Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kol - (feeks)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kol2* [feeks] {1613} een vermoedelijk laat gevormd en uitsluitend nl. woord, hoewel het naar de vorm beantwoordt aan oudnoors kolla [vrouw] en de vergelijking is getrokken met zweeds dial. kolla [halfwijze vrouw], kulla [meisje] als in Dalkulla [meisje uit Dalama] en dus mogelijk ouder is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kol 2 znw. v., alleen in toverkol, eerst na Kiliaen bekend. Indien dit woord, zoals waarschijnlijk, een jonge formatie is, kan de herkomst moeilijk bepaald worden, vooral als wij niet de omstandigheden weten, waaronder het ontstaan is. Formeel kan men vergelijken on. kolla ‘vrouw’, eig. ‘koe zonder horens’, nnoorw. dial., nzw. dial. kolla ‘horenloze koe’, kulla ‘meisje’, vgl. zw. dial. kolla halfwijze vrouw’. Dit woord is af te leiden van on. kollr, waarvoor zie kol 1, maar is tot het ngerm. beperkt.

Andere vermoedens bij FW 332 zijn al even onzeker: in verband met de bezemsteel, waarop de heks rijdt, vergelijkt hij vla. kal ‘langwerpig stuk hout’ en Antw. kal ‘ijzeren tap of bout’. Het vlaams kent ook kalle als naam voor vogels en verder kalle ‘vrouw’, dat echter < joods-bargoens kalle < hebr. kaloh ‘schoondochter, verloofde, bruid’ kan zijn ontstaan (vHaeringen Suppl. 90).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kol III (tooverkol), nog niet bij Kil. Wsch. een jong woord. Anders is de afl. uit *kuðlô- “wijze vrouw”, verwant met lit. gudrùs “verstandig, slim” niet geheel onmogelijk. Met het oog op kol rijden moet ook met de mogelijkheid gerekend worden, dat de oorspr. bet. “bezemsteel” is en dat uit de genoemde uitdr. een ko1 “heks” geabstraheerd is; vgl. dan vla. kal “langwerpig stukje hout”, Antw. kal “ijzeren tap of bout”? Hoogst onzeker; evenzoo de combinatie met vla. kalle, naam voor verschillende vogels, ook voor een spook-vrouw gebruikt (bij kallen?). Of komt kol uit ’t Skandin.? Hier komt zw. kulla v. “meisje”, noorw. dial. en on. -kolla v. “vrouw” voor, o. a. in on. Selkolla “zeehond-vrouw, soort spook met zeehondekop”; ’t is als *kon-la van kona (zie kween) afgeleid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kol III (toverkol). Vla. kalle als aanduiding van een vrouw is wsch. het joods-bargoense kalle < hebr. kaloh ‘schoondochter, bruid, verloofde’. Het is mogelijk, maar niet wsch., dat kol III hetzelfde woord is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kol 3 v. (tooverkol), oorspr. onbek. misschien uit Skand.: On. sel-kolla = zeehondvrouw, meermin, Zw. kulla meisje, dimin. van kween.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kol I vrouwelijke gans, nachtvlinder, aan twee zijden zwarte bot, paddestoel (Urk, Noord-Holland, Meierij). Vgl. ono. kolla ‘vrouw, wijfjesdier’, zw. kulla ‘vrouw, zeug’.
WNT VII 5104-5105, WBD 1011.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kol* feeks 1613 [WNT kol I]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal