Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

konfijten - (in suiker inleggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

konfijten ww. ‘in suiker inleggen’
Mnl. gheconfijt ‘ingemaakt’ in van alrande anderen crude, hetsi gheconfijt jof ongheconfijt ‘van allerlei andere kruiden, al dan niet ingemaakt’ [1340; MNW cubebe], amandelen gheconfijt ‘gekonfijte amandelen’ [1407-32; MNW pignaet]; vnnl. confijten ‘verzoeten’ [1562; WNT verzoeten I].
Als verl.deelw. ontleend aan Frans confit ‘ingemaakt’, het verl.deelw. van confire ‘bereiden (van sauzen e.d.)’ [ca. 1176; TLF], ‘in suiker inleggen’ [1226; TLF], ontwikkeld uit Latijn conficere ‘vervaardigen’, zie → confectie. Zie ook het jongere leenwoord → confituren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

konfijten [in suiker inleggen] {1514} van frans confit [gekonfijt], verl. deelw. van confire [inmaken, konfijten] < latijn conficere [tot stand brengen, toebereiden, bewerken], van com- [samen] + facere [maken, doen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

konfijten ww., sedert ± 1500 < fra. confire ‘inleggen’ < lat. conficere. De nl. vorm met t zal uit de vormen van het ww. zijn ontstaan, zoals 3de p. enk. en verl. deelw. — Daarnaast mnl. confijt o. ‘ingelegd ooft’ < ofra. confit < lat. confectum, zodat ook uit dit subst. een ww. konfijten kan zijn afgeleid.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

konfijten ww., sedert ± 1500. Ontl. uit fr. confire “inleggen” (lat. conficere). Voor de t vgl. konterfeiten. Laat-mnl. reeds confijt o. “konfijt, ingelegd ooft” < ofr. confit (lat. confectum). Laat-mnl. ook al confect o., eveneens uit ’t Fr. en niet direct uit het Lat. Mnl. ook conficieren “mengen (van artsenij)” < lat. conficere.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gekonfyt b.nw.
Volkome vertroud met of baie bedrewe in iets.
Uit Ndl. gekonfijt (1590).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gekonfyt: “vertroud”; hoewel Kem (WFA 367), sonder dit te sê, die indruk wek dat dié gebr. Afr. is, is dit Ndl. (WNT VII 5249) en by Ndl. konfijten word sowel vrugtekonservering as ’n looi-proses betrek, maar dit hou in albei bet. verb. m. Fr. confit uit confire uit Ll. confecere uit Lat. conficere, “voorberei; produseer”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

konfijten in suiker inleggen 1340 [MNW cubebe]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal