Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kol - (groot sleepnet bij de kabeljauwvisserij)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kol4 [vistuig] {1761-1785} van kollen [op kabeljauw vissen], uit het scandinavisch, vgl. deens kolle, noors, zweeds kolja [kabeljauw], zo genoemd vanwege de koolzwarte vlek.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kol 3 znw. m. ‘vistuig om kabeljauw te vangen’, sinds 1700 bekend en van de Noorse vissers overgenomen en dan wel te verbinden met de naam van de kabeljauw nnoorw. kolja, nde. kolle, kulle, nzw. kolje, een naam, die doelt op de grote zwarte vlek, die de vis vlak boven de borstvinnen heeft. (K. Heeroma Ts. 61, 1942, 19-42, 45-77)

kol 3 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 235 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kol V (sleepnet). = kol I?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kuil 2 m. (bodem van een net), Mnl. cudel + Nhd. keutel: van denz. wortel als kuil 1.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal