik u zal mededeelen, MILLECAM, Finh. en Lieder. 2, 165. Ik zal kort zijn; want ik gevoel dat ik maar weinige stonden meer te leven heb, 2, 223. Er blijft ons nog te spreken over de schrijfwijze der plaatsnamen en andere aardrijkskundige benamingen. Hier kunnen wij kort zijn, De Toekomst 31, 30.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kort ‘niet lang’ -> Deens kort ‘niet lang’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kort ‘niet lang’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kort ‘niet lang’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands kort, kot ‘niet lang’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kort niet lang 0976 [Künzel] <Latijn

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

kort: niet te —, informeel voor ‘geweldig, fantastisch’. In de jaren tachtig populair geworden onder vnl. jongeren.

Goede timing, Raam! Niet te kort! (Joost Zwagerman: Gimmick, 1989)
Wat zou ze een bekijks trekken. Niet te kort. (Nieuwe Revu, 20/05/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1252. Iemand (of iets) te kort doen,

d.w.z. op iemands rechten inbreuk maken, ze verkorten; mnd. to kort dôn; hd. einem zu kurz tun, eig. iemand te kort, te weinig geven (bijv. bij eene verdeeling), in welken zin het wkw. doen in de middeleeuwen vrij gewoon is (Mnl. Wdb. II, 247) en thans dial. nog voorkomt (Ndl. Wdb. III, 2722; Bergsma, 91; Molema, 86; Gallée, 9). In het middelnederlandsch reeds bekend: enen te cort doen; zie het Mnl. Wdb. III, 1945 en verder Van Lummel, 133; Vondel, Gijsbr. v. Aemst. vs. 413; Brederoo, St. Ridder, vs. 1211; enz. Zich zelven te kort doen, zich het noodige onthouden, ook zich dooden; vgl. Halma, 284 die het vertaalt door se tuer; De Bo, 560; Rutten, 121; Antw. Idiot. 699 (zijn eigen te kort doen); Molema, 417 b; Villiers, 67. In geheel Zuid-Nederland heeft te kort doen de beide beteekenissen; fri. yen sels te koart dwaen.

1253. Te kort komen,

d.w.z. niet ver genoeg komen, vooral in het vervullen van zijn plicht; niet voldoende hebben van iets; in Zuid-Nederland tegen iemand te kort komen, voor iemand moeten onderdoen (De Bo, 560; Rutten, 121; Teirl. II, 190; Antw. Idiot. 699); in Antw. te kort komen, mislukken met iets; Afrik. te kort kom. De uitdr. is ontleend aan het werpen of schieten; vgl. Hooft, Episodes, bl. 176: Voorts schryft hy ter yl een deel briefkens, meldende tvoorhebben der wethouderen, en dat men zich nu reppen oft te kort koomen (er slecht bij varen) moest; Halma, 284; Sewel, 413; het hd. zu kurz fallen, kommen; eng. to fall short; mnl. te cort vallen. In den zin van er slecht bij varen, ergens bij verliezen (hd. zu kurz kommen; eng. to come short of s. th.) kende men het in het mnl. nog niet, wèl te cort gaen; zie het Mnl. Wdb. III, 1944, en vgl. no. 1254.

1390. Een kort liedje is spoedig gezongen,

d.w.z. eene korte smart is spoedig geleden; iets onaangenaams, dat kort van duur is, is gauw voorbij. Deze zegswijze wordt in de 16de eeuw aangetroffen in de Prov. Comm. 346: een cort liet es zaen ghesonghen, est cito cantatus cantus brevis apocopatus, dat gelijk is aan 331: een scandich brocke es gheringhe (spoedig) gheten; vgl. ook Bebel no. 338; Zegerus, 21: een cort liedeken is haest ghesongen, brevis cantilena cito absolvitur; Spieghel, 278; De Brune, 478; Tuinman I, 35; Harreb. II, 22. Syn. in 't nd. eene korte Niäse es lichte to snüten (zie Jahrb. 38, 160).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal