Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

komen - (een plaats bereiken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

komen ww. ‘een plaats bereiken’
Onl. kuman ‘komen’ in te thi alla fleisc cuman sal ‘tot U komt al wat leeft’, ic quam an diopi seuues ‘ik kwam in de diepte van de zee’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. comen [1240; Bern.].
Os. kuman; ohd. queman, koman; oe. cuman; ofri. kuma, koma (nfri. komme); on. koma; got. qiman; < pgm. *kweman ‘komen’. De combinatie kwe- levert regelmatig ko- op in de afzonderlijke Germaanse dialecten, zoals in onl. quena ‘vrouw’, mnl. kone ‘vrouw’, ook on. kona ‘vrouw’ (maar genitief mv. kvenna).
Verwant met: Latijn venire; Grieks baínein, Sanskrit gam- (aorist); Avestisch gam (aorist); Litouws gim̃ti; Armeens ekn; Albanees n-gan; Tochaars A käm-, Tochaars B kam-; alle ‘komen, gaan e.d.’, bij de wortel pie. *gwem- ‘komen’ (LIV 209).
komst zn. ‘het komen’. Onl. cuomst ‘komst’ [ca. 1100; Will.]; mnl. comst ‘het komen’ [1236; VMNW]. Afleiding van komen met het achtervoegsel pgm. *-ti-. De -s- is hier wrsch. een overgangsklank; in andere talen verschijnt als overgangsklank soms -f-, bijv. Duits Kunft ‘komst’. Zie ook → bronst. ♦ bekomen ww. ‘uitwerking op iemand hebben’. Onl. bikuman ‘tegemoetkomen’ in unse herro ímo thar bequam ‘kwam onze Heer hem daar tegemoet’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. becomen ‘bevallen, behagen’ in die sparen die uon bequamen ‘de balken die hun (het meest) bevielen’ [1220-40; VMNW], ‘uitwerking op iemand hebben’ in de wortele alle, si di wale bekomen ‘alle wortels, zij hebben een goede uitwerking op je’ [1253; VMNW]. Afleiding van komen met het voorvoegsel → be-. ♦ bekomst zn. ‘zoveel als iemand verlangt’. Mnl. eerst met ander achtervoegsel becomte ‘behagen, genoegen’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. bekomte, bekomste [1607; Kil.]. Afgeleid van bekomen met hetzelfde abstracta-vormende achtervoegsel als in bijv.begeerte en → beroerte. Onder invloed van het zn. mnl. comst(e) ‘komst’ is de vorm met -s- opgekomen, die de oudere vorm verdrongen heeft.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

komen* [een plaats bereiken] {oudnederlands cuman 901-1000, middelnederlands comen} oudsaksisch kuman, oudhoogduits koman, oudengels cuman, oudnoors koma en ablautend oudhoogduits queman, gotisch qiman; buiten het germ. latijn venire [komen], grieks bainein [gaan], lets gāju [ik ging], oudindisch gātu- [gang].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

komen ww., mnl. cōmen, onfrank. cuman, os. kuman, ohd. choman, chuman, ofri. koma, kuma, oe. cuman (ne. come), on. koma, daarnaast abl. ohd. queman, got. qiman. — lat. venio (< *gemjō), gr. baínō, oi. gam-, toch. A käm, kum (säm), Β käm, kam (kem) (IEW 464). — Zie: bekwaam en komst.

Naast de idg. wt. *gem staat *gā vgl. oi. agam ‘ik kwam, ik ging weg’, gr. ébēn ‘ik ging’, lett. gāju ‘ik ging’ (IEW 463).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

komen ww., mnl. cōmen. — onfr. cuman, ohd. choman, chuman (nhd. kommen), os. kuman, ofri. koma, kuma, ags. cuman (eng. to come), on. koma, met ablaut (vgl. treden) ohd. quëman, got. qiman “komen”. Vgl. buiten ’t Germ. ier. fo-benat “subveniunt”, bêim “schrede”, lat. venio >,ik kom”, gr. baínō (*gṷem-jô) “ik ga”, arm. eku “hij kwam”, oi. gámati, gácchati “hij gaat”. Naast idg. gem- een synoniem gâ- blijkens gr. ébēn, dor. ēbān “ik ging”, lett. gâju “ik kwam”, alb. ngâ “ik loop”, oi. ágât “hij ging”, jígâti “hij gaat”. Vgl. bekwaam en komst.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

komen. Schrap de ierse woorden fobenat en bêim.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

komen ono.w., Mnl. comen, Onfra. cuman + Ohd. koman (Mhd. komen, Nhd. kommen), Ags. cuman (Eng. to come), Ofri. kuma, On. koma (Zw. komma, De. komme), Go. qiman: overal, uitgenomen in ’t Go., met zw. in plaats van normalen wortelgraad + Skr. en Zend wrt gam, Gr. baínō (*ɡm̥-i̭ô), Lat. venio (*ɡm̥-i̭o), Oier. béim, Lit. gimti: Idg. wrt. ɡem (vergel. kwik, kween).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

koume (ww.) komen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) kome, Aajdnederlands kuman <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

komen (kwam, is gekomen), (ook, ongeveer:) eraan komen, (iemand) te wachten staan. Laat OGEM over ons arme mensen regeren. Het gaat nog voor ze komen, wacht. Allemaal stuk voor stuk die grote bedrijven, je gaat* zien! (Cairo 1976: 47). Het gaat* voor je komen = Er zwaait wat voor je, het zal je betaald gezet worden, er staat je wat te wachten.
— : kom ho’ren, luister eens. Dobru kom horen; geef me een sigaret; van waar kom je? - Achtereenvolgens luisterde ik, bood haar een sigaret en een vuurtje aan en vertelde waar ik vandaan kwam (Dobru 1968a: 30). - Etym.: S kon jere (kon - kom; jere = horen, luisteren).
— : kom goed, komt U goed, (als wens, tevens groet) het beste.
— : kom loop, loop heen. Die leriman* heeft me voor de gek gehouden. Kom-loop! (Helman 1954a: 16). - Etym.: Zie Helman 1954b: 92.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

Verkeerd gebruik van komen als hulpwerkwoord van tijd. – In zuiver Nederlandsch wordt komen slechts in zeer zeldzame gevallen gebezigd als hulpwerkwoord van tijd. In de boekentaal der zuidelijke gewesten is dit gebruik echter veel uitgebreider, en dit is een gallicisme. Er zijn twee gevallen te onderscheiden:
α) Komen met een onbepaalde wijs met te. – Wanneer komen gevolgd wordt door een onbepaalde wijs met te, dan wordt daardoor eene soms minder of meer toevalligerwijze bereikte toekomst te kennen gegeven: hij kwam te sterven = het kwam zooverre, het gebeurde dat hij stierf; hij komt te weten = het komt zooverre, dat hij weet, hij geraakt er toe te weten; dat komt op veel geld, dat komt duur te staan = het komt zooverre, dat het veel geld kost, het is duur. In het Fransch bestaat dezelfde constructie: s’il venait à mourir; la chose viendra à se savoir; je viens à me le rappeler. Verder gaat het gebruik van komen met een infinitief met te in onze taal niet; maar in het Fransch bestaat naast venir à ook venir de, waardoor uitgedrukt wordt, dat de werking zoo even is geschied of pas is afgeloopen. Die constructie komt dus overeen met een voltooid verleden tijd vergezeld van een bepaling van tijd als zoo even, pas enz., en zoo drukt men zich in ’t Nederlandsch dan ook uit: Il vient de me dire = hij heeft me zoo even gezegd; je viens de le quitter = ik ben nog maar pas van hem weggegaan enz. In Zuid-Nederland vindt men echter ook in dit geval veelvuldig komen met een onbepaalde wijs met te, wat dus ongetwijfeld navolging is van venir de -. Over ’t algemeen is deze fout nog tot de boekentaal beperkt; toch hoort men reeds veel, althans te Gent: ik kom het daar juist van te zeggen! Zeer gewoon, voor de ramen van boekhandelaars, is het bericht komt te verschijnen, letterlijk vertaald naar fr. vient de paraître, d.i. in goed Nederlandsch: zoo even verschenen! || Godfried Wendelyn, die den Raad met een afdruksel zijner Luminarcani Eclipses Lunares kwam te vereeren, V. EVEN in Versl. Vl. Ac. 1891, 313. Zij (Mevr. De Burbure) komt op de stedelijke archieven de geschiedkundige aanteekeningen van haren gemaal neer te leggen, GÉNARD in Versl. Vl. Ac. 1892, 38. Wat hun trant … onderscheidt van elke andere, is dat deze figuurtjes (nl. de beelden op het graf van Karel den Stoute) zoo bepaald natuurtrouw en menschelijk zijn. Die kunst komt juist te breken met de gothische overlevering, ROOSES, Ov. de Alp. 11. Terwijl hij … zat na te denken over wat ze kwam te zeggen, MOORTGAT, Versleten 24. Den brief, dien hij zijnen patroon kwam voor te lezen in beide handen, 75. Vooraf begrijpend in welk drama van lijden en tranen de brave man eene rol kwam te spelen, BUYSSE, Wroeg. 49. Het hartverscheurend drama, dat vier levens kwam te verwoesten, 92. ’t Was daarbinnen, dat men de lijken kwam neer te leggen, 133. In het somber … pak, kwamen zij … hun meester te herkennen, 143. Het volk … kwam hem uit de klauwen der agenten te rukken, 220. Die woorden kwamen schielijk voor hem eene verschrikkelijke beteekenis te krijgen, BUYSSE in De Gids 1895, II, 23. De kwellende ontroeringen die zij kwamen te doorstaan, 1895, II, 26. Ik kom mij daar te bedenken en te besluiten mijne schilderij nu nog niet te verkoopen, BUYSSE in Tweemaandel. Tijdschr. 1, 35. Zij voelde instinctmatig dat zij een groot geheim van het leven kwam aan te roeren, BUYSSE in Nederland 1895, III, 163. Treurig te moede overdacht de knaap wat zijn peter hem kwam te verhalen, MILLECAM, Finh. en Lieder. 1, 197. Die laffe schelm, die den goeden edeling vermoordde, voor wiens zielerust ik daar kom te bidden, 1, 200. Het was duidelijk merkbaar dat Redbold hevig verontwaardigd was over hetgeen hij kwam te vernemen, 1, 234. Gij allen … zijt getuigen van de benoeming, die ik kom te doen, 1, 246. Eene zoo gevaarlijke zending …, als deze welke wij komen te hooren, 2, 9. Ik (ben) waarlijk grootelijks verwonderd … over hetgeen ik kom te vernemen, 2, 81. Liederik dacht … na, over hetgeen de kluizenaar hem kwam mede te deelen, 2, 115. Die moedige, onversaagde jongeling, tegen wien hij kwam te spreken, 2, 122. Zoudt gij de gruwelijke voorzegging, die ik daar kwam te doen, willen verwezenlijkt zien? 2, 212. De policie te Aalter (komt) de hand te leggen op eene bende duivendieven, Fondsenblad 3-4 Febr. 1896, 3c (briefwisseling uit Aalter). Mijnheer Eduard maakte ons zoo even bekend, dat gij ons loon komt te verhoogen, BLOCK, Fabriekbest. 22. Ik kom iets te vernemen waar ik u over spreken moet, DE VISSCHERE, Zielestr. 17.
β) Komen met een onbepaalde wijs zonder te.Komen, gevolgd door een onbepaalde wijs zonder te, geeft te kennen dat de werking, door den infinitief uitgedrukt, het doel van de komst is: komen eten, komen kijken, komen klagen enz. Eene dergelijke constructie bestaat in het Fransch; maar nog in een ander geval wordt fr. venir zonder voorzetsel door een onbepaalde wijs gevolgd, t.w. met een zaak als onderwerp, minder of meer pleonastisch, zoo b.v. cette découverte vient completer celle du savant X. Dit gebruik van fr. venir wordt in de Zuidnederlandsche boekentaal zeer vaak nagevolgd, maar is in strijd met ons taaleigen: wij gebruiken eenvoudig een persoonsvorm van het werkwoord, dat in het Fransch in den infinitief bij venir staat: derhalve niet komt volledigen, voegen enz., maar volledigt, voegt enz. || De gelukkige vondst … van twee volledige handschriften der Eerste Partije, die de enkele gekende Amsterdamsche redactie … op een wonderlijke wijze komt volledigen, DE PAUW in Versl. Vl. Ac. 1888, 333. Sommige verordeningen komen de reeds gekende grafelijke bepalingen op het muntwezen volledigen, DE PAUW, Voorgeb. XV. En verder zijn er twintig omstandigheden, die elk eenen hoogeren graad van waarschijnlijkheid bij deze stellige bewijzen komen voegen, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 60. Zoo kwamen de rampen van den oorlog tegen de vreemden zich voegen bij die der inwendige geschillen, ROOSES, Op Reis 108 (hier zou nu echter niet passen Zoo voegden zich de rampen enz.; maar men kan heel goed zeggen Zoo kwamen de rampen van den oorlog met de vreemden bij die der inwendige geschillen). De volgende stamboom omvat een tijdverloop van bij de twee eeuwen. In 1569 komt de tak der Pourbus er zich op inenten, SABBE, Vl. Schilderk. 119 (zie echter voor zich inenten beneden § 8, b [inenten]). Het (boek) verschijnt thans op nieuw, nadat een tweemalige herdruk gedurende een bestaan van acht jaren zijn bruikbaarheid is komen bevestigen, GITTÉE in De Toekomst 34, 463. Den stadsbewoner wordt het in de drukke straten te eng, en hij is overtuigd, vooral sedert de gezondheidsleer zijne meening is komen bekrachtigen, dat hij het niet zou uithouden …, indien hij niet eenigen tijd nieuwe krachten ging putten in de zuiverder landlucht, GITTÉE, Ons Bergl. 2. Bij deze dubbele bekroning, kwam zich nog …, na zijn dood, een derde onderscheiding voegen, L. WILLEMS in Nederl. Mus. 37, 158 (als boven). Een algemeen register zal deze uitstekende uitgave eerlang komen volledigen, Volksbelang 15 Oct. 1898, 4a.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

komen ‘een plaats bereiken’ -> Javindo kom ‘naar iemand toe gaan’; Negerhollands kō, kom ‘een plaats bereiken, aankomen; worden, gebeuren, tot stand komen’; Berbice-Nederlands kumu ‘een plaats bereiken’; Skepi-Nederlands kum ‘een plaats bereiken’; Sranantongo kon ‘een plaats bereiken’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

komen* een plaats bereiken 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

komen (onder invloed van Eng. to come), informele verkorting van klaarkomen ‘een orgasme hebben’.

De drank maakte haar uitermate hoerig en roekeloos. ‘Pas een beetje op, lieverd. Dadelijk kom ik nog.’ ‘Ik wil dat je komt.’ (Playboy, maart 1987)
En als het vrouwtje dan niet gekomen is, dan ligt het toch zeker wel aan haar en het is veel te pijnlijk om er over te beginnen. (Nieuwe Revu, 12/10/94)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1452. Die eerst komt, (die) eerst maalt (of maant),

d.w.z. die het eerst komt, wordt het eerst geholpen, zooals hij, die het eerst met zijn koren aan den banmolen kwam, ook het eerst bediend werd. Sedert de middeleeuwen is de uitdr. bekend, zooals blijkt uit Goedthals, 54: Voren comt, voren maelt, qui premier vient au molin, premier doibt moudre; Prov. Comm. 240: Die eerst ter molen comt, sal eerst malen, ante molam primo veniens prius hic molet imo; Campen, 60: die yerst coemt, die maelt yerst; Volksleven V, 144: qui vie(n)dere premier sera moulu premier, die veur komt die veur maelt; Saksenspiegel: ‘So welc waghen eerst coemt op der brugghen, die sal eerst overvaren; so wie eerst ter molen coemt, die zal eerst malen’. In een charter van den Heer van Landrécyes van 1191 komt eene verordening voor, die door Raepsaet in het kort aldus wordt weergegeven: ‘Le meunier sera tenu de moudre les grains des bourgeois chacun à son tour à l'ordre de leur arrivée’Zie Fockema Andreae in de Mededeelingen van de Maatschappij der Nederl. Ltk. 1897-98, bl. 118-120; Mnl. Wdb. IV, 1061; Ndl. Wdb. IX, 140.. Zie verder nog De Brune, 184: eerst komt, eerst maelt; Idinau, 29; Van Effen, Spect. IV, 156; Harrebomée III, 38 b en 384; Taalgids III, 306 vlgg.; IV, 263; Suringar, Erasmus, no. CLXXXIII; mlat. qui capit ante molam, merito molit ante farinam. In het Friesch zegt men dy 't earst komt, dy 't earst mealt of dy 't earst oan 'e moule komt, mealt earst. In sommige streken hoort men in de plaats van maalt maant; zoo o.a. in Groningen (Molema, 297 a; vgl. ook Falkl. VI, 11: Wie 't eerst komt, wie 't eerst maant). Een synonieme uitdr. is het ook in de middeleeuwen voorkomende: die eerst in den boot is, heeft keure van royers (Goedthals, 13), dat ook luidt: (die t) eerst in de boot, (is heeft de) keur van riemen (Harreb. I, 81 a; III, 141 b; Ndl. Wdb. III, 499; XIII, 122; Joos, 184); Afrik. wie eerste kom moet eerste maal; vgl. ook het fri.: dy 't earst yn 'e roef komt het kar fen plak (plaats) en Gallée, 28 a: dé 't eerste op den brink kümp, maalt 't eerste. Zie verder Wander III, 754; Eckart, 371; Borchardt no. 1219; fr. premier venu premier moulu; hd. wer zuerst (zur Mühle) kommt, mahlt zuerst; eng. first come first served.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gā-, gem- ‘gehen, kommen; zur Welt kommen, geboren werden’, gm̥-ti-s f., gem-tu-s m. ‘Gang, Schritt’, Verbaladjektiv gm̥-to-s

Ai. jí-gā-ti ‘geht’ (= gr. *βίβησι, vgl. lak. 3. Sg. βίβαντι, hom. Partiz. βιβά̄ς ‘mit großen Schritten einhergehend’, dazu auch hom. βιβάσθων), Aor. á-gā-m ‘ich kam hin, ging weg’ (av. Injunkt. gāt̰ ‘er wird hinkommen’) = arm. kam ‘stehe’, gr. ἔβην, dor. ἔβᾱν ‘ich machte mich auf, ging’;
ai. gā́tram ‘Glied, Körper’; gātú-ḥ ‘Gang, Weg, Raum, Ort’, av. gātu-š ‘Ort, Liegerstatt, Sessel, Thron’, apers. gāθu ds.; ai. ví-gāman- n. ‘Schritt’ (pr̥thú-pra-gāman- ‘weiterschreitend’; vgl. gāmin- ‘gehend’, Weiterbildung eines o-St. gāma-ḥ), av. gā-man- n. ‘Schritt’, ai. gāya-m ‘Schritt’ in uru-gāyá- ‘weiterschreitend, weit’ (vom Weg), av. gāya- (Akk. gāim) ‘Schritt’ (mit Formans -ya-);
arm. kam ‘stehe’ ( : gr. ἔβην);
gr. *βίβησι, βιβά̄ς, ἔβην s. oben; βηταρμός ‘Tanz’, βητάρμων ‘Tänzer’ (aus *βᾱτος oder *βᾱτᾱ ‘das Fußaufsetzen’ + ἄρμα ‘Gefüge’); ἀμφισβητέω, ion. ἀμφισβᾱτέω ‘streite’ (‘nach zwei Seiten auseinandergehend’), βῆμα n. ‘Schritt’ ablautend βωμός m. ‘Tritt, Stufe, Gestell, Altar’; Infinitiv βήμεναι; βηλός m. ‘Türschwelle’; βέβηλος, dor. βέβᾱλος, kyren. βάβᾱλος ‘betretbar, ungeweiht’ (Gegensatz von ἄβατος ‘unvergänglich, heilig’); tiefstufig βέβαιος ‘sicher’ (*gut gangbar); βάδην Adv. ‘im Schritt’; βάδος m. ‘Weg’, βαθμός m. ‘Stufe, Schwelle, Schritt’, βάθρον ‘Grundlage’, ἐμβάτης ‘Männerschuh’;
alb. ngā ‘ich laufe’ (*ga-ni̯ō);
lit. dial. góti ‘gehen’; lett. gāju (Prät. zu iêt) ‘ich ging’ (setzt ein Präs. *gāi̯ō voraus, dessen j präsensbildend sein wird), davon weiter gâjums ‘Gang, Reihe’; gàita ‘Gang’ (mit analogischem ai, Endzelin Lett. Gr. S. 678); gātis Pl. ‘Fluglöcher der Bienen’; lit. próga ‘Gelegenheit, Frist’ (Präfix *prō̆ + ); lit. gãtvė ‘Straße, Viehtrift’, lett. gatva ‘Weg, Durchgang’ sind germ. Lw.
Vielleicht hierher auch die kelt. Worte für ‘sterben’ (als ‘fortgehen’, ἐκ βροτῶν βῆναι), wie air. baĩd ‘stirbt’ (*bā-a-ti aus *gā-), at-bath ‘starb’ (*-gǝ-t . .), bath ‘Tod’ = cymr. bad ‘Pest’, bret. bad ‘Betäubung’, corn. bad-us ‘wahnsinnig’; air. bās ‘Tod’ ist nach gnās ‘Gewohnheit’ usw. gebildet. Trotz Thurneysen Gr. §§ 547, 728 ist ein Stamm bā̆s- nicht nachzuweisen; s. richtiger Pedersen Litteris 2. 89 f.
2. gem-:
Unthematisch *(e)-gem-t (> *e-gen-t), -gm̥-té, -gm-ent im ai. Aor. ágan, gan (g für j nach Formen mit ursprünglichem *gm̥-, *gm-; 1. Sg. ágamam), ágata (*gm̥-), ágman, ágmata; gthav. 3. Sg. Inj. uz-ǰǝ̄n, 3. Pl. gǝmǝn;
arm. 3. Sg. ekn ‘er kam’ (= ai. ágan); über die noch unklare 1. Sg. eki, 3. Pl. ekin siehe Meillet Esquisse 134 f.;
gr. βάτην 3. Du., ὑπέρβᾰσαν 3. Pl. wohl zur Wurzelf. *gā-;
Konj. *gemeti in ai. gám-at, -anti, gthav. ǰamaiti, ǰimaiti; Opt. gm̥-i̯ēt in ai. gamyāt, av. ǰamyāt̰, ap. ǰamjāh (ǰ für g aus Formen mit hochstufigem idg. *gem-); ags. cyme s. unten;
thematisch: hochstufig ai. gámati, av. ǰamaiti ‘geht’ (ai. gamáyati ‘läßt kommen, führt herbei’, av. ǰāmayeiti ‘bringt zum Weichen’), tiefstufig ai. (Opt. Aor.) gamḗt, gamḗma, gamemahi, wohl auch Aor. ágamat; Perf. ja-gā́ma ‘ich ging’ (vgl. got. 1. Pl. qemum); av. frā-ɣmat̰ (gthav.-gǝmat̰) ‘er kam hinzu’, apers. a-gmatā;
osk. kúmbened ‘convenit’, cebnust (aus *ce-benust) ‘(huc) vēnerit’, umbr. benust, benurent ‘venerit, -int’; lat. Konj. advenam (über n für m s. unten; vielleicht mit analogischem -en- nach den Formen wie lat. veniō, ventum, vēnī);
got. qiman (Prät. qam, 1. Pl. qemum: ai. 1. Sg. Perf. ja-gāma), ahd. queman und (tiefstufig?) coman = ags. cuman, anord. kōma ‘kommen’; ags. Konj. Präter. (alter Optat.) cyme (*gem-ī-t);
toch. A käm-, kum-, В käm-, kam-, śem ‘kommen’.
i̯o-Präsens *gm-i̯ṓ in gr. βαίνω ‘gehe’ (Fut. βήσομαι usw.), lat. veniō ‘komme’ mit sehr altem Wandel von -mi̯- zu -ni̯-; nach Schwyzer Gr. Gr. I 309 könnte das n auch von Formen wie av. ǰantu (*gem-tu-), arm. ekn (*e-gem-t) bezogen sein; zu vēnimus stimmt got. qemum;
sk̑o-Präsens *gm̥-skṓ: ai. gácchati, av. jasaiti ‘er geht’, gr. βάσκε ‘geh! komm!’ toch. A kumnäš ‘er kommt’, Med. kumnästär, В känmasträ.
Verbaladjektiv: ai. gatá-ḥ ‘gegangen’, av. gata- ds., gr. βατός ‘gangbar’ (*gm̥-to-s), lat. in-ventus.
Andere Nominalbildungen:
ai. gáti-ḥ f. ‘Gang’, av. aiwi-gati- ‘das Herbeikommen = Eintreten, Beginnen’, gr. βάσις f. ‘Schritt; Grundlage’ (*gm̥-ti-s), lat. con-venti-ō ‘Zusammenkunft’, got. gaqumþs ‘Zusammenkunft’ (*-gm̥-tis), anord. samkund f. ds., ahd. cumft, nhd. Ankunft; ai. gántu-ḥ m. ‘Gang, Weg’, lat. adventus, -ūs ‘Ankunft’; got. qums ‘Ankunft’ (*gem-is), ags. cyme, ahd. cumi; ai. gamya- ‘wohin man gehen kann oder soll’, osk. kúmbennieís Gen. ‘conventūs’; ahd. biquāmi ‘bequem’ (vgl. ‘bekömmlich’), ags. gecwēme ‘angenehm, passend’, anord. kvǣmr ‘zum Kommen berechtigt oder imstande’; kvāma f. ‘Kommen, Besuch’, kōma ds.;
toch. A kum-, AB kam-, A käm-, В śem- ‘kommen’, A kumnǝṣ, Med. kumnǝṣtǝr ‘kommt’, A kakmu, В kekamu ‘gekommen’.
Mit einer Bed.-Entwicklung ‘(zur Welt) kommen’ = ‘geboren werden’:
av. ni-ǰāmayeinti ‘sie bringen zum Gebären’ (*ni-ǰāma- ‘Geburt’);
gr. ἐ-βάθη· ἐγεννέθη Hes.;
alban. pre-gjim ‘Gastmahl bei der Erstgeburt’;
lit. gemù, gim̃ti ‘geboren werden’ = lett. dzemu, dzìmt ds., lit. gìmstu (zum Akzent siehe Schulze KZ. 45, 230) = lett. dzìmstu ds., lit. giminė̃ ‘Familie’, gỹmis ‘Geburt’, gãmas ‘Angeborenes’, Kausat. gamìnti ‘Kinder erzeugen, Vieh züchten’, lett. dzìmts ‘angeboren, erbgehörig, leibeigen’, dzìmša ‘Geburt’ = apr. gimsenin Akk. Sg. ‘Geburt’, apr. gemton ‘gebären’, gemmons Partiz. Perf. ‘geboren’.

WP. I 675 ff., Meillet Esquisse2 134 f., Schwyzer Gr. Gr. I 309, 689, 7423, 7072, Trautmann 76, Pedersen Toch. 170 ff., 221, 234.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal