Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kornuit - (makker, kameraad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kornuit zn. ‘makker, kameraad’
Mnl. cornut, cornuut ‘boer, pummel’ in mi dunket hi wel een cornut ‘hij lijkt me wel een pummel’ [1265-70; VMNW]; vnnl. cornuyt ‘kameraad, vertrouwde vriend’ in mijn alderliefste cornuyt C. [ca. 1570; WNT], ‘bedrogen echtgenoot’ in Hy is als een cornuyt begheckt ‘hij wordt bespot als een hoorndrager’ [1576; WNT]; nnl. kornuit meestal ‘makker in het kwade’, bijv. in achter tralies ... daar zijn er meer van jou kornuiten [1841; WNT], maar ook nog neutraal of positief ‘makker, vriend’, bijv. in schooljongens en meisjes deelen die boekjes ... uit onder hun kornuitjes [1921; NRC], alle voetbalenthousiaste bewoners ... moedigden hun kornuiten aan [1929; NRC].
Ontleend, wrsch. via Oudfrans cornut, aan Latijn cornūtus ‘met horens, gehoornd’, afgeleid van cornū ‘hoorn’, zie → hoorn; zelfstandig gebruikt betekende cornūtus ‘gehoornd wezen, bosgeest’ en ook ‘hoorndrager, bedrogen echtgenoot’. Uit deze laatste betekenis, die in het Nieuwnederlands niet meer wordt aangetroffen, heeft zich de latere betekenis ‘makker (in het kwaad)’ ontwikkeld. Net als boef kan ook makker neutraal positief gebruikt worden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kornuit [makker] {cornuut, cornuyt [sukkel, kinkel] 1265-1270} < middeleeuws latijn cornutus [gehoornd, als bn. gebruikt voor een bedrogen echtgenoot, ook als aanduiding van een gemijterde bisschop, als zn. een scheldwoord voor homoseksueel, verrader, ketter], van latijn cornu [hoorn], vgl. oudfrans cornu [gepunt, onaangenaam, dwaas].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kornuit znw. m., mnl. cornuut m. ‘boer, sukkel, pummel, vlegel’, mnd. kornût(e), karnût(e) ‘genoot, gezel, makker (soms met ongunstige bet.), fri. kenūtsjes, kornūtsjes ‘kornuiten’. — De afl. uit lat. comutus ‘gehoornd’ vindt steun in het oude gebruik, dat de nieuweling in een handwerksgilde horens droeg. Men moet dan uitgaan van de bet. ‘gezel, genoot’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kornuit znw., dial. (Zaansch) karnuit, mnl. cornuut in. “boer, sukkel, pummel, vlegel”. = mnd. kornût(te), karnût(e) m. “genoot, gezel, boel, makker (soms in ongunstigen zin)”, fri. kenútsjes, kornútsjes “kornuiten”. De afl. uit lat. cornûtus “gehoornd”, ofr. cornu “zot, vreemd” verdient verreweg de voorkeur boven de verklaring van kornuit als een “streckform” bij kneu, kneuter. De bet. was in ’t Mnl.-Mnd. heel vaag: wsch. werd het overgenomen woord schertsend gebruikt met een even vage bet. als bij ons “vent, snaak” e.dgl. kunnen hebben. De bet. van vla. kornuit, kernuit, kornut, kernut, kerneuteling “kleen verneuteld ding of persoon” berust wsch. op associatie met andere woorden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knoet II (pummel). Misschien een oostelijke vorm van kornuit?
Voor de kn- vgl. knier. Kloeke Tschr. 46, 256.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kornuit 1 m. (makker), Mnl. cornuut, gelijk Ndd. karnute, uit Ofra. cornut, thans cornu, van Lat. cornutum (-us) = gehoornd, van cornu = hoorn (z.d.w.). Het Fr. cornu = hoorndrager, sukkel. Men zette den leerjongen bij zijn plechtige opneming tot gezel, en den schooljongen bij zijn intrede in het studentenleven, hoornen op, die hij moest afstooten.

kornuit 2 m. (groene vink), hetz. w. als kornuit 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kernoets, bn.: sluw, uitgeslapen. Ook zn.: kreng van een wijf. Kornoetes (WNT), afl. van Mnl. cornuut ‘sukkel, kinkel, vlegel’. Mnd. kornute, karnute, Ndd. karnûte, kornût. uit Ofr. cornut < Mlat. cornutus ‘hoorndrager’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kornuuk, zn.: schelm, schavuit, rakker. Mnl. cornuut ‘sukkel, kinkel’ < Mlat. cornutus ‘gehoornd’ > Fr. cornu ‘hoorndrager’, 17-18e-eeuw ook ‘gek’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kernut zn. m.: klein mensje of ding. Vaak dim. kernutje. Ook Wvl. kornuut, kernuut, o.m. als naam van de pink. Mnl. cornuut, cornut ‘sukkel, kinkel, pummel, boer, kerel’, Vnnl. cornuyt ‘kameraad; bedrogen echtgenoot’, Ndl. kornuit ‘makker’. Mnd. kornute, karnute, Ndd. karnûte, kornût. Ofr. cornu ‘onaangenaam, gek’, Fr. cornu ‘hoorndrager’ < Lat. cornutus ‘gehoornd’. Maar misschien is het woord wel te identificeren met kerneutje ‘kneu’, aangezien ook kneu ‘klein mens’ kan betekenen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kernut(je) (ZV), zn. o.: klein ding of mens. Ook Wvl. kornuut, kernuut. Mnl. cornuut 'sukkel, kinkel', Ndl. kornuit, Mnd. kornute, karnute, Ndd. karnûte, kornût. Ofr. cornu 'onaangenaam, gek', Fr. cornu 'hoorndrager' < Lat. cornutus 'gehoornd'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kornuut (DB, B), kernuut (DB, K), zn. o., m.: klein ding of mens (o., DB), pink, kleine vinger (m., K). Mnl. cornuut ‘sukkel, kinkel’, Ndl. kornuit. Mnd. kornute, karnute, Ndd. karnûte, kornût. Ofr. cornu ‘onaangenaam, gek’, Fr. cornu ‘hoorndrager’ < Lat. cornutus ‘gehoornd’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

karneuter [+]: – kernuiter – , “kameraad, maat” (in ongunstige sin); Ndl. kornuit (met uitg. -er, soos in venter naas vent, v. Scho TWK 14, 4, p. 189-90), reeds in Mnl. cornuut, “sukkelaar”, hou verb. m. Lat. cornutus, “gehoring”, en berus op ou gebr. dat nuwe (vak)genoot in ’n gilde horings moes dra.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kornuit (Latijn cornutus)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Kerneutje Kernuut Volksnaam voor de Kneu ↑ op Zuid-Beveland, Walcheren en in West-Zeeuws-Vlaanderen [WZD 1964/1979; WVD 1996; Meertens 1971; Rogiers 1988], resp. in Groningen [VPG 1983]. Weijnen 1996 noemt Kerneu een strekvorm van Kneu, en zo zou Kernuut ook een strekvorm van gronings Knuut ‘Kneu’ kunnen zijn. Maar het bestaan van Kornuut ↑ suggereert toch op z’n minst een relatie met mnl cornuyt ‘sukkel’ of N kornuit ‘makker’. Welke vorm(en) en betekenis(sen) het meest oorspronkelijk zijn, is moeilijk te achterhalen. Het kan echter Kornuut ‘vlegelachtige vogel’ zijn, gezien de neiging om vogels, w.o. de Kneu met scheldnamen te benoemen. Dat zou betekenen dat het grondwoord Kerneu (o.a. door de geënquêteerde(n) door Meertens 1971) fout afgeleid is uit het verkleinwoord Kerneutje; het moest Kerneut zijn!

Kornuut Volksnaam voor de Kneu in een niet nader gepreciseerde plaats van het land [B&TS 1995]. Albarda 1897 geeft de naam op voor de Groenling in Groningen, maar VPG 1983 (p.50, 346) bevestigt slechts het voorkomen van de naam Kernuut ↑ voor de Kneu. vD 1904 geeft Kornuit als naam voor de Groenling en onder Vlasvink vermeldt deze bron: “zekere vogel met fraaie geelgroene vederen; hij wordt ook greenling, groenvink, grunsel en kornuit geheeten.” In vD 1961 is dit artikel aangepast: de naam Vlasvink is er één voor Groenling en/of Barmsijsje geworden (wat wegens de kleur m.b.t. Barmsijs niet kan kloppen).
Kernuut en Kerneutje zijn varianten van Kornuut of Kornuit, waarbij het fenomeen van vortoniges a (enigszins) speelt: de klinker van de eerste onbeklemtoonde lettergreep varieert doordat de daarop volgende lettergreep de klemtoon heeft; mnd karnūt ‘kornuit, makker’ is ook bekend.
De betekenis van de vogelnaam is vermoedelijk dezelfde als die van mnl cornuut, cornuyt, namelijk “sukkel, kinkel, vlegel” [MH 1932]. Dit is daarom zeer aannemelijk, omdat vogelnamen dikwijls scheldnamen zijn en omgekeerd zijn vogelnamen dikwijls tot scheldnamen voor personen geworden. In het geval van de Kneu zijn er in het bijzonder een aantal notoire scheldnamen te vermelden: Heikneuter en Tukker. De mening van B&TS 1995 (p.250, 252) dat de vogelnaam juist een “vriendelijke” is, staat daar lijnrecht tegenover.
ETYMOLOGIE N kornuit ‘makker, kameraad’ (soms nog met ongunstige bijbetekenis) <mnl cornuut, cornuyt, cornuit (1285), cornut (c.1265) ‘boer, sukkel, pummel, vlegel, kinkel’ [MH; NEW; VT] fries kornút ‘kornuit’, kenūtsjes, kornūtsjes ‘kornuiten’; mnd kornût(e), karnût(e). <Lat cornutus ‘gehoornd’, wat te maken kan hebben met een oud gebruik in het vroegere handwerksgilde dat de nieuweling horens droeg [NEW], ofwel het verwees naar de ‘gehoornde’ (= bedrogen) echtgenoot, ofwel het was een aanduiding van een gemijterde (‘gehoornde’) bisschop, ofwel het was een scheldwoord voor ‘homosexueel, verrader, ketter’ [vDE]. Via het eerstgenoemde verband kunnen de betekenissen ‘collegialiteit/kameraadschap’ enerzijds en ‘sukkelachtigheid’ anderzijds zijn ontstaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kornuit ‘makker’ -> Duits dialect Knüütje ‘groentje’; Deens kanut ‘makker’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands kontri ‘kameraad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kornuit makker 1570 [WNT] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal