Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

korhoen - (hoenderachtige (Tetrao tetrix))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

korhoen zn. ‘hoenderachtige (Tetrao tetrix)’
Vnnl. coerhoenderen, corhoenderen [1579; Merula 1605, 62-64] bij een enkelvoud korhoen [1629; WNT smient]; nnl. korhoender (ev.) [1982; Picarta].
Samenstelling van → hoen en een klanknabootsend eerste lid kor-, naar de baltsroep van deze vogel.
Vergelijkbare samenstellingen zijn nhd. Kurrhahn, bij mhd. kurren.
Dit woord heeft, net als het simplex hoen, een meervoudsvorm op -deren. In tegenstelling tot hoen, krijgt korhoenderen in het hedendaagse Nederlands steeds vaker een nieuw, op regelmatige wijze gevormd enkelvoud (de) korhoender, zoals dat ook gebeurd is bij → spaander en → lover.
Lit.: Eigenhuis 2004, 301-302

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

korhoen znw. v., eerst ouder-nnl. gevormd van het ww. korren en dus wegens het door de vogel gemaakte geluid. Daarnaast werd later ook korhaan gevormd.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

KORHOENTetrao tetrix eerder Lyrurus tetrix
Duits Birkhuhn
Engels Black Grouse
Frans Tétras lyre
Fries Kuorhin
Betekenis wetenschappelijke naam: klokkende hoen. Eerder hoen met liervormige staart. Het element ‘kor’ is afgeleid van korren, een klanknabootsende vorm (vergelijk kirren, koeren, knorren). ‘Hoen’ is een variant van haan, eveneens een klanknabootsend woord, dat ‘mannelijk huishoen’ betekent en is ontstaan uit o.a. het Gotisch hana. Evenals tamme hoenders worden de vogels naar hun geslacht haan of hen genoemd. We zien dit bijvoorbeeld in het Friese Koarhoanne en Koarhin. Andere min of meer algemene streeknamen zijn Korhounder (Gr), Koerhoen, Kornhoen en Koornhoen. Beide laatste namen zijn vrijwel zeker een verbastering van Korhoen en hebben dan ook niets met koren(velden) van doen. De hoenders leven bij voorkeur op uitgestrekte vochtige heidevelden, afgewisseld met berken(bosjes). Dit komt tot uitdrukking in het Vlaamse Heihaan(hen) en in de namen Berkhaan (hoen), Bjirkhoanne(hin) (Fr) en in Moerhaan(hen). De fraaie liervormige staart van de haan, waarvan de gekrulde veren in het Habsburgse rijk menig militair uniform of muts sierden, ligt ten oorsprong aan de oude naam Kasteelhoen. De uitgespreide staart die tijdens de balts een voorname rol speelt wordt hier vergeleken met de hoge achtersteven van een schip, in het Middelnederlands ‘casteel’ genaamd. Vroeger werden in het wild levende hoenders vaak met de verzamelnaam ‘wilde hoenders’ of ‘veldhoenders’ aangeduid. Zo vinden we nog plaatselijk de volksnamen Veldhoen (Gr) en Wilde Kiepe (KvO).

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Kuorhin Officiële friese naam voor het Korhoen ↑ [Boersma 1972]. Bij De Vries 1912/1928: “Bjirkhoanne en Bjirkhin, Koarhoanne en Koarhin en Koerhoanne en Koerhin.”
Het friese ww. dat bij het baltsgedrag van Korhanen hoort, is bolderje. Maar dit is niet het eerste deel van de naam van het lemma. Als de naam van het lemma oorspronkelijk fries is, zou het eerste deel de stam van fries koere ‘koeren (van Duiven gezegd)’ kunnen zijn. Korhoenders hebben tot begin tachtiger jaren nog op fries grondgebied (Fochteloërveen) gebroed.
Het tweede deel, hin, betekent ‘Hoen’. Zie ook Berkhoen.

Korhoen Tetrao tetrix Linnaeus 1758. Synoniem Lyrurus tetrix. Dit is de enige inheemse N vertegenwoordiger van de Ruigpoothoenders Tetraonidae. Het werd tot voor kort nog bejaagd(!) en is nu vrijwel uit ons land verdwenen. Fries Kuorhin ↑. Zie ook Moerhoen, Berkhoen en Kasteelhoen.
In de oudste zgn. ‘plakkaten’ (van hogerhand uitgevaardigde wetten, die de gewone man het bemachtigen van wild en gevogelte verboden), wordt melding gemaakt van “Moerhoenderen”. Met deze naam worden Korhoenders bedoeld [Brouwer 1953]. Of er echter soms geen andere vogelsoorten mee bedoeld worden, is niet geheel zeker. De naam komt nl. voor in het “Placaet opt stuck vande Wildernisse van 27 Maart 1502”, dat van toepassing was in “de Haerlemmerhout, ende over al ’t Duynmeyerschap van Noorthollant”. Dit zou dan op het voorkomen (ooit) van het Korhoen in Noordwest-N wijzen! Als alternatief voor het Korhoen valt te denken aan Waterhoen (vgl. E Moorhen) en/of Meerkoet [Houttuyn 1763 p.402]. Houttuyn maakt melding van een Plakkaat uit 1684, waarin de naam Korhoenderen voorkomt (als een onderdeel van “Edel Gevogelte”). Bij Kiliaan 1599 komt de naam van het lemma nog niet voor [FWH].
ETYMOLOGIE Het eerste deel van N Korhoen staat in relatie tot het ww. korren, dat een veelheid van geluiden weergeeft (o.a. knorren, kirren, koeren), maar ook het baltsgeluid van de Korhaan. Qua vorming is Korhaan te vergelijken met nederduits Kurrhahn ‘Kalkoen’ (<mhd kurren).
Zweeds Orre en ijslands Orri lijken en zijn mogelijk ook onomatopeeën, waaraan in het deens en noors het woord voor ‘vogel’ is toegevoegd: deens Urfugl, noors Orrfugl. Deze klanknabootsing zou ook in het D kunnen spelen bij ohd ūrhuon (>D Auerhuhn) en/of ohd orrehan of orhan. Oudnoords orri wordt echter in verband gebracht met Gr ἄρρην árrhēn ‘mannelijk, sterk’, in welk geval het onomatopoëtisch karakter van de namen toeval zou zijn. Er is echter nóg een etymologische complicatie, en dat is het bestaan van N Woerhaan ‘Fazantenhaan’ en oudengels worhona. Met deze woorden kan oudnoords orri verwant zijn via het fenomeen dat anlautend w- bij oudnoordse woorden neiging had te verdwijnen (bijv. oudnoords úlfrwolf’, ormrworm’, urðwoerd, terp’ en orðwoord’. Wanneer op die basis verwantschap aangenomen mag worden, dient het woord ‘woer-’ primair verklaard te worden. Holthausen 1934 gaat uit van een betekenis ‘wild’ of een gerelateerd ohd wuorag (= ‘in een roes’) [Wilms 960528,5].
In de wetenschappelijke naam urogallus ‘Auerhoen’ kan uro- ook afgeleid zijn van Gr οὐρά ourá ‘staart’, naar de opvallende staartvorm van zowel Auerhoen als Korhoen (liervormig).
[E (Black) Grouse (<middelengels grewes (1547) of grows (1531) (deze namen worden verondersteld in het mv. te staan) <oudf *grue (niet in de betekenis van F grue = Kraanvogel) <laatLat grutas (4e nv. mv.; = ‘Veldhoenders’) (Giraldus c.1185) wordt door Lockwood 1993 als een in oorsprong zuivere onomatopee beschouwd, naar de baltsroep van de Korhaan.]

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

korhoen* hoendervogel 1624 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal